ECLI:NL:RBOBR:2025:7860

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
25/357
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de gefingeerdheid van een dienstverband en de hoorplicht in bestuursrechtelijke procedures

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant op 3 december 2025, in de zaak tussen eiser en het UWV, staat de vraag centraal of er sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen eiser en een derde partij in november 2023. Het UWV had vastgesteld dat eiser niet verzekerd was voor de Ziektewet (ZW) en had de betaalde ZW-uitkering teruggevorderd. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het UWV de hoorplicht had geschonden in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelde dat het UWV de hoorplicht inderdaad had geschonden, maar dat dit geen gevolgen had voor de uitkomst van de zaak, omdat het UWV voldoende bewijs had geleverd dat er geen dienstverband was. De rechtbank concludeerde dat eiser met ingang van 1 december 2023 geen recht had op een ZW-uitkering en dat de terugvordering van de uitkering in stand bleef. Wel moest het UWV het griffierecht vergoeden en de proceskosten aan eiser betalen, omdat de hoorplicht was geschonden. De uitspraak benadrukt het belang van de hoorplicht in bestuursrechtelijke procedures en de noodzaak voor bestuursorganen om zorgvuldig om te gaan met de bewijsvoering in zaken die belastende besluiten betreffen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/357

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M. van der Feer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak gaat het over de vraag of tussen eiser en [naam] ( [naam] ) in november 2023 sprake was van een dienstverband. Het UWV stelt zich op het standpunt dat dat niet het geval was, zodat eiser niet verzekerd was voor de ZW [1] . Volgens het UWV was sprake van een gefingeerd dienstverband. Het UWV heeft daarom de betaalde ZW-uitkering van eiser teruggevorderd. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert aan dat het UWV in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden en dat er wel een dienstverband was. Aan de hand van zijn argumenten beoordeelt de rechtbank de besluiten van het UWV.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak onder andere tot het oordeel dat er geen dienstverband was, zodat eiser niet verzekerd was voor de ZW. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn en hebben geleid tot de bestreden besluiten. Onder 4 en 5 staan de standpunten van partijen benoemd. Vanaf 6 volgen de overwegingen van de rechtbank. De conclusie en de gevolgen daarvan worden onder 8 benoemd. Daarna volgt de beslissing.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 augustus 2024 heeft het UWV beslist dat eiser met ingang van 1 december 2023 geen recht op een ZW-uitkering heeft. Met het besluit van 23 augustus 2024 heeft het UWV de te veel ontvangen ZW-uitkering ten bedrage van € 10.277,58 (netto) van eiser teruggevorderd. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 is het UWV bij deze besluiten gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Het UWV heeft nadere stukken ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. De gemachtigde van het UWV heeft op haar verzoek via een beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. In een door eiser en [naam] ondertekende arbeidsovereenkomst is vermeld dat eiser bij [naam] in dienst treedt als bedrijfsleider/commercieel medewerker voor 38 uur per week tegen een bruto maandloon van € 5.750. Het dienstverband vangt aan op 1 november 2023 en eindigt op 31 oktober 2024, waarbij een proeftijd van één maand geldt.
3.1.
In een brief van 17 november 2023 van [naam] aan eiser staat dat het dienstverband direct beëindigd wordt.
3.2.
Eiser heeft zich per 17 november 2023 bij het UWV ziekgemeld. Het UWV heeft aan eiser vervolgens een ZW-uitkering toegekend.
3.3.
Bij het UWV is het vermoeden ontstaan dat het opgegeven dienstverband tussen eiser en [naam] gefingeerd was. Het UWV heeft vervolgens onderzoek gedaan naar het dienstverband. In het kader van dit onderzoek heeft het UWV eiser twee keer gehoord en de directeur van [naam] , [naam] , ook twee keer gehoord. Ook heeft het UWV af- en bijboekingen van de bankafrekeningen van eiser onderzocht. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport van 17 juli 2024. De conclusie is dat geen sprake was van een dienstverband tussen eiser en [naam] en dat eiser dus niet verzekerd was voor de ZW.
3.4.
Deze conclusie heeft geleid tot de besluiten, genoemd onder het kopje ‘Procesverloop’.
Standpunten van partijen
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het UWV de hoorplicht in de bezwaarfase heeft geschonden. Het UWV heeft hem namelijk niet in de gelegenheid gesteld om op een kantoor van het UWV te worden gehoord. Verder vindt eiser het standpunt van het UWV dat geen sprake is geweest van een dienstverband onvoldoende gemotiveerd. De bevindingen van het onderzoek roepen weliswaar de nodige vragen op, maar als daar doorheen wordt geprikt, blijkt dat sprake is geweest van een dienstverband.
5. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht niet geschonden is. Het UWV heeft eiser namelijk in de gelegenheid gesteld om via een beeldverbinding te worden gehoord. Verder blijkt volgens het UWV uit de onderzoeksbevindingen dat geen sprake is geweest van een dienstverband tussen eiser en [naam] . Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de gewerkte dagen en zijn verblijf in het buitenland. Ook [naam] heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de gewerkte dagen. Daarnaast heeft eiser een procedure gevoerd over de weigering van het UWV om aan hem een Wajong [2] -uitkering toe te kennen. In die procedure heeft hij juist aangevoerd dat hij geen arbeidsvermogen heeft. Volgens het UWV is het daarom ongeloofwaardig dat [naam] hem als bedrijfsleider/commercieel medewerker heeft aangenomen voor een brutoloon van € 5.750 per maand. Ook vindt het UWV het vreemd dat [naam] eiser voor de hele maand november 2023 heeft betaald, terwijl eiser verklaart dat hij in die maand maar dertien dagen gewerkt heeft.
Heeft het UWV de hoorplicht geschonden?
6. Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord voordat het op het bezwaar beslist.
6.1.
De Hoge Raad heeft beslist dat aan dit voorschrift in het algemeen door middel van telefonisch horen zal kunnen worden voldaan als een belanghebbende daarmee instemt of daarom verzoekt. [3]
6.2.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende. In de bezwaarfase heeft eiser verzocht om te worden gehoord. Een medewerker bezwaar van het UWV heeft de gemachtigde van eiser op 18 november 2024 bericht dat, gelet op haar kantoorlocatie [plaats] , een hoorzitting telefonisch of via MS Teams kan plaatsvinden. Het UWV heeft een uitnodiging voor een hoorzitting op 9 december 2024 toegezonden. De gemachtigde van eiser heeft op 6 december 2024 verzocht om de hoorzitting op kantoor van het UWV te laten plaatsvinden. Bij bericht van 9 december 2024 heeft het UWV dat verzoek afgewezen. Het UWV heeft op 10 december 2024 een nieuwe uitnodiging voor een hoorzitting (via MS Teams) op 17 december 2024 verzonden. Een hoorzitting heeft in de bezwaarfase niet plaatsgevonden.
6.3.
Uit het voorgaande blijkt dat eiser niet heeft ingestemd met een telefonische hoorzitting of een hoorzitting door middel van MS Teams. Het UWV had eiser daarom moeten uitnodigen voor een uitnodiging op kantoor van het UWV, maar heeft dat niet gedaan. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het UWV de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank ziet aanleiding om deze schending met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Eiser is namelijk op 9 mei 2025 alsnog gehoord op een kantoor van het UWV.
Is van een dienstverband sprake geweest?
7. Bij besluiten als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten. Het is dan aan het UWV om bewijs te verzamelen en aan de hand daarvan aannemelijk te maken dat in november 2023 geen sprake was van een dienstverband. Indien dat aannemelijk is, ligt het op de weg van eiser om met tegenbewijs aannemelijk te maken dat er wel een dienstverband is geweest. [4]
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het UWV in zijn bewijslast geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
7.2.
Allereerst heeft het UWV terecht naar voren gebracht dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de dagen die hij naar eigen zeggen voor [naam] heeft gewerkt. Bij het gesprek met het UWV op 27 maart 2024 heeft eiser verklaard dat woensdag 1 november 2023 zijn eerste werkdag was en dat [naam] hem op die dag heeft opgevangen en wegwijs heeft gemaakt. Bij het gesprek op 30 mei 2024 heeft hij eerst hetzelfde verklaard. Vervolgens is hij er mee geconfronteerd dat met zijn bankrekening begin november 2023 transacties in Spanje zijn verricht. Eiser heeft zijn verklaring over zijn eerste werkdag vervolgens niet aangepast. Op de vraag: ‘Als we bij Transavia de passagierslijst opvragen, komen we dan uw naam tegen?’ heeft hij geantwoord: ‘Je zal zien dat ik er wel op sta maar ik ben er niet geweest.’ De rechtbank begrijpt dit antwoord aldus dat eiser toen niet in Spanje is geweest. Pas op 4 juni 2024 heeft zijn toenmalige gemachtigde erkend dat eiser van 26 oktober 2023 tot en met 9 november 2023 in Spanje is geweest. Zijn gemachtigde heeft aangegeven dat eiser al van 17 oktober 2023 tot en met 25 oktober 2023 voor [naam] heeft gewerkt en zijn werkzaamheden heeft hervat op 10 november 2023 tot zijn ziekmelding op 17 november 2023.
7.3.
Eiser heeft aangevoerd dat de vraagstelling tijdens het gesprek van 27 maart 2024 niet duidelijk was: deze kon worden opgevat als: ‘wanneer begon het dienstverband?’ maar ook als ‘wanneer begon het werk feitelijk?’. De rechtbank volgt hem hierin niet. Omdat eiser heeft geantwoord dat [naam] hem op 1 november 2023 heeft opgevangen en hem wegwijs heeft gemaakt, moet eiser hebben begrepen dat het om het feitelijke begin van het werk ging.
7.4.
Op de zitting heeft de rechtbank eiser gevraagd naar een reden voor de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Eiser heeft vervolgens aangegeven dat hem pas lange tijd na het dienstverband is gevraagd wanneer hij is begonnen met werken en dat hij toen is uitgegaan van wat er op de arbeidsovereenkomst staat vermeld. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij niet voorbereid was op de gesprekken en dat hij tijdens de gesprekken is overrompeld met vragen en gestresst was. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Tijdens het eerste gesprek heeft eiser in algemene zin aangegeven dat situaties voor hem stressvol kunnen zijn, maar heeft hij het daarover verder niet gehad en heeft hij gezegd dat hij tijdens het gesprek goed is behandeld. Verder ligt tussen het gestelde dienstverband en het eerste gesprek van 27 maart 2024 een periode van slechts enkele maanden. Het is dan ook niet aannemelijk dat eiser zich toen niet goed kon herinneren wat zijn eerste werkdag was, zeker niet als het zijn enige dienstverband in die periode was. Daarnaast heeft eiser bij het begin van het tweede gesprek meegedeeld dat voor hem duidelijk was wat het doel en de reden van dat gesprek was. De toen gestelde vragen kunnen daarom geen verrassing voor hem zijn geweest. Desondanks heeft hij toen volhard in de verklaring dat 1 november 2023 zijn eerste werkdag was. Ook heeft eiser aangegeven dat hij in staat was om het gesprek te voeren. Aan het eind van dat gesprek heeft hij meegedeeld dat hij het gesprek prima vond en dat hij tijdens het gesprek goed was behandeld. Gelet op het voorgaande heeft eiser geen aannemelijke verklaring voor de tegenstrijdigheden gegeven.
7.5.
Verder valt het de rechtbank op dat ook [naam] bij zijn eerste gesprek met het UWV van 1 mei 2024 stellig heeft verklaard dat eiser op woensdag 1 november 2023 met zijn werkzaamheden begonnen is, namelijk met de toevoeging ‘precies zoals in het contract’. Tijdens het gesprek van 16 juli 2024 is hij daarvan teruggekomen en heeft hij verklaard dat eiser in de laatste twee weken van oktober is begonnen met werken. Toen hem tijdens dat gesprek werd gevraagd waarom hij eerst anders heeft verklaard, kon hij dat niet uitleggen.
7.6.
Daarnaast heeft het UWV terecht naar voren gebracht dat eiser in de Wajong-procedure tot en met het hoger beroep steeds naar voren heeft gebracht dat hij geen arbeidsvermogen had. Volgens een verklaring van zijn vader heeft eiser nog nooit gewerkt en liep de minste opdracht uit op een fiasco. Deze procedure liep ook in november 2023. Het standpunt in die procedure gaat naar het oordeel van de rechtbank niet samen met het vervullen van een fulltime dienstverband als bedrijfsleider/commercieel medewerker. Hiervoor heeft eiser geen aannemelijke uitleg gegeven.
7.7.
Verder heeft eiser op 27 maart 2024 verklaard dat [naam] wist wat er bij hem speelde; op de zitting heeft hij uitgelegd dat [naam] op de hoogte was van zijn trauma’s uit het verleden. Dit roept de vraag op waarom [naam] zo’n groot risico heeft genomen door eiser tegen een hoog salaris voor een functie aan te nemen met aanzienlijke verantwoordelijkheden. Anderzijds is het opmerkelijk dat [naam] , nadat eiser volgens zijn verklaring op 10 november 2023 (weer) is begonnen met werken, eiser al op 17 november 2023 heeft ontslagen, terwijl de proeftijd tot 30 november 2023 liep. [naam] heeft op 1 mei 2024 verklaard dat eiser zich al een paar keer had verslapen en hij hem daarom meteen heeft ontslagen. Eiser heeft op de zitting echter verklaard dat binnen [naam] sprake was van een losse bedrijfscultuur waarin soepel met werknemers werd omgegaan. Verder heeft eiser verklaard dat [naam] hem als een zoon beschouwde en zelfs als zijn mogelijke opvolger als directeur zag. Daarom komt de vraag op waarom [naam] hem niet tot het einde van de proeftijd de kans heeft gegeven om zijn dienstverband te vervullen. Ook hiervoor is geen aannemelijke uitleg gegeven.
7.8.
Het UWV heeft dus aannemelijk gemaakt dat in november 2023 geen sprake was van een dienstverband. Eiser heeft vervolgens niet met tegenbewijs aannemelijk gemaakt dat wel sprake was van een dienstverband. Daarom stelt het UWV zich terecht op het standpunt dat eiser niet verzekerd was voor de ZW.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser met ingang van 1 december 2023 geen recht op een ZW-uitkering heeft. De terugvordering van de betaalde ZW-uitkering blijft daarom in stand. Het UWV moet vanwege de schending van de hoorplicht wel het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om die reden ook een vergoeding van zijn proceskosten, namelijk de kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.814 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 907). Het UWV moet die vergoeding betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, voorzitter, en mr. J. Lie en mr. M. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. A. Bijleveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Ziektewet.
2.Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
3.Zie Hoge Raad 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2306.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479.