ECLI:NL:RBOBR:2025:8273

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/2421
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden en wijziging van bedrijfstijden van diervoederproducent

Deze uitspraak betreft de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden en het aanpassen van de bedrijfstijden van een diervoederproducent. Eiseres, die bezwaar maakt tegen de vergunning, stelt dat de wijziging in de productietijden leidt tot meer geuroverlast voor omwonenden. De rechtbank heeft de zaak op 19 december 2025 behandeld en oordeelt dat de vergunning terecht is verleend. De rechtbank concludeert dat de aanpassing van de productietijden, waarbij nu ook op zondagen geproduceerd mag worden, niet leidt tot een onaanvaardbare toename van geurhinder. De rechtbank stelt vast dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de omwonenden en dat de voorschriften in de omgevingsvergunning voldoende waarborgen bieden om de geuroverlast te beperken. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt dat de bouwwerkzaamheden en de wijziging van de productietijden mogen worden uitgevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2421

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres

en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant(het college),
(gemachtigde: mr. M. van Dam, ing. H.L. van Aarle en ir. T.F.A.M. Teunissen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam] . ( [naam] Diervoeding)uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwwerkzaamheden en het veranderen van de bedrijfstijden van vergunninghoudster. Eiseres is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de bouwwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd en vergunninghoudster de productietijden mag aanpassen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat het overgangsrecht, de gevolgde procedure en de ontvankelijkheid. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de aanpassing van de productietijden door structureel op zaterdagen en incidenteel op zondagen te produceren zoveel overlast voor de omwonenden veroorzaakt dat het college van vergunningverlening had moeten afzien. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor het vernieuwen en verplaatsen van de maal/menglijn, het verplaatsen van de melassemixer, het bouwen van een nieuwe dakopbouw, het verlengen van de elevator, het verlengen van de bestaande schoorstenen en het veranderen van de bedrijfstijden naar productie op maandag tot en met zaterdag, met incidentele productiedagen op zondag voor de inrichting gelegen aan [adres] te [woonplaats] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 1 mei 2024 toegewezen.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Namens eiseres [naam] en [naam] , de gemachtigden van het college, en namens vergunninghoudster [naam] en [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. De inrichting betreft een bedrijf voor het produceren van diervoeders uit vaste en vloeibare grondstoffen en het verpakken, opslaan en verhandelen van diervoeders. De nu geldende milieuvergunning is afgegeven in 2007. De zaak gaat over een wijziging in het productieproces. Het betreft het vernieuwen en verplaatsen van de maal/menglijn aangezien de huidige installatie namelijk einde levensduur is. Met deze aanvraag stijgt de productiecapaciteit niet. Vergunninghoudster is voornemens de melassemixer te verplaatsen. Hiervoor wordt een nieuwe dakopbouw gerealiseerd waar deze melassemixer wordt gesitueerd. Naast de nieuwe dakopbouw wordt de elevator en de bestaande schoorstenen verlengd. Ten opzichte van de huidige situatie verschilt de aangevraagde situatie in de bedrijfstijden. In de huidige situatie wordt er van maandag tot en met vrijdag en incidenteel op zaterdag geproduceerd. In vergunde situatie is dat maandag tot en met zaterdag, met incidentele productiedagen op zondag. De productiecapaciteit wijzigt niet als gevolg van een wijziging van de bedrijfstijden.
Het overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet vervangt (onder meer) de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Volgens de Invoeringswet Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op de gehele procedure van aanvragen die voor 1 januari 2024 zijn ingediend, tot de vergunning onherroepelijk is.
De aanvraag voor deze vergunning is ingediend op 3 juni 2022 daarom is op de beslissing op deze aanvraag en op de rechtsbeschermingsprocedure, het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 van toepassing.
Het beroep
5. Eisers hebben bezwaren tegen de uitbreiding van de productietijden op de zaterdagen en de zondagen omdat zij extra geuroverlast en de lichamelijke en psychische klachten die dat veroorzaakt vrezen. De zaterdagen en zondagen zijn voor de omwonenden rustdagen waarop ze thuis kunnen zijn zonder in het gebruik van hun tuin te worden beperkt. Door uitbreiding van de dagen waarop er mag worden geproduceerd blijft er geen enkele dag in de week over waarop de bewoners geen geuroverlast zullen ervaren.
5.1
In reactie op de uitbreiding van de productietijden en de bouwkundige aanpassingen wijst het college op de voorschriften in de omgevingsvergunning. De productiecapaciteit mag volgens voorschrift 3.1.1 over 365 opeenvolgende kalenderdagen niet meer dan 186.000 ton bedragen. Volgens voorschrift 3.1.2 mag het produceren op zondagen niet meer dan incidenteel plaatsvinden, waarbij “incidenteel” inhoudt dat over 365 opeenvolgende kalenderdagen niet meer dan op 12 zondagen productie heeft plaatsgevonden. Voor de overige dagen in de week gelden geen beperkingen voor de productietijden. Het aantal productie uren over 365 opeenvolgende kalenderdagen mag niet meer dan 5.616 uur bedragen. De aard van het product dat wordt geproduceerd en de productiecapaciteit veranderen niet met het bestreden besluit. De productiecapaciteit verandert vanwege deze aanvraag niet. Het productiegebouw wordt verhoogd en de geuremissiepunten worden eveneens verhoogd. Uit het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek, dat het college heeft beoordeeld, blijkt dat de geurbelasting op de omgeving niet toeneemt.
5.2
De verandering aan de inrichting heeft het college niet als milieu neutrale wijziging aangemerkt omdat voorheen op zaterdagen incidenteel geproduceerd werd en nu structureel en incidenteel op zondagen. Deze productietijden wijken af van de vigerende omgevingsvergunning. Als structureel op zaterdagen en incidenteel op zondagen geproduceerd wordt kunnen omwonenden hiervan (meer) hinder ondervinden dan thans is toegestaan op basis van de vigerende vergunning.
6. Uit het bepaalde in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo volgt dat de omgevingsvergunning slechts in het belang van het milieu kan worden geweigerd. In het vierde lid is opgenomen dat het college in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen moet geven op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed.
6.1.
Uit de zich onder de gedingstukken bevindende informatie waaronder een geuronderzoek van Buro Blauw van 25 juli 2022 blijkt dat de wijziging aan de inrichting, door verhoging van het dak naar 50,5 meter en daarmee het verhogen van de schoorstenen niet leidt tot een toename van de geurbelasting. Omdat de productie niet wordt verhoogd heeft het college kunnen concluderen dat de geurbelasting aanvaardbaar blijft. Daarnaast heeft het college er bij de besluitvorming rekening mee gehouden dat hoewel de productiecapaciteit niet wordt verhoogd, wel een toename van het aantal klachten wordt verwacht omdat ook op zaterdagen wordt geproduceerd en incidenteel op zondagen. Het college heeft in de besluitvorming dus rekening gehouden met de door eiseres gestelde overlast. Daarnaast is de aanvraag getoetst aan de Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels omtrent geur Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant 2018 (het beleid). In het kader van de belangenafweging bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft het college met deze factoren overeenkomstig artikel 7, derde lid, van het beleid rekening gehouden. Dit heeft onder meer geleid tot wijziging van de voorschriften 1.1.1, 1.2.3, 1.2.4 en 1.2.5, van de vergunning van 7 augustus 2013 die worden vervangen door de voorschriften zoals vermeld in paragraaf 5 van het onderdeel milieu van de omgevingsvergunning waaronder een maximale geuremissie, de verplichting een berekening over te leggen van de totale geuremissie van perslijn 1, 2 en 3 over de afgelopen kalenderdagen, de wijze van berekening van de geuremissie en voorschriften over de wijze waarop de geuremissie van de perslijnen 1, 2 en 3 dienen plaats te vinden en een verplichting jaarlijks voor 1 april het bevoegd gezag te rapporteren over de in de omgevingsvergunning opgenomen geurvoorschriften en de reden waarom op welke zondagen is geproduceerd.
6.1
De rechtbank is daarom van oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit in voldoende mate rekening heeft gehouden met het belang van beperking van de geuroverlast en met het opnemen van de voorschriften in de omgevingsvergunning dit belang heeft gewaarborgd. Eiseres heeft niet aangevoerd waarom deze voorschriften niet afdoende zouden zijn. Er zijn geen gronden gericht tegen de vergunning voor zover die betrekking heeft op de bouw. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bouwkundige aanpassingen aan de inrichting en de wijziging van de productietijden mogen worden gerealiseerd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a.het bouwen van een bouwwerk,
(…);
e.
1°.het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk,
(…).
Artikel 2.14
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:
a.betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:
1°.de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;
2°.de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;
3°.de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
4°.de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;
5°.de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
6°.het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;
b.houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:
1°.het voor hem geldende milieubeleidsplan;
2°.het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;
3°.de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;
c.neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:
1°.dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;
2°.de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;
3°.in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;
4°.de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;
d.en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.
2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.
3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.
4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.
(…).
Artikel 3.10
1Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
(…);
c.een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;
(…)
3In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.7a
1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.
2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.
3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:
a.de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;
b.de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
c.de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;
d.de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;
e.de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en
f.de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.
4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift:
a.geuremissiewaarden vaststellen;
b.bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of
c.bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.
5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.