ECLI:NL:RBOBR:2025:7906

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
82.306525.22 ontneming
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie met ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die betrokken was bij een criminele organisatie. De rechtbank heeft de veroordeelde een geldboete opgelegd van € 100.000, waarvan € 35.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De zaak is behandeld op meerdere zittingen, waarbij de vordering van de officier van justitie op 21 februari 2024 is ingediend. De officier heeft aanvankelijk een bedrag van € 544.284,- gevorderd, maar dit bedrag is later aangepast naar € 1.248.083,-, met een verplichting tot betaling van € 1.050.000,- aan de Staat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de procesafspraken tussen de veroordeelde en het Openbaar Ministerie op 19 maart 2025 zijn gemaakt, waarbij de veroordeelde bijgestaan werd door een raadsman. De rechtbank heeft de vordering tijdig geacht en de procesafspraken als geldig beoordeeld. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is voor de betalingsverplichting en dat de verplichting tot betaling vervalt indien een van de medeveroordeelden aan zijn verplichtingen voldoet. De uitspraak is gedaan op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel regelt.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 82.306525.22
Datum uitspraak: 4 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] ,
hierna: veroordeelde.

De procedure.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 30 mei 2024, 23 september 2024, 6 februari 2025, 6 oktober 2025 en 20 november 2025. De behandeling van de vordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde eveneens met parketnummer 82.306525.22.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de veroordeelde en haar raadsman naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij vordering van 21 februari 2024 de rechtbank gevorderd om het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat vast te stellen op een bedrag van € 544.284,- en de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat geldbedrag.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 6 oktober 2025 de vordering aangepast, in die zin dat overeenkomstig de gemaakt procesafspraken wordt gevorderd het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 1.248.083,- en de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van € 1.050.000,- en veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk te stellen ten aanzien van de betalingsverplichting.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de ontnemingszaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.

Procesafspraken.

De overeenkomst procesafspraken.
Op 19 maart 2025 is tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de inhoudelijke strafzaak en de ontnemingszaak van veroordeelde. Veroordeelde is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door diens raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken. De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang in dat het Openbaar Ministerie ter terechtzitting zal rekwireren tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.248.083,- en tot oplegging van een betalingsverplichting tot een bedrag van € 1.050.000,-. Veroordeelde is hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betalingsverplichting. Veroordeelde zal ten aanzien van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoofdelijke betalingsverplichting geen verweer voeren.

De veroordeling.

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 4 december 2025, waarbij rekening is gehouden met procesafspraken, veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,-, waarvan €35.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze veroordeling is uitgesproken voor het strafbare feit:
deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
De beoordeling van de vordering en het afdoeningsvoorstel met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e Sr. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld voor een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat feit er op enige manier voor heeft gezorgd dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad geschetste kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
Daarnaast zijn tijdens de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak op de terechtzitting van 6 oktober 2025 de hiervoor weergegeven procesafspraken uitgebreid en indringend met de vertegenwoordiger van de veroordeelde rechtspersoon besproken in aanwezigheid van diens raadsman. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of veroordeelde vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn ontnemingszaak zouden hebben. De vertegenwoordiger van de veroordeelde rechtspersoon heeft verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de vertegenwoordiger van de veroordeelde rechtspersoon vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat hij zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarnaast is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt.
De rechtbank slaat acht op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals opgenomen in bijlage 5 behorende bij de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en veroordeelde met betrekking tot het afdoeningsvoorstel. Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening gegrond op dat het bewezenverklaarde feit, het op basis van dat feit verkregen voordeel en weerspiegelt dit het aandeel van de veroordeelde daarin. De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 1.248.083,-.
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.
De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde, overeenkomstig de procesafspraken, de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.050.000,-. De rechtbank stelt veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betalingsverplichting.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.248.083, (eenmiljoentweehonderdachtenveertigduizenddrieëntachtig euro);
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.050.000,00 (voluit eenmiljoenvijftigduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen;
stelt [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betalingsverplichting;
bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen als en voor zover een van de medeveroordeelden, te weten [persoon] , [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 4 december 2025.