ECLI:NL:RBOBR:2025:7903

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
82.016463.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie met oogmerk tot het plegen van misdrijven

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk tot het plegen van misdrijven. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaar, en een taakstraf van 140 uren, met aftrek van het voorarrest. De zaak is aanhangig gemaakt op basis van een dagvaarding van 21 februari 2024, en de tenlastelegging omvatte onder andere het opmaken en gebruiken van valse geschriften, het innemen en verwerken van niet vergunde afvalstoffen, en het manipuleren van overzichten van dierlijke meststoffen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie die zich bezighield met deze strafbare feiten in de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 maart 2022. De rechtbank heeft de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte in acht genomen en geoordeeld dat deze afspraken recht doen aan de ernst van de feiten. De rechtbank heeft ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meegewogen in haar beslissing. De uitspraak is gedaan na meerdere zittingen, waarbij de verdachte steeds bijgestaan is door zijn raadsman.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.016463.22
Datum uitspraak: 4 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1966] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 mei 2024, 23 september 2024, 6 februari 2025, 6 oktober 2025 en 20 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 februari 2024.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 6 februari 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 maart 2022 te Esbeek, in elk geval in Nederland, en/of België, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van één of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, waaronder: [persoon 1] , en/of [bedrijf 1] , en/of [bedrijf 2] , en/of [bedrijf 3] , en/of [bedrijf 4] , en/of [bedrijf 5] , en/of [bedrijf 6] , en/of [bedrijf 7] , en/of [bedrijf 8] , en/of [persoon 2] , en/of [persoon 3] , en/of [verdachte] , in elk geval van één of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:
- opmaken van valse geschriften en/of het gebruikmaken van valse geschriften (artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht), en/of,
- in strijd met de vergunning innemen en verwerken van (niet vergunde) afvalstoffen in de co-vergistingsinstallatie(s) (artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), en/of,
- het manipuleren van de overzichten en/of het niet (juist) kunnen verantwoorden (als producent en/of handelaar) dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd (artikel 14 Meststoffenwet), en/of
- het vervoeren van dierlijke bijproducten en/of afgeleide producten zonder dat zij zijn vergezeld met een juist ingevuld handelsdocument (artikel 21, lid 2, Verordening (EG) nr. 1069/2009),

in elk geval tot het plegen van misdrijven.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Het Openbaar Ministerie en verdachte hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst, die door verdachte, zijn raadsman en door de officier van justitie is ondertekend op 19 maart 2025. Deze overeenkomst bevindt zich in het dossier.

De beoordeling van de overeenkomst.

Inhoud afspraken
De procesafspraken houden – zakelijk weergegeven – het volgende in.
De officier van justitie zal:
  • de rechtbank vorderen tot wijziging van de tenlastelegging, hetgeen reeds heeft plaatsgevonden tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 6 februari 2025;
  • rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de tenlastegelegde feiten;
  • een (geheel) voorwaardelijke gevangenisstraf eisen voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest.
De verdachte zal:
  • geen (inhoudelijke) verweren voeren, geen onderzoekswensen indienen en hij heeft het recht om geen (nadere) verklaring af te leggen;
  • zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • afstand doen van de mogelijkheid tot het doen van een verzoek c.q. het vorderen van een schadevergoeding of vergoeding van de kosten in de zin van de artikelen 529, 530, 533 en 6:6:26 Sv.
De rechtbank kan alleen acht slaan op deze procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat doorgaans, ook in deze strafzaak, in procesafspraken wordt opgenomen dat verdachte afziet van het uitoefenen van bepaalde verdedigingsrechten.
De rechtbank is bij haar beoordeling van het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
De rechtbank constateert dat de gemaakte afspraken er blijk van geven dat partijen ervan doordrongen zijn dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging. Ook wordt tot uitdrukking gebracht dat partijen onderkennen dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken en het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel is bijgestaan door zijn raadsman.
Verdachte is bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 6 oktober 2025 verschenen en is ook daar bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling de procesafspraken, het afdoeningsvoorstel en de consequenties daarvan met de verdachte besproken. De verdachte ter terechtzitting nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen; alvorens de overeenkomst tot stand is gekomen heeft verdachte daarover meermaals met zijn raadsman gesproken.
De rechtbank constateert dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de voorgestelde afdoening en daarmee afstand te doen van bepaalde verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet daarnaast geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces.
Dat betekent dat de rechtbank acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.

Het bewijs.

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden.
De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 maart 2022 te Esbeek, en België, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, waaronder: [persoon 1] , en [bedrijf 1] , en [bedrijf 2] , en [bedrijf 3] , en [bedrijf 4] , en [bedrijf 5] , en [bedrijf 6] , en [bedrijf 7] , en [bedrijf 8] , en [persoon 2] , en [persoon 3] , en [verdachte] , welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:
- opmaken van valse geschriften en/of het gebruikmaken van valse geschriften (artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht), en
- in strijd met de vergunning innemen en verwerken van (niet vergunde) afvalstoffen in de co-vergistingsinstallatie(s) (artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), en
- het manipuleren van de overzichten en/of het niet (juist) kunnen verantwoorden (als producent en handelaar) dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd (artikel 14 Meststoffenwet), en
- het vervoeren van dierlijke bijproducten en afgeleide producten zonder dat zij zijn vergezeld van een juist ingevuld handelsdocument (artikel 21, lid 2, Verordening (EG) nr. 1069/2009),

in elk geval tot het plegen van misdrijven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, zoals tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie is overeengekomen, gevorderd de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, te vervangen door 70 dagen hechtenis en met aftrek van het voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het handelen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank structurele en wijdverbreide fraude waarbij is gehandeld met winstbejag als enig oogmerk. Door het handelen van verdachte is niet te bepalen schade aan het milieu aangericht en is de volksgezondheid in gevaar gebracht. De fraude is gepleegd in een kwetsbare keten waarbij een groot vertrouwen uitgaat van de controles door de NVWA, maar is er ook groot vertrouwen gesteld in de betrokken spelers. Verdachte heeft samen met diens medeverdachten in georganiseerd verband in de gehele mestbranche fraude gepleegd. Door het handelen van verdachte is dit vertrouwen beschaamd. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door de verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook betrokken: het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor min of meer vergelijkbare feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een taakstraf van in totaal 140 uur en een straf die een voorwaardelijke vrijheidsbeneming omvat. De rechtbank is verder van oordeel dat de voorgestelde afdoening recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. Van de voorgestelde afdoening kan niet worden gezegd dat deze niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank komt tot de slotsom dat zij een straf zal opleggen die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op het volgende
misdrijf:
het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straffen:
* een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 jaar;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van
een proeftijd van
3 jaaréén of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* een taakstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde taakstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 4 december 2025.