ECLI:NL:RBOBR:2025:7905
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.J.J. van de Wetering
- H. Slaar
- N.E.M. Keereweer
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van meer dan één miljoen euro
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €1.248.083. De procedure vond plaats over meerdere zittingen tussen mei 2024 en november 2025, waarbij procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde een belangrijke rol speelden.
De officier van justitie had aanvankelijk een lager bedrag gevorderd, maar dit werd tijdens de zitting van 6 oktober 2025 aangepast naar de huidige hogere bedragen conform de gemaakte procesafspraken. De veroordeelde heeft vrijwillig ingestemd met deze afspraken en geen verweer gevoerd tegen de vordering.
De rechtbank heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als gegrond beoordeeld en de betalingsverplichting vastgesteld op €1.050.000, waarbij de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is gesteld. Tevens is bepaald dat de betalingsverplichting komt te vervallen indien medeveroordeelden aan hun verplichtingen voldoen. De duur van de gijzeling is vastgesteld op maximaal 1080 dagen.
De veroordeling van de veroordeelde omvatte ook een voorwaardelijke gevangenisstraf, taakstraf en geldboete voor medeplegen van valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank heeft expliciet getoetst of de veroordeelde de procesafspraken vrijwillig en met voldoende kennis heeft gemaakt, wat werd bevestigd.
De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en voldoet aan de vereisten van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name artikel 6.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €1.050.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en hoofdelijk aansprakelijk gesteld.