ECLI:NL:RBOBR:2025:7881

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
C/01/416683 / FT RK 25/379
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a lid 1 FwArt. 287a lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangregeling wegens onvoldoende en onbetrouwbare schuldregeling

De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 30 oktober 2025 het verzoek van verzoekster om Woningbelang te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Verzoekster had gelijktijdig een verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. De rechtbank oordeelde dat Woningbelang in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.

De aangeboden schuldregeling voorzag in een uitkering van circa 8,1% van de vorderingen na 18 maanden, maar was onvoldoende onderbouwd. De berekening van het vrij te laten bedrag (VTLB) was onjuist, onder meer door onjuiste huurkosten en het niet meenemen van bijzondere bijstand. Tevens was er een bedrag op een beheerrekening dat niet in de regeling was betrokken. Daarnaast was de schuld ontstaan door het niet te goeder trouw zijn van verzoekster.

De rechtbank stelde dat de aangeboden regeling niet het maximaal haalbare was, mede in vergelijking met de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarin strengere verplichtingen en betere controle op aflossingscapaciteit gelden. Verzoekster werkte niet meer sinds mei 2025 en had pas recent sollicitaties verricht, terwijl het wettelijke traject een fulltime sollicitatieverplichting kent.

Gelet op deze omstandigheden wees de rechtbank het verzoek tot dwangregeling af. Verzoekster gaf aan haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te willen handhaven, waarover de rechtbank in een afzonderlijk vonnis zal beslissen.

Uitkomst: Het verzoek tot dwangregeling wordt afgewezen omdat het aanbod onvoldoende is onderbouwd en niet het maximaal haalbare betreft.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
Zaaknummers /rekestnummers:
C/01/416683 / FT RK 25/379 (verzoek dwangregeling)
C/01/416684 / FT RK 25/380 (verzoek schuldsaneringsregeling)
Uitspraakdatum: 30 oktober 2025
Afwijzing verzoek dwangregeling
in de zaak van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,
woonadres: [woonplaats] , [adres] ,
tegen
WONINGBELANG,
gevestigd te Valkenswaard.

1.Het procesverloop

1.1.
Namens [verzoekster] is op 20 juni 2025, tegelijk met het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, een verzoek dwangregeling ingediend als bedoeld in artikel 287a lid 1 Faillissementswet (Fw). [verzoekster] verzoekt om Woningbelang, die een aangeboden schuldregeling weigert, te bevelen hiermee in te stemmen. De verzoekschriften zijn aangevuld bij e-mails van 15 oktober 2025 en 21 oktober 2025.
1.2.
Namens Woningbelang is bij e-mailbericht van 15 oktober 2025 een verweerschrift ingediend en is aangekondigd dat zij niet ter zitting zullen verschijnen.
1.3.
Het verzoek is op 23 oktober 2025 ter zitting behandeld. Daar is [verzoekster] verschenen, bijgestaan door [naam schulddienstverlener] , werkzaam bij Verder Financiële Zorgverlening B.V. (hierna: Verder), en door [naam beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder werkzaak bij [naam maatschap] . Zoals aangekondigd is namens Woningbelang
,hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niemand ter zitting verschenen.
1.4.
De rechtbank heeft bij het sluiten van de behandeling bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
Namens [verzoekster] is bij brieven van 5 februari 2025 door Verder aan in totaal 4 concurrente schuldeisers de volgende schuldregeling aangeboden. Gedurende 18 maanden worden de inkomsten boven het VTLB van € 1.767,49 gespaard. In de maand 6, 12 en 18 wordt het VTLB opnieuw berekend en wordt gecontroleerd of er voldoende is gereserveerd. In maand 19 wordt uitbetaald. De verwachting is dat 8,1% van de vorderingen kan worden gereserveerd, maar het gespaarde bedrag kan lager of hoger uitvallen. Er is nu geen afloscapaciteit, maar die wordt gedurende de looptijd wel verwacht.
2.2.
[verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat Woningbelang in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. Daartoe heeft [verzoekster] aangevoerd dat met uitzondering van Woningbelang de overige schuldeisers, die ongeveer 90% van de totale schuldenlast van € 31.956,84 vertegenwoordigen, akkoord zijn gegaan met voormelde schuldregeling.
2.3.
Namens Woningbelang is bij e-mail van 15 oktober 2025 kort gezegd het navolgende verweer gevoerd. Woningbelang heeft in redelijkheid tot weigering van de aangeboden schuldregeling kunnen komen. De aangeboden schuldenregeling is niet het uiterste waartoe [verzoekster] in staat moet worden geacht. De overgelegde berekening van het VTLB is niet gebaseerd op de actuele situatie en op het punt van de huur onjuist. Volgens het budgetplan worden er aanzienlijke gelden gereserveerd voor luxe posten als ‘extra ontspanning’, ‘extra kleding’ en ‘vrij opneembaar’ en voor reisgeld terwijl [verzoekster] niet meer werkt. Daarbij staat er een bedrag van € 11.571,52 op de beheerrekening, dat niet in het aanbod is betrokken. Bovendien is de vordering op [verzoekster] ontstaan als gevolg van het feit dat [verzoekster] een hennepkwekerij in het gehuurde heeft gehad. [verzoekster] is dus met betrekking tot het ontstaan van de vordering van Woningbelang niet te goeder trouw geweest.

3.De beoordeling

Het verzoek dwangregeling
3.1
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw moet het verzoek om de weigerachtige schuldeiser te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling worden toegewezen, indien deze in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen enerzijds het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
3.2
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering, eventueel vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Omdat de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vorderingen van verwerende partijen, staat hun belang bij weigering van instemming met de schuldregeling vast. Daar staat tegenover dat [verzoekster] er belang bij heeft dat haar schulden worden gesaneerd. Wanneer de voorgestelde schuldregeling niet tot stand komt, is zij aangewezen op de wettelijke schuldsaneringsregeling, indien zij daarin wordt toegelaten.
3.3
De rechtbank is van oordeel dat Woningbelang in redelijkheid de aangeboden schuldregeling heeft kunnen weigeren.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbod niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd.
3.4.1
Aangeboden is een schuldregeling waarbij de schuldeisers na 18 maanden naar verwachting 8,1% van hun vordering zullen ontvangen. Het percentage kan lager of hoger uitvallen, afhankelijk van de afloscapaciteit tijdens de looptijd van de schuldregeling. Aan de schuldeisers is niet duidelijk gemaakt waar het percentage van 8,1% op gebaseerd is. Eerst ter zitting is gesteld (maar niet onderbouwd) dat het hier zou gaan om een eenmalige inleg van € 2.588,66, welk bedrag zou zijn gebaseerd op het aanwezige spaargeld per 3 december 2024 van rond de € 5.000,- minus het vrij te laten bedrag van een maand.
3.4.2.
Verder is aan de schuldeisers bij de brief van 5 februari 2025 houdende het aanbod medegedeeld dat er, zoals blijkt uit de bijgevoegde berekening van het vrij te laten bedrag, geen afloscapaciteit is. De berekening is echter onjuist. Er is ten onrechte gerekend met een bedrag aan huur, terwijl er in feite kostgeld wordt betaald. De kosten voor voeding en overige voorzieningen hadden uit de berekening moeten worden gehaald. Ook zijn kosten voor het beschermingsbewind opgevoerd, terwijl [verzoekster] hier blijkens haar budgetplan bijzondere bijstand voor ontvangt. Als de berekening correct zou zijn uitgevoerd, zou er – in tegenstelling tot wat er aan de schuldeisers is medegedeeld – aflossingscapaciteit zijn geweest. Bij e-mail van 21 oktober 2025 is er een nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag toegestuurd, maar ook in deze berekening wordt er all-in kostgeld opgevoerd en wordt er niet conform het VTLB-rapport van Bureau WSNP gecorrigeerd voor kosten voor voeding en overige voorzieningen.
3.4.3.
Er is ook een vergelijking overgelegd van de berekening van het saldo dat in de schuldregeling en het saldo dat in het wettelijke schuldsaneringstraject kan worden uitgekeerd, waarbij de boedelopbrengst in beide regelingen nihil is. Uitgaande van het aanbod zou de boedelopbrengst in de aangeboden schuldregeling toch ten minste € 2.588,66 moeten zijn.
3.5
Daarnaast is de aangeboden schuldregeling naar het oordeel van de rechtbank niet het maximaal haalbare, mede in vergelijking met het bedrag dat in de wettelijke schuldsaneringsregeling vergaard zou kunnen worden.
De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat [verzoekster] in de wettelijke schuldregeling meer op haar schulden zal kunnen aflossen dan in de aangeboden schuldregeling. [verzoekster] heeft tot mei 2025 30 uur per week gewerkt. Sinds mei 2025 werkt [verzoekster] niet. In de maand september 2025 heeft zij viermaal gesolliciteerd, voor die tijd heeft zij niet gesolliciteerd. In het wettelijke traject zal [verzoekster] worden verplicht naar fulltime werk te solliciteren, zodat de kans op een fulltime baan zal toenemen, evenals de afloscapaciteit. Tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling worden aan een schuldenaar strenge eisen gesteld ter zake van de uit deze regeling (onder meer) voortvloeiende sollicitatieverplichting, informatieverplichting en afdrachtverplichting. Deze verplichtingen zijn bovendien duidelijk omschreven. Zo zal schuldenaar de bewindvoerder iedere maand vier schriftelijke sollicitatiebewijzen naar (in beginsel) fulltime functies moeten overleggen. De nakoming van voormelde verplichtingen wordt door de bewindvoerder gecontroleerd, die de wettelijk aan hem toebedeelde taak onder toezicht van de rechter-commissaris uitvoert. Aan het niet-nakomen van de verplichtingen worden ook daadwerkelijk direct consequenties verbonden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank de indruk gekregen dat er tijdens de aangeboden schuldregeling minder streng op het naleven van deze verplichtingen zal worden toegezien.
3.6
De rechtbank komt tot de slotsom dat het verzoek dwangregeling zal worden afgewezen.
3.7
[verzoekster] heeft op de zitting verklaard bij een eventuele afwijzing van het verzoek dwangregeling haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te willen handhaven. De rechtbank zal in een afzonderlijk vonnis op dat verzoek beslissen.

4.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek dwangregeling af.
Dit vonnis is gewezen door S.C.E.F. Moulen Janssen, rechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 30 oktober 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.