In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op 3 december 2025, in de zaak tussen eiser en het UWV, staat de vraag centraal of er sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen eiser en een derde partij in november 2023. Het UWV had vastgesteld dat eiser niet verzekerd was voor de Ziektewet (ZW) en had de betaalde ZW-uitkering teruggevorderd. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het UWV de hoorplicht had geschonden in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat het UWV de hoorplicht inderdaad had geschonden, maar dat dit geen gevolgen had voor de uitkomst van de zaak, omdat het UWV voldoende bewijs had geleverd dat er geen dienstverband was. De rechtbank concludeerde dat eiser met ingang van 1 december 2023 geen recht had op een ZW-uitkering en dat de terugvordering van de uitkering in stand bleef. Wel moest het UWV het griffierecht vergoeden en de proceskosten aan eiser betalen, omdat de hoorplicht was geschonden. De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht in bestuursrechtelijke procedures en de noodzaak voor bestuursorganen om zorgvuldig om te gaan met de bewijsvoering in zaken die belastende besluiten betreffen.