Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
C/01/416683 / FT RK 25/379 (verzoek dwangregeling)
C/01/416684 / FT RK 25/380 (verzoek schuldsaneringsregeling)
1.Het procesverloop
,hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niemand ter zitting verschenen.
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 30 oktober 2025 het verzoek van verzoekster om Woningbelang te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Verzoekster had gelijktijdig een verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. De rechtbank oordeelde dat Woningbelang in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
De aangeboden schuldregeling voorzag in een uitkering van circa 8,1% van de vorderingen na 18 maanden, maar was onvoldoende onderbouwd. De berekening van het vrij te laten bedrag (VTLB) was onjuist, onder meer door onjuiste huurkosten en het niet meenemen van bijzondere bijstand. Tevens was er een bedrag op een beheerrekening dat niet in de regeling was betrokken. Daarnaast was de schuld ontstaan door het niet te goeder trouw zijn van verzoekster.
De rechtbank stelde dat de aangeboden regeling niet het maximaal haalbare was, mede in vergelijking met de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarin strengere verplichtingen en betere controle op aflossingscapaciteit gelden. Verzoekster werkte niet meer sinds mei 2025 en had pas recent sollicitaties verricht, terwijl het wettelijke traject een fulltime sollicitatieverplichting kent.
Gelet op deze omstandigheden wees de rechtbank het verzoek tot dwangregeling af. Verzoekster gaf aan haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te willen handhaven, waarover de rechtbank in een afzonderlijk vonnis zal beslissen.
Uitkomst: Het verzoek tot dwangregeling wordt afgewezen omdat het aanbod onvoldoende is onderbouwd en niet het maximaal haalbare betreft.