ECLI:NL:RBOBR:2025:8145

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
01.260697.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling huisarts voor ontuchtige handelingen met kwetsbaar slachtoffer

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een huisarts die zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen met een cliënte die aan hem was toevertrouwd. De feiten vonden plaats tussen 1 juni 2016 en 31 juli 2019, waarbij de verdachte meermalen ontucht heeft gepleegd met het slachtoffer, dat een autismespectrumstoornis heeft en kwetsbaar was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zijn positie als zorgverlener heeft misbruikt en dat er een affectieve relatie is ontstaan, wat de situatie verergerde. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. Daarnaast is er een schadevergoeding van 5.000 euro toegewezen aan het slachtoffer, die immateriële schade heeft geleden door de ontuchtige handelingen. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de verdachte veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gedaan na een zorgvuldige afweging van de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die geen eerdere veroordelingen had en inmiddels met pensioen is.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.260697.24
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 oktober 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 te Budel, gemeente Cranendonck, althans in Nederland,
terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,
ontucht heeft gepleegd
met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
door
(telkens) meermalen, in elk geval eenmaal
- zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of houden en/of (heen en weer) te bewegen en/of
- zijn tong in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of houden en/of (heen en weer) te bewegen en/of
- met zijn tong de clitoris en/of de vagina van die [slachtoffer] te likken en/of
- zijn hand en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en/of houden en/of (heen en weer) te bewegen en/of
- met zijn hand en/of een stukje stof over de vagina van die [slachtoffer] te wrijven en/of de vagina van die [slachtoffer] te betasten/aan te raken en/of
- de borsten en/of het lichaam van die [slachtoffer] te betasten/aan te raken en/of
- die [slachtoffer] kusjes op zijn penis te laten geven, althans die [slachtoffer] zijn penis met haar mond te laten betasten/aanraken en/of
- zich te laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] zijn penis te laten betasten/aanraken en/of
- die [slachtoffer] te kussen en/of met die [slachtoffer] te tongzoenen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar het schriftelijke requisitoir - op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft verder aangevoerd dat een kortere periode moet worden bewezenverklaard, namelijk van 1 juli 2016 tot en met 1 juni 2019.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het tenlastegelegde aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. Wel heeft zij aangevoerd dat een kortere periode moet worden bewezenverklaard, namelijk van 1 juni of juli 2016 tot en met
1 juni of juli 2019.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van
28 november 2025;
Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene] (namens slachtoffer [slachtoffer] ) van 29 juli 2024, p. 10;
Een verslag verbatim studioverhoor van getuige [slachtoffer] van 12 augustus 2024, p. 32.
Met betrekking tot de pleegperiode overweegt de rechtbank dat zij bewezen acht dat de ontuchtige handelingen zijn gepleegd in de periode van 1 juni 2016 tot en met
31 augustus 2019. De rechtbank neemt 1 juni 2016 als begindatum van de pleegperiode, omdat verdachte ter zitting heeft verklaard dat de ontuchtige handelingen zijn begonnen in juni 2016 toen verdachte aangeefster voor een schimmelinfectie behandelde.
De rechtbank neemt 31 juli 2019 als einddatum van de pleegperiode, omdat verdachte heeft verklaard dat hij met de ontuchtige handelingen was gestopt toen aangeefster zwanger raakte in augustus 2019. Dit is door aangeefster ook verklaard in haar getuigenverklaring.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
in de periode van 1 juni 2016 tot en met 31 juli 2019 te Budel, gemeente Cranendonck,
terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg,
ontucht heeft gepleegd
met [slachtoffer] , die zich als patiënt aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd,
door
(telkens) meermalen,
- zijn penis in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en houden en heen en weer te bewegen en
- zijn tong in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en houden en heen en weer te bewegen en
- met zijn tong de clitoris en de vagina van die [slachtoffer] te likken en
- zijn hand en vinger(s) in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] te duwen/brengen en houden en heen en weer te bewegen en
- met zijn hand en een stukje stof over de vagina van die [slachtoffer] te wrijven en de vagina van die [slachtoffer] te betasten/aan te raken en
- de borsten en het lichaam van die [slachtoffer] te betasten/aan te raken en
- die [slachtoffer] kusjes op zijn penis te laten geven en
- zich te laten aftrekken door die [slachtoffer] en die [slachtoffer] zijn penis te laten betasten/aanraken en
- die [slachtoffer] te kussen en met die [slachtoffer] te tongzoenen.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, gekoppeld aan de bijzondere voorwaarden zoals eerder door de reclassering (bij de voorgeleiding) geadviseerd, met het verzoek deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft op de in de pleitnota genoemde gronden verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een taakstraf van door de rechtbank te bepalen duur.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer drie jaar schuldig gemaakt aan ontucht met [slachtoffer] . Hij had als huisarts een behandelrelatie met haar als patiënt. Tijdens de behandelperiode is een affectieve relatie ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij hij meerdere keren seks met haar heeft gehad, onder andere bestaande uit penetratie.
Verdachte is op geraffineerde wijze te werk gegaan om de ontuchtige handelingen te kunnen plegen. Hij gaf zijn privénummer aan [slachtoffer] , sprak op enig moment alleen nog af in de avonduren met haar in zijn praktijk, ging bij haar op bezoek als de woonbegeleiding afwezig was en zei tegen haar dat het tussen hen moest blijven. Verdachte was zich bewust van de strafwaardigheid van zijn handelen en heeft geprobeerd dit verborgen te houden.
Tussen verdachte en [slachtoffer] bestond een arts-patiënt relatie. Om die reden kon er geen sprake zijn van een volledig gelijkwaardige relatie. Daarmee heeft een zekere mate van afhankelijkheid een rol gespeeld binnen deze relatie en bij het verrichten van de seksuele handelingen. Dat verdachte op een dergelijke ernstige wijze misbruik heeft gemaakt van deze afhankelijkheidsrelatie, rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Temeer daar verdachte op de hoogte was van de autismespectrumstoornis en kwetsbaarheid van [slachtoffer] en het gegeven dat zij eerder slachtoffer is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hij heeft vanuit zijn positie als huisarts het slachtoffer doen geloven dat zij moest leren om de seksuele handelingen die hij haar liet ondergaan, lekker te vinden. De rechtbank gaat bij dit oordeel uit van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] , die tevens op essentiële punten wordt ondersteund en bevestigd door de verklaring van verdachte.
De raadsvrouw heeft in het kader van de straftoemeting gewezen op de gesprekken en contacten tussen verdachte en [slachtoffer] . Zij heeft verklaard dat zij die gesprekken en contacten ervaarde als prettig, ondersteunend en betekenisvol. De rechtbank is van oordeel dat dit niet afdoet aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] en de ongelijkwaardigheid van de relatie. Het is immers aannemelijk dat er gaandeweg in de relatie een verandering in de gevoelens van [slachtoffer] zijn ontstaan, maar dat dit mede voortvloeide uit haar autismespectrumstoornis. Evident is dat [slachtoffer] veel vertrouwen in verdachte stelde. Zo heeft zij verklaard dat zij de behandeling en de gesprekken in het begin heel fijn vond, omdat verdachte de enige persoon was die om haar gaf, haar begreep en naar haar luisterde. In die periode voelde zij zich namelijk erg wanhopig en alleen. Die relatie is vervolgens geleidelijk uitgebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank was [slachtoffer] echter wegens de beperkingen door haar stoornis onvoldoende in staat om deze relatie duiden. Dat er vanuit verdachte affectieve gevoelens zijn ontstaan voor [slachtoffer] en dat er op enig moment wellicht sprake was van een liefdesrelatie tussen hen, maakt het handelen van verdachte niet minder verwijtbaar.
Verdachte heeft zich door zo te handelen in het geheel geen rekenschap gegeven van de (labiele) toestand van [slachtoffer] , waarvoor zij juist hulp bij hem zocht. Verdachte heeft zich als hulp/zorgverlener zeer onprofessioneel gedragen en misbruik gemaakt van zijn positie, zelfs nadat de woonbegeleiders van [slachtoffer] naar aanleiding van de avondbezoeken van verdachte in haar woning een arts verstandelijke gehandicapten hadden ingeschakeld om een gesprek met verdachte aan te gaan. Verdachte heeft hem toen niet de waarheid verteld, om te voorkomen dat de relatie zou eindigen, zo heeft hij ter zitting verklaard.
Verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen van [slachtoffer] , die zich aan zijn professionele zorg en hulp had toevertrouwd, maar tevens een ernstige inbreuk gemaakt op zowel haar lichamelijke als geestelijke integriteit. De relatie tussen hulp/zorgverlener en de aan zijn zorg toevertrouwde persoon schept voor de hulp/zorgverlener een bijzondere verantwoordelijkheid. Verdachte had zich daarvan rekenschap moeten geven en daarnaar moeten gedragen.
Het is algemeen bekend dat dergelijke ernstige zedenfeiten, waarbij de lichamelijke integriteit keer op keer wordt geschonden, een grote impact hebben op de slachtoffers hiervan. Zij ondervinden vaak nog jaren last van het misbruik. Dit komt ook duidelijk naar voren in de slachtofferverklaring van [slachtoffer] ter zitting. Ook heeft zij hierdoor haar vertrouwen in hulpverleners verloren.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden passend en geboden. De tijd die door verdachte in hechtenis is doorgebracht komt hierop in mindering.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf. Zij overweegt daartoe het volgende. De rechtbank ziet vanwege de duur, ernst en behandelrelatie geen andere straf geschikt dan de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank kan het de samenleving niet uitleggen dat iemand die als zorgverlener deze strafbare feiten heeft gepleegd op deze schaal, niet naar de gevangenis zou hoeven.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Ten slotte ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk deel aan de gevangenisstraf te koppelen. De rechtbank acht de kans op recidive, gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet hoog. Daarbij weegt mee dat verdachte inmiddels met pensioen is en geen praktiserend huisarts meer is. Evenmin acht de rechtbank het opleggen van bijzondere voorwaarden zinvol. Verdachte lijkt zijn leven op orde te hebben. Hij heeft geen contact meer met het slachtoffer en ook niet met patiënten. Verdachte ziet het kwalijke van zijn gedrag in en heeft spijt betuigd welke de rechtbank oprecht overkomt. Verder is er geen sprake van middelengebruik. Van een noodzaak tot begeleiding en/of toezicht is de rechtbank dan ook niet gebleken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade voldoende is onderbouwd en volledig moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering in haar geheel niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het gevorderde schadebedrag aanzienlijk te matigen.
Beoordeling.
De rechtbank stelt voorop dat het dossier weinig concrete informatie bevat over psychisch letsel dat de benadeelde zou hebben opgelopen door het bewezen verklaarde. Het medische verslag dat ter onderbouwing van de vordering is ingediend, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat er een causaal verband is tussen de daarin genoemde klachten en het bewezen verklaarde. Daartoe overweegt de rechtbank dat het, gelet op de voorgeschiedenis van de benadeelde, niet onwaarschijnlijk is dat deze klachten (mede) het gevolg zijn van andere gebeurtenissen in haar leven. Nadere bewijslevering op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
De rechtbank is wel van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank overweegt hiertoe dat sprake is van een normschending door verdachte die naar haar aard ernstig is te noemen en die grote gevolgen heeft voor de geestelijke gezondheid van de benadeelde partij.
Gelet hierop is vast komen te staan dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij aanspraak op immateriële schadevergoeding.
Bij het bepalen van de hoogte van deze schade heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Alles afwegende acht de rechtbank in deze zaak een bedrag van € 5.000,- redelijk en zal de schade dus ook op dat bedrag vaststellen en vergoeding van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 (de begindatum van de pleegperiode) tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt hiervoor op de volgende straf.
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
1 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
1 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 12 december 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, Team Zeden, met onderzoeksnummer OBRBC24129, onderzoeksnaam Tengu, afgesloten op 31 augustus 2024, pag. 1 tot en met pag. 261.