ECLI:NL:RBOBR:2025:8061

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
01/224688-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belaging en strafoplegging in strafzaak tegen verdachte

In deze strafzaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 10 december 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan belaging zoals bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van negen maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vrouw en haar moeder, door in de periode van 17 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025 veelvuldig berichten te sturen, die zowel vriendelijk als dreigend van aard waren. De rechtbank oordeelt dat de gedragingen van de verdachte stelselmatig en wederrechtelijk waren, en dat deze een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers vormden. De rechtbank heeft ook een maatregel opgelegd op basis van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, die inhoudt dat de verdachte zich gedurende vijf jaren moet onthouden van contact met de slachtoffers en zich niet mag bevinden in bepaalde gebieden. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1], tot schadevergoeding toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot betaling van € 1.393,62, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis opgeheven en de verdachte onderworpen aan bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een alcoholverbod. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de psychische toestand van de verdachte en de impact van zijn gedrag op de slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummers: 01.224688.25 en 01.059976.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen: 01.263014.22 en 20.002315.22
Datum uitspraak: 10 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1970] ,
wonende te [adres 1] ,
momenteel gedetineerd in de P.I. Vught.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2024 en 26 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte) naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 14 mei 2024 (01.059976.24) en 24 oktober 2025 (01.224688.25). Nadat de tenlasteleggingen laatstelijk op de terechtzitting van 26 november 2025 zijn gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven:
Ten aanzien van 01-224688-25:
- belaging, in of omstreeks de periode van 17 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025 te Helmond en/of Berkel-Enschot, althans in Nederland.
Ten aanzien van 01.059976.24:
- belaging, in de periode van 8 november 2023 tot en met 25 januari 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans in Nederland.
De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis.

De vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01.263014.22 is aangebracht bij vordering van 28 maart 2024. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 19 juni 2023.
De zaak met parketnummer 20.002315.22 is aangebracht bij vordering van 18 november 2025. Deze vordering heeft betrekking op het arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 mei 2023.
Een kopie van de vorderingen is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft – op de gronden als verwoord in (de aantekeningen ten behoeve van) het requisitoir – gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de in beide zaken ten laste gelegde belagingen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 01.059976.24 ten laste gelegde belaging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor wat betreft het verwijt dat in de zaak met parketnummer 01.224688.25 wordt gemaakt is integrale vrijspraak bepleit.
De raadsman heeft zich – kernachtig weergegeven – onder meer op het standpunt gesteld dat verdachte, indachtig de ‘grondslagleer’, (partieel) dient te worden vrijgesproken van de belaging van mevrouw [moeder van slachtoffer 1] , nu op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld wat de woonplaats van mevrouw [moeder van slachtoffer 1] is, verdachte niet in Helmond woont en dus niet kan worden bewezen dat het feit gepleegd is in Helmond.
Daarnaast kan het merendeel van de door verdachte aan mevrouw [moeder van slachtoffer 1] verstuurde (vriendelijk van aard zijnde) berichten niet als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht worden beschouwd, omdat het opzet op dat feit ontbreekt. Dat brengt naar de zienswijze van de raadsman met zich dat evenmin sprake is van het in voornoemd artikel vervatte vereiste van stelselmatigheid – mede omdat mevrouw [moeder van slachtoffer 1] het telefoonnummer van verdachte gewoonweg kon blokkeren. Net zomin kunnen de genoemde berichten als belaging van mevrouw [slachtoffer 1] worden aangemerkt, nu verdachte geen direct contact met haar heeft gehad. De betreffende berichten waren uitsluitend voor mevrouw [moeder van slachtoffer 1] bedoeld. Zodoende is door verdachte niet gehandeld met het vereiste oogmerk.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
Gezien de bekennende verklaring van verdachte en het standpunt van zijn raadsman volstaat de rechtbank in de zaak met parketnummer 01.059976.24 met een opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:
  • de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 november 2025;
  • een proces-verbaal van aangifte van 6 december 2023, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] , pag. 6-9, 11-13;
  • een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 18 januari 2024, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] , pag. 18-21;
  • een proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2024, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] , pag. 23;
  • een proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2024, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 3] , pag. 25;
  • een proces-verbaal van bevindingen, met proces-verbaalnummer: PL2100-2023263085-23, afgesloten op 18 november 2025, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 4] , pag. 1.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 01.224688.25 gemaakte verwijt overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in de periode van 17 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025 veelvuldig berichten heeft gestuurd aan mevrouw [moeder van slachtoffer 1] , zijnde de moeder van zijn ex-vrouw: mevrouw [slachtoffer 1] . Ook de aard, in het bijzonder de inhoud van de in het procesdossier vervatte berichten zijn door verdachte, noch zijn raadsman betwist of anderszins ter discussie gesteld.
Het belangrijkste twistpunt in deze zaak is de vraag of de gedraging(en) van verdachte (juridisch) kan, dan wel kunnen, worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht – zowel in de richting van mevrouw [moeder van slachtoffer 1] als mevrouw [slachtoffer 1] . In dat verband zal de rechtbank in het bijzonder ingaan op de door de raadsman gevoerde en hiervoor genoemde verweren. Vanwege de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage (Bijlage II) die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Juridisch kader
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Door het samenstel van deze factoren zijn er geen minimale grenzen aan te geven – zo volgt uit bestendige jurisprudentie. Ten overvloede: ten aanzien van de in de delictsomschrijving opgenomen bestanddelen, in het bijzonder de wederrechtelijkheid en het stelselmatig karakter, is geen opzet vereist. Daarbij komt dat het in de delictsomschrijving opgenomen opzet kleurloos is.
Beoordeling
Anders dan de raadsman van verdachte is de rechtbank – mede gegeven het voornoemde juridisch kader – van oordeel dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van mevrouw [moeder van slachtoffer 1] door haar in de periode van 17 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025, telkens kort na elkaar en soms op oneigenlijke tijdstippen, veelvuldig berichten te sturen. De berichten veranderden soms in enkele minuten van toon; van een vriendelijk bericht waarbij verdachte aangeeft van zijn ex-vrouw te houden of haar te missen, tot een meer dreigend bericht slechts vijf minuten later: ‘ [slachtoffer 1] komt mij tegen’ of ‘iedereen mag vandaag nog afbranden’. Bij de beoordeling of van stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer sprake is, geldt niet dat vriendelijke berichten buiten beschouwing dienen te blijven. Het gaat om het totaalbeeld dat uit de verschillende door verdachte verstuurde berichten naar voren komt. Het in dat verband door de raadsman gevoerde verweer – te weten dat de ‘onvriendelijke’ berichten in aantal beperkt waren en het stelselmatige karakter daarom ontbreekt – wordt zodoende door de rechtbank verworpen. Daarbij is het vereiste opzet voor een bewezenverklaring van, kort gezegd, belaging – als gezegd – ‘kleurloos’. Dat betekent dat niet hoeft te worden vastgesteld dat verdachte wist of had moeten weten dat mevrouw [moeder van slachtoffer 1] de gedragingen van verdachte als onrechtmatig heeft ervaren. Dat verdachte – naar eigen zeggen – alleen maar heeft bedoeld het contact met mevrouw [moeder van slachtoffer 1] te herstellen is dan ook niet relevant voor de beoordeling.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank ten aanzien van de belaging van mevrouw [slachtoffer 1] tot een gelijkluidend oordeel komt. Hoewel verdachte de betreffende berichten enkel naar mevrouw [moeder van slachtoffer 1] heeft verstuurd, had de inhoud van die berichten veelal betrekking op mevrouw [slachtoffer 1] . Daarbij komt dat mevrouw [moeder van slachtoffer 1] de moeder is van mevrouw [slachtoffer 1] , hetgeen verdachte – gelet op zijn eerder jarenlange relatie (en huwelijk) met mevrouw [slachtoffer 1] – wist. Het was naar het oordeel van de rechtbank dan ook te verwachten (ook voor verdachte) dat mevrouw [slachtoffer 1] de door verdachte aan mevrouw [moeder van slachtoffer 1] verstuurde berichten onder ogen zou krijgen was.
In dat licht is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk mevrouw [moeder van slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden. Met andere woorden: verdachte heeft door zijn handelen aangevers gedwongen stelselmatig contact met hem te dulden – al dan niet indirect.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de betreffende berichten, zo blijkt uit de door mevrouw [slachtoffer 1] gedane aangifte, impact hebben gehad op haar persoonlijke levenssfeer en bij haar in het bijzonder hebben geleid tot angst. Enkele door verdachte verstuurde berichten zijn immers mogelijk dreigend van aard – ofwel impliciet, ofwel expliciet. Vooral het bericht ' [slachtoffer 1] komt mij tegen' springt daarbij in het oog. Daar komt bij dat deze zaak niet op zichzelf staat; verdachte heeft zich– zo volgt uit het procesdossier – eerder richting mevrouw [slachtoffer 1] schuldig gemaakt aan diverse vormen van belaging. De rechtbank beziet de huidige verdenking dan ook binnen die context. Door onder deze omstandigheid zodanig te handelen, en dergelijke (deels) hiervoor genoemde bewoordingen te bezigen in de door hem verstuurde berichten, heeft verdachte – naar het oordeel van de rechtbank – ook het oogmerk gehad mevrouw [slachtoffer 1] vrees aan te jagen.
Hoewel mevrouw [moeder van slachtoffer 1] bij het doen van aangifte onder meer heeft verklaard dat zij – uit angst dat het verdachte betreft – geen onbekende of anonieme telefoonnummers durft te beantwoorden, is de rechtbank niettemin van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om zonder redelijke twijfel te concluderen dat verdachte ook in de richting van mevrouw [moeder van slachtoffer 1] heeft gehandeld met het oogmerk haar vrees aan te jagen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van (onder meer) dit deel van de tenlastelegging.
Ten aanzien van de pleegplaats overweegt de rechtbank dat juist bij een delict als belaging, waarbij, ook in dit geval, sprake is van het sturen van berichten, niet altijd kan worden vastgesteld waarvandaan de berichten zijn verstuurd en waar de ontvanger van de berichten was. Duidelijk is evenwel dat het in Nederland plaatsvond. Bovendien is evident welk feit en welke gedragingen de steller van de tenlastelegging voor ogen had, ook voor de verdediging. Het verweer ten aanzien van de pleegplaats wordt dan ook verworpen.
Conclusie
De combinatie van het aantal berichten, de duur en de intensiteit van de betreffende berichten én de impact die deze – zoals hiervoor besproken – hebben gehad op de persoonlijke levenssfeer van aangeefsters leidt tot de conclusie dat verdachte zich met zijn gedrag schuldig heeft gemaakt aan belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals hierna bewezen verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen en de in de bewijsbijlage (Bijlage II) uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van 01-224688-25:
in de periode van 17 juli 2025 tot en met 13 augustus 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en [moeder van slachtoffer 1] , door
[moeder van slachtoffer 1] veelvuldig berichten te sturen
met het oogmerk die [moeder van slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden en [slachtoffer 1] vrees aan te jagen;
Ten aanzien van 01.059976.24:
in de periode 8 november 2023 tot en met 25 januari 2024 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door
- veelvuldig te bellen (ongeveer 229 oproepen) en
- veelvuldig SMS- en voicemailberichten achter te laten (ongeveer 1656),

met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te dulden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit en van verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten dan wel van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Daarbij is verzocht bijzondere voorwaarden te stellen, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met de mogelijkheid van kortdurende klinische opname), een alcoholverbod, een contactverbod met aangeefsters en een locatieverbod voor het woon- en werkadres van mevrouw [slachtoffer 1] , meewerken aan middelencontrole en diagnostisch onderzoek. De officier van justitie heeft gevorderd om voornoemde voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen (reclasserings-) toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Daarnaast is gevorderd aan verdachte op te leggen een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren, inhoudende een gebieds- en locatieverbod overeenkomstig de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. Daarbij is verzocht te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt bij de eerste overtreding twee weken, bij de tweede overtreding drie weken, oplopend telkens met één week, oplopend tot maximaal zes maanden voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat – ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – een aanvullende onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de Richtlijnen voor strafvordering inzake belaging, niet passend is. Deze stellingname vindt naar de mening van de raadsman bovendien steun in het gegeven dat de (bewezen verklaarde) feiten verdachte slechts in (licht) verminderde mate dienen te worden toegerekend. Daarnaast vormt de fysieke toestand van verdachte een duidelijke contra-indicatie voor het opleggen van een (aanvullende) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf brengt – indachtig het reclasseringsrapport – ook mee dat op diverse leefgebieden problemen zullen ontstaan.
Concluderend acht de raadsman van verdachte een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel de duur van het voorarrest niet overstijgt, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld.
Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde 38v-maatregel heeft de raadsman van verdachte opgemerkt dat de verdediging geen bezwaar heeft tegen een eventueel contact- en locatieverbod, zij het dat er nu geen vrees bestaat dat verdachte nogmaals zal recidiveren. Om die reden zal voornoemde maatregel niet moeten worden opgelegd.
In aanvulling daarop heeft de raadsman van verdachte verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging (ook wel stalking genoemd) van zijn ex-vrouw en haar moeder én mevrouw [slachtoffer 2] . Verdachte heeft daarmee (telkens) inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en deze stelselmatig met voeten getreden. Uit de door de aangeefsters gedane aangiftes blijkt dat de gedragingen van verdachte grote indruk op hen hebben gemaakt, hun dagelijks leven hebben beïnvloed, bij hen angst hebben aangewakkerd en dat zij daar nog steeds last van hebben. Het door mevrouw [slachtoffer 1] ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht is daarvoor illustratief, al heeft zij tegelijkertijd stellig verwoord dat zij niet langer accepteert dat verdachte met zijn gedrag haar leven beïnvloedt: ‘dit gedrag moet wel stoppen en mijn grenzen mogen niet langer worden overschreden’, zo sprak zij in de zittingzaal uit. Als gezegd, verdachte heeft zich eerder op indringende wijze schuldig gemaakt aan het belagen van mevrouw [slachtoffer 1] . Die gebeurtenissen kunnen (ook) wat betreft de ernst van het feit niet los worden gezien van deze zaak.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte in 2023 eerder is veroordeeld voor – kortgezegd – belaging van mevrouw [slachtoffer 1] . Aan verdachte werd toen opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 249 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Daarbij werden meerdere bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een contact- en locatieverbod en een behandelverplichting. Desondanks is verdachte meermaals gerecidiveerd en heeft hij meerdere keren het toen opgelegde contactverbod overtreden. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer 2] ontmoet op een bankje in Keldonk, op de route die mevrouw [slachtoffer 1] aflegt wanneer zij van haar werk naar huis rijdt. Dat hij zijn laatste belagingslachtoffer, mevrouw [slachtoffer 2] , ontmoette op een plek waar hij -zonder het in 2023 door de rechtbank opgelegde contact- en gebiedsverbod te overtreden- zich vaak bevond om mevrouw [slachtoffer 1] langs te zien rijden is illustratief voor de volhardende houding van verdachte. Verdachte weigert zich terug te trekken uit het leven van mevrouw [slachtoffer 1] . De rechtbank betrekt dit gegeven bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychiatrisch rapport pro Justitia betreffende verdachte van 21 november 2024, opgemaakt en ondertekend door J.R. Nijdam, psychiater. Daaruit volgt – voor zover van belang – dat bij verdachte sprake is van een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag, chronisch en ernstig, en een stoornis in het gebruik van alcohol in recente, maar mogelijk gedeeltelijke, remissie. De aanpassingsstoornis was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten aanwezig. Ook was er sprake van alcoholmisbruik. De psychische stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde. Als gevolg van de in ernst toegenomen aanpassingsstoornis met stoornissen in emoties en gedrag was betrokkene minder in staat om zijn frustraties te verwerken en om met de gerezen problematiek om te gaan en had hij minder greep op zijn zelfbeheersing en zelfcontrole. Gebruik van alcohol heeft meerdere malen de zelfcontrole en zelfbeheersing verder verslechterd en de, vooral, verbale agressie van verdachte doen toenemen. Deskundige Nijdam heeft geadviseerd het bewezen verklaarde aan verdachte in licht verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico moet, samenhangend met de aanpassingsstoornis en de stoornis in het gebruik van alcohol, als binnen het bestaande kader matig en op termijn laag worden ingeschat, maar bij het wegvallen van dit kader als hoog. De goede samenwerking met de hulpverlening en de toezichthouder is op dit moment een beschermende factor. Geadviseerd wordt het huidige behandelings- en toezichtkader te continueren. Als strafrechtelijk kader wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden en een verplicht reclasseringstoezicht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het psychologisch rapport pro Justitia betreffende verdachte van 21 november 2024, opgemaakt en ondertekend door dr. J.C.L.M. Duijkers, klinisch psycholoog BIG. Daaruit volgt – voor zover van belang – dat bij verdachte sprake is van een persisterende depressieve stoornis met agitatie (gedeeltelijk in remissie), van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol die in vroege remissie is en van een ernstige stoornis in het gebruik van opioïde-achtige pijnmedicatie die in langdurige remissie is. Tevens is er sprake van een lichte stoornis in het gebruik van tabak. Ten tijde van de bewezen verklaarde belaging waren al deze stoornissen aan de orde, maar was de depressieve stoornis nog niet gedeeltelijk in remissie. De stoornis in het gebruik van alcohol was nog niet in vroege remissie. De psychische stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde. De persisterende depressieve stoornis met agitatie verstoorde emotieregulatie en de momenten van terugval van verdachte in het gebruik van alcohol, bij een aanwezige stoornis in het gebruik ervan, zal de emotieregulatie verder verstoord hebben naast de impulsbeheersing. Daardoor wist verdachte in zekere mate niet adequaat te reageren op het moment dat aangeefster het prille, zich intiem ontwikkelende contact met verdachte verbrak. Deskundige Duijkers heeft geadviseerd het feit in licht verminderde mate aan hem toe te rekenen. De geïndiceerde interventies, gericht op vermindering van het recidiverisico op (gewelddadig) belagingsgedrag, zijn 1) ambulante forensische behandeling, 2) cognitief gedragstherapeutische en medicamenteuze behandeling van de persisterende depressieve klachten met aandacht voor rouwverwerking inzake de verloren fysieke vaardigheden. 3) voortzetting van de ambulante begeleiding en 4) reclasseringstoezicht om de voortgang van de beschreven adviezen te monitoren.
Beide rapporten Pro Justitia zijn intussen meer dan een jaar oud en zijn slechts opgemaakt naar aanleiding van het feit met parketnummer 01.059976.24. De rechtbank zal de conclusies echter wel overnemen, omdat zij geen aanknopingspunten heeft dat de problematiek van verdachte veranderd is. Bovendien past ook het beeld dat van verdachte uit het andere ten laste gelegde feit oprijst bij hetgeen in de rapporten is beschreven.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het door GGZ ERW Novadic-Kentron opgemaakte reclasseringsadvies van 12 november 2025. Daaruit volgt – voor zover van belang – dat de reclassering risicofactoren ziet op het gebied van middelengebruik, dagbesteding, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Wanneer verdachte middelen gebruikt, vervagen zijn grenzen. Momenteel is hij abstinent, maar mocht hij terugvallen in middelengebruik, dan ziet de reclassering hierin grote risico’s. De reclassering signaleert een eenzame man, die positieve sociale contacten mist in zijn leven. Door een passende dagbesteding te vinden en meer hulpverlening in te zetten, hoopt de reclassering dat het sociale netwerk van verdachte wordt uitgebreid. Ook zal het hebben van een passende dagbesteding hem zingeving en een dag-structuur bieden. De reclassering acht de eigen woning van verdachte en het contact dat hij met de huidige hulpverleners heeft beschermend. Bij een veroordeling heeft de reclassering geadviseerd tot oplegging van een voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden waartoe de officier van justitie heeft gevorderd. De reclassering heeft contra-indicaties gesignaleerd voor het opleggen van een gevangenisstraf. Verdachte heeft immers een koopappartement en in dat verband zodoende financiële verplichtingen. Ook heeft de reclassering gezien dat de lichamelijke gezondheid van verdachte in detentie achteruit gaat, omdat in detentie niet de juiste hulpmiddelen en zorg aan verdachte kunnen worden geboden.
Gelet op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd stelt de rechtbank vast dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens die ook bestond ten tijde van het delict. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over en zal het bewezen verklaarde in licht verminderde mate aan verdachte toerekenen.
De op te leggen straf
Voor belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bestaan geen oriëntatiepunten. Om die reden heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten staan eraan in de weg een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf op te leggen. Oplegging van een taakstraf acht de rechtbank bovendien, gelet op de lichamelijke gesteldheid en medische omstandigheden van verdachte (en hetgeen de reclassering hierover heeft geadviseerd), niet haalbaar. Deze omstandigheden weegt de rechtbank mee bij de bepaling van de hoogte van de (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Dat de rechtbank hiermee bij een eerdere strafoplegging in 2023 al rekening heeft gehouden doet daaraan niet af. Detentie trekt een zware wissel op de lichamelijke gesteldheid van verdachte – waardoor een gevangenisstraf in die zin door hem zwaarder wordt ervaren dan door gedetineerden die met minder fysiek ongemak kampen.
De rechtbank is al met al van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank bepaalt dat een groter gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd niet zal worden tenuitvoergelegd, om de hiervoor genoemde redenen. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf recht doet aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten.
De rechtbank legt deze gevangenisstraf voor een deel voorwaardelijk op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en de reeds geïnitieerde, dan wel gestarte interventies (onverminderd) voort te laten duren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de na te noemen en door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld – met uitzondering van een contact- en locatieverbod.
De op te leggen maatregel
De rechtbank is gelet op het recidiverisico van oordeel dat de oplegging van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contact- en gebiedsverbod ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte voor een periode van vijf jaren passend en geboden is.
De rechtbank zal bevelen dat de vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt bij de eerste overtreding twee weken, bij de tweede overtreding drie weken, oplopend telkens met een week, oplopend tot maximaal zes maanden voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De rechtbank zal bevelen dat de maatregel 38v van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft bij afzonderlijke beslissing reeds besloten op het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Gelet op de op te leggen straf zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een bedrag van € 193,62 bestaande uit vergoeding van materiële schade; te weten € 13,62 aan verlofuren en € 180,00 aan therapiekosten.
De vordering bestaat daarnaast uit vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.200,00. De benadeelde partij heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verder verzocht de civiele vordering tot schadevergoeding integraal toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair is op gronden als verwoord in de schriftelijke pleitnota opgemerkt dat geen sprake is van een aantasting in de persoon van mevrouw [slachtoffer 1] . De raadsman van verdachte heeft zich daarnaast verzet tegen het toekennen van de gevorderde schadevergoeding van € 1.200,00, omdat de in de vordering aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2021:2602) op essentiële onderdelen verschilt van onderhavige zaak.
Beoordeling.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de door verdachte gepleegde normschending van dien aard zijn dat de rechtbank daarom – gelet op vaste rechtspraak – aanneemt dat de benadeelde partij in de persoon is aangetast. De rechtbank betrekt daarbij dat de benadeelde partij eerder (meermaals) door verdachte is belaagd, verdachte herhaaldelijk contactverboden heeft overtreden en de in deze zaak bewezen verklaarde belaging zich ook richtte tot de moeder van de benadeelde partij. De rechtbank acht de vordering – mede gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend – genoegzaam onderbouwd en zodoende in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2025, zijnde de einddatum van de pleegperiode, tot de dag der algehele voldoening.
Ook ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank deze in haar geheel toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Het toe te wijzen materiële schadevergoedingsbedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025, zijnde de datum waarop de vordering is gedagtekend, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01.263014.22.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het gaat om hetzelfde strafbare feit, gericht tegen (onder andere) hetzelfde slachtoffer.
Hoewel als uitgangspunt geldt dat bij het plegen van een nieuw strafbaar feit, en daarmee het overtreden van de algemene voorwaarde(n), een voorwaardelijk opgelegde (gevangenis)straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd, ziet de rechtbank in hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen – in het bijzonder de lichamelijke gesteldheid en medische omstandigheden van verdachte én de daardoor bij hem toenemende detentiezwaarte – aanleiding te gelasten dat slechts het hieronder te bepalen gedeelte van de straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging van dat gedeelte in de weg zouden staan zijn niet aanwezig.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20.002315.22.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen, mede om te voorkomen dat de reeds door de reclassering geïnitieerde en gestarte interventies worden doorkruist. Een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de reeds eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ligt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen zij hiervoor met betrekking tot de zwaarte van detentie heeft overwogen, niet in de rede.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38, 57, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • verklaart het ten laste gelegde in de zaken met parketnummer 01.224688.25 en 01.059976.24 bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor gelegde in de zaken met parketnummer 01.224688.25 en 01.059976.24 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven
Ten aanzien van 01.224688.25:

belaging

Ten aanzien van 01.059976.24:

belaging

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
negen maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan
vijf maanden voorwaardelijken een
proeftijd van drie jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:
  • veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij verslavingsreclassering Novadic-Kentron op het adres Jan Wierhof 14 te Tilburg. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • veroordeelde laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
  • veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
  • veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;
  • veroordeelde werkt mee aan diagnostisch onderzoek om de hulpverlening te laten aansluiten bij de eventuele psychische problematiek van betrokkene. Voor het diagnostisch onderzoek dient veroordeelde minimaal zes weken abstinent te zijn van alle middelen.
De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
De rechtbank legt op de volgende maatregelen:
  • een maatregel van schadevergoeding:
  • een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van vijf jaren.
o dat de veroordeelde gedurende vijf jaren zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 1] (geboren op [1979] ), [moeder van slachtoffer 1] (geboren op [1955] ) en T [slachtoffer 2] (geboren op [1965] ), en bepaalt dat zulks met zich mee brengt dat verdachte noch direct (zelf), noch indirect (middels anderen) op enigerlei wijze contact (niet middels telefoon, niet middels internet, niet via enig ander communicatiemiddel, nog middels direct persoonlijk contact, noch middels schriftelijke middelen) zal hebben met genoemde personen;
o dat de veroordeelde gedurende vijf jaren zich niet zal bevinden in de gemeente Helmond en de straten [adres 2] én de [adres 3] te Veghel.
De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken hechtenis bij de eerste overtreding, drie weken bij de tweede overtreding, oplopend telkens met een week per overtreding, oplopend tot maximaal zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
De rechtbank beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Ten aanzien van 01-224688-25: Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.393,62 euro, bestaande uit 193,62 euro materiële schadevergoeding (verlofuren en therapiekosten) en 1.200,00 euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025, zijnde de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is gedagtekend, tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2025, zijnde de einddatum van de bewezen verklaarde pleegperiode, tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01.263014.22:
Beveelt de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch d.d. 19 juni 2023, gewezen onder parketnummer 01.263014.22, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 59 dagen.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20.002315.22:
Wijst af de vordering met parketnummer 20.002315.22 van de officier van justitie d.d. 18 november 2025.
Ten aanzien van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 01.224688.25:
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.W.H. Houg, voorzitter,
mrs. C.A. Mandemakers en E.L. Traag, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 10 december 2025.

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt voor wat betreft de zaak met parketnummer 01.059976.24 verwezen naar de bewijsmiddelen die zich bevinden als bijlage in 1) het proces-verbaal PV voorgeleiding einddossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, registratienummer: PL2100-2023263085, afgesloten op 21 februari 2024, met in totaal 48 doorgenummerde bladzijden en 2) een proces-verbaal van bevindingen, met proces-verbaalnummer: PL2100-2023263085-23, afgesloten op 18 november 2025. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.