ECLI:NL:RBOBR:2025:8058

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SHE 25/2708 GEHEIMHOUDINGSBESLISSING
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geheimhoudingsbeslissing inzake aanvraag exploitatievergunning en voorlopige voorziening

Op 10 november 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een geheimhoudingsbeslissing genomen in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening van een verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een exploitatievergunning door de burgemeester van de gemeente Maashorst. De burgemeester had op 6 oktober 2025 de aanvraag afgewezen en daarbij stukken overgelegd die onderhevig zijn aan geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze stukken bevatten gevoelige informatie die herleidbaar is tot bepaalde personen en van belang kan zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

De geheimhoudingskamer heeft de mededeling van beperkte kennisname van de burgemeester beoordeeld en geconcludeerd dat de belangen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de opsporing zwaarder wegen dan het belang van verzoekster bij kennisname van de stukken. De burgemeester had in zijn toelichting aangegeven dat het informatierapport van de politie vertrouwelijke informatie bevatte die niet openbaar gemaakt kon worden. Verzoekster was het hier niet mee eens en stelde dat zij niet effectief kon reageren zonder kennis te nemen van de inhoud van het rapport.

De rechtbank heeft uiteindelijk besloten dat de mededeling van beperkte kennisname gerechtvaardigd is en heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld om te reageren op de beperking van de kennisname. De beslissing is genomen door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.B.M. Spapens, griffier. Tegen deze beslissing staat geen zelfstandig hoger beroep open, maar kan wel hoger beroep worden ingesteld tegen de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2708 GEHEIMHOUDINGSBESLISSING
beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer, hierna aangeduid als: geheimhoudingskamer, van
10 november 2025 in het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: [naam]),
en

de burgemeester van de gemeente Maashorst, de burgemeester

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

1. De burgemeester heeft bij besluit van 6 oktober 2025 de aanvraag om een exploitatievergunning afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend dat staat geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/2708.
1.1.
De burgemeester heeft bij brief van 31 oktober 2025 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en in een aparte envelop twee stukken overgelegd met een verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten:
  • Een uittreksel justitiële documentatie van 17 juli 2025;
  • Een informatierapport van de politie van 6 oktober 2025.
1.2.
Op verzoek van de geheimhoudingskamer heeft de burgemeester bij brief van 5 november 2025 het beroep op artikel 8:29 van de Awb toegelicht en een mededeling van beperkte kennisname gedaan ten aanzien van het informatierapport van de politie van 6 oktober 2025. Verzoekster heeft hierop (met een ongedateerde brief) gereageerd.

Overwegingen

Beoordelingskader
2. De geheimhoudingskamer moet de mededeling van beperkte kennisname als volgt beoordelen.
2.1.
Het uitgangspunt is dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan verzoekster en aan de voorzieningenrechter moeten worden overgelegd. [1] De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken brengt echter niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Als daarvoor gewichtige redenen zijn mogen partijen het overleggen van stukken weigeren (geheimhouding) of mede te delen dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). [2]
2.2.
Bij het geheimhouden of beperkt kennisnemen van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts als de door de burgemeester voor geheimhouding of beperkte kennisneming aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van verzoekster bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding of beperkte kennisneming rechtvaardigen. Daarnaast gaat het bij de beslissing op een mededeling van beperkte kennisneming niet om de vraag of het stuk openbaar moet worden, maar om de vraag of er gewichtige redenen bestaan die zich tegen kennisneming van het stuk door alle partijen in het geding verzetten. [3]
Ten aanzien van het uittreksel justitiële documentatie van 17 juli 2025
3. De burgemeester heeft in de toelichting van 5 november 2025 aangegeven dat zijn mededeling van beperkte kennisneming niet geldt ten aanzien van dit stuk. De geheimhoudingskamer zal daarom dan ook geen beslissing (meer) nemen of beperkte kennisname daarvan gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft dit stuk inmiddels als een op de zaak betrekking hebbend stuk aan verzoekster doorgezonden.
Ten aanzien van het informatierapport van de politie van 6 oktober 2025
4. De burgemeester heeft de rechtbank wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de voorzieningenrechter van dit stuk kennis zal nemen. De geheimhoudingskamer heeft kennisgenomen van het door de burgemeester overgelegde informatierapport van de politie en overweegt als volgt.
4.1.
De burgemeester stelt dat het document is gedeeld vanuit de politie, dat de inhoud confidentieel is en het stuk zich niet leent voor enige vorm van openbaarmaking op grond van het feit dat het stuk bestemd is voor intern beraad binnen overheidsorganen belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het stuk heeft betrekking op de mogelijke beperkingen en organisatorische opzet van een bepaalde methode van opsporen van strafbare feiten door de politie met betrekking tot de leidinggevende van verzoekster, [naam] en geeft een context van verschillende feiten en omstandigheden en de betrokkenheid van [naam], aldus de burgemeester.
4.2.
Verzoekster is het niet met de burgemeester eens. Zij vindt de door de burgemeester gegeven motivering vaag en algemeen is. Verder wijst zij erop dat het rapport is opgesteld nadat het bestreden besluit is genomen wat de vraag oproept hoe dit rapport dat besluit kan dragen. Tot slot stelt verzoekster dat effectieve tegenspraak van de standpunten van de burgemeester onmogelijk is zonder op zijn minst gedeeltelijk van het stuk kennis te kunnen nemen.
4.3.
De geheimhoudingskamer stelt vast dat het informatierapport van de politie van 6 oktober 2025 gegevens bevatten die herleidbaar zijn tot bepaalde personen, alsmede gegevens die van belang kunnen zijn voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De geheimhoudingskamer kan dat volgen. Ondanks dat de namen van deze personen niet in het rapport zijn opgenomen, bevat het rapport voldoende overige gegevens waardoor het aannemelijk is dat (de leidinggevende van) verzoekster kan herleiden om welke personen het gaat. Verstrekking van deze gegevens aan verzoekster zou het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen en het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten kunnen schaden. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer wegen deze belangen zwaarder dan het belang dat verzoekster kennis neemt van het stuk. Weliswaar bevat het stuk ook meer algemene gegevens over [naam], waarvan op zichzelf beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is, maar het betreft hier gegevens die ook blijken uit het in de bodemprocedure aan de orde zijnde besluit dan wel het verweerschrift van de burgemeester. Verzoekster heeft hiervan al kennis kunnen nemen. Onder deze omstandigheden ziet de geheimhoudingskamer in dit geval onvoldoende aanleiding om de beperking van de kennisneming van dit stuk te beperken tot bepaalde passages. [4]
4.4.
De geheimhoudingskamer acht de mededeling van beperkte kennisneming gerechtvaardigd ten aanzien van het informatierapport van de politie van 6 oktober 2025.
4.5.
Omdat wordt bepaald dat de mededeling van de burgemeester gerechtvaardigd is, zal verzoekster worden gevraagd of zij toestemming geeft dat de voorzieningenrechter uitspraak doet mede op grondslag van het stuk waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht. [5] Doorgaans wordt hiervoor een termijn van twee weken gesteld. [6] Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening morgen (11 november 2025) op zitting zal worden behandeld en verzoekster al (schriftelijk) een standpunt heeft ingenomen over de beperkte kennisname, zal de geheimhoudingskamer bepalen dat verzoekster uiterlijk op de zitting van de voorzieningenrechter moet mededelen of zij ermee instemt dat de voorzieningenrechter kennisneemt van het informatierapport van 6 oktober 2025. De voorzieningenrechter kan hiervoor zo nodig een nadere termijn stellen.
4.6.
Als verzoekster niet instemt met de beperkte kennisname door de voorzieningenrechter, kan de voorzieningenrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.

Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • bepaalt dat de door de burgemeester meegedeelde beperking van de kennisneming van het informatierapport van de politie van 6 oktober 2025 gerechtvaardigd is;
  • stelt verzoekster in de gelegenheid om uiterlijk op de zitting van de voorzieningenrechter van 11 november 2025 dan wel een door de voorzieningenrechter te stellen nadere termijn mee te delen of zij toestemming geeft dat de voorzieningenrechter uitspraak doet mede op grondslag van het stuk waarvan beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht.
Deze beslissing is op 10 november 2025 genomen door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.B.M. Spapens, griffier.
De rechter is niet in staat om
deze beslissing te ondertekenen.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze beslissing staat geen zelfstandig hoger beroep open. Hoger beroep kan worden ingesteld tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak, maar alleen voor zover hoger beroep tegen de einduitspraak mogelijk is.

Voetnoten

1.Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.
2.Artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367.
4.Vgl. ABRvS 25 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:604.
5.Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
6.Artikel 2.8, elfde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.