Eiseres verzocht om herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2009 met het oog op compensatie in het kader van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen nam op 30 augustus 2022 vier primaire besluiten over deze jaren, waarop eiseres bezwaar maakte. De bezwaarschriftencommissie adviseerde gedeeltelijke gegrondverklaring van één bezwaar en ongegrondverklaring van de overige.
Het bestreden besluit van 19 december 2024 volgde dit advies en stelde een compensatiebedrag van €47.207,- vast. Eiseres was het hier niet mee eens en stelde beroep in. De rechtbank behandelde het beroep op 19 september 2025 en oordeelde dat toeslagjaar 2005 niet in deze procedure betrokken kon worden.
De rechtbank concludeerde dat voor 2006 geen sprake was van vooringenomenheid en dus geen compensatie nodig was. Voor 2008 werd vastgesteld dat over bepaalde maanden geen recht op toeslag bestond, waardoor compensatie voor die maanden niet toekwam. Voor 2009 was geen recht op toeslag omdat geen geregistreerde opvang werd genoten; de compensatie werd toegekend op grond van hardheid, wat de rechtbank rechtmatig vond. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.