ECLI:NL:RBOBR:2025:8277

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/2505
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van proceskostenvergoeding na intrekking van beroep tegen UWV-besluit

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, wordt het verzoek van verzoeker om een proceskostenvergoeding beoordeeld. Verzoeker heeft zijn beroep tegen een besluit van het UWV van 14 mei 2024 ingetrokken, omdat het UWV op 9 oktober 2025 alsnog een IVA-uitkering per 17 december 2023 heeft toegekend. Verzoeker vraagt om vergoeding van kosten van rechtsbijstand, reiskosten en schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek en het UWV heeft aangegeven zich te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe, omdat het UWV geheel aan verzoeker is tegemoetgekomen. De rechtbank stelt de proceskosten op € 2.267,50 en vergoedt ook de reiskosten van € 15,23, wat het totaal op € 2.282,73 brengt. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en het griffierecht van € 51,-. De uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg en is openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2505

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. N.J. Brouwer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het UWV van 14 mei 2024. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV met het besluit van 9 oktober 2025 alsnog per 17 december 2023 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aan hem heeft toegekend. Verzoeker vraagt om vergoeding van kosten van rechtsbijstand en reiskosten en om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld zich te kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten conform het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 18 juni 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 14 mei 2024, waarin de WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA per 17 december 2023 gewijzigd is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 56,68%. Het UWV heeft op 9 oktober 2025 een gewijzigd besluit genomen, waarin alsnog per 17 december 2023 een IVA-uitkering aan verzoeker wordt toegekend. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten en wettelijke rente moet het UWV aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt hoeven niet te worden vergoed, omdat deze kosten al aan verzoeker zijn toegekend met het besluit van 14 mei 2024. Daarnaast krijgt verzoeker de door hem opgegeven reiskosten van € 15,23 vergoed. Het totale bedrag aan proceskosten dat verzoeker krijgt vergoed bedraagt dan € 2.282,73.
6. De rechtbank wijst het verzoek van verzoeker toe om het UWV te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het UWV de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [3] Het UWV heeft in het besluit van 9 oktober 2025 laten weten het griffierecht na de uitspraak van de rechtbank te zullen vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.
Beslissing
De rechtbank:
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.282,73 aan proceskosten aan verzoeker;
  • veroordeelt het UWV tot vergoeding van wettelijke rente aan verzoeker zoals onder 6 staat vermeld.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.