Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser [eiser 1] huurt sinds 1985 een woning van Woonbedrijf SWS. Haar zoon, [eiser 2], verzocht in 2021 om medehuurderschap, dat werd afgewezen. Na een eerdere procedure waarbij de kantonrechter in 2023 medehuurderschap toekende, vernietigde het hof dit vonnis in 2024 en wees de vordering af. Eiseres stelden cassatie in, maar het arrest is nog niet onherroepelijk.
In januari 2025 deden eisers een nieuw verzoek tot medehuurderschap, dat Woonbedrijf SWS weigerde. De kantonrechter oordeelt dat het herhaalde verzoek identiek is aan de eerdere en dat het indienen ervan in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de goede procesorde. Daarnaast is het nieuwe verzoek onvoldoende gemotiveerd, mede gezien de opname van [eiser 1] in een verzorgingstehuis.
De kantonrechter wijst daarom de vorderingen af en veroordeelt eisers in de proceskosten. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht omdat het nieuwe verzoek niet evident ongegrond is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van medehuurderschap wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.