ECLI:NL:RBOBR:2025:8327

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
01/087791-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gewapende overval op winkel met verminderd toerekeningsvatbare verdachte

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een gewapende overval op een winkel in Waalre op 21 januari 2025. De verdachte, die verminderd toerekeningsvatbaar is, werd veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 4 maanden en een werkstraf van 60 uren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met een mededader onder bedreiging van een vuurwapen en een mes medewerkers van de winkel heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 376 euro. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De uitspraak is gedaan na een onderzoek ter terechtzitting op 5 december 2025, waarbij de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. De rechtbank heeft rekening gehouden met de psychische stoornissen van de verdachte en de aanbevelingen van de Raad voor de Kinderbescherming, die een ambulante behandeling adviseerde in plaats van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-087791-25
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2009] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 oktober 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Waalre tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 376 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n), door
- met bedekt(e) gezicht(en) die [slachtoffer 3] binnen te gaan en/of
- naar de kassa van die [slachtoffer 3] te lopen en/of
- (vervolgens) dreigend en/of dwingend tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te zeggen: “ik eis geld” en/of “ik wil geld” en/of “geef me geld”, althans woorden van gelijke dreigende en/of dwingende aard en/of strekking en/of
- (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] voor te houden en/of te tonen en/of
- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] voor te houden en/of te tonen;

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag

Inleiding
Op dinsdag 21 januari 2025 omstreeks 18.00 uur, heeft zich een gewapende overval voorgedaan bij [slachtoffer 3] te [adres 2] in Waalre. Bij deze overval zijn medewerkers van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door twee personen onder bedreiging van een (vuur)wapen en een mes gedwongen tot afgifte van een geldbedrag uit de kassalade.
De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en heeft verklaard dat hij degene was die het mes vasthield.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 december 2025;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 21 januari 2025 (p. 81 t/m 82);
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , opgemaakt op 21 januari 2025 (p. 86 t/m 87);
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2025 (p. 134);
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 3] Waalre), opgemaakt op 5 februari 2025 (p. 143 t/m 144 en bijbehorende fotobijlagen op p. 146 t/m 148);
Het proces-verbaal onderzoek wapen en munitie, opgemaakt op 14 maart 2025 (p. 154 t/m 155).

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:
op 21 januari 2025 te Waalre tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 376 euro), dat aan [slachtoffer 3] toebehoorde, door
- die [slachtoffer 3] binnen te gaan en
- naar de kassa van die [slachtoffer 3] te lopen en
- (vervolgens) dwingend tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te zeggen: “geef me geld”, althans woorden van gelijke dwingende aard en/of strekking, en
- (daarbij) een pistool aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te tonen en
- een mes aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te tonen.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen en maatregel

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) van 24 november 2025. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om als bijzondere voorwaarde op te leggen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] voor de duur van 3 maanden, althans zo veel korter als de jeugdreclassering dat nodig vindt. Daarnaast heeft hij gevorderd aan de verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 60 uren met aftrek van de duur van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat met een voorwaardelijke jeugddetentie - met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden - kan worden volstaan. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was en dat hij gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis en vanwege de schorsingsvoorwaarden een periode in gesloten jeugdzorg heeft verbleven, welke periode hem zwaar is gevallen. Voor wat betreft het contactverbod sluit de verdediging zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewapende overval. Bij deze overval zijn twee medewerkers van [slachtoffer 3] onder bedreiging van een vuurwapen en een mes gedwongen tot afgifte van een geldbedrag uit de kassalade. Vast staat dat dergelijke feiten een forse inbreuk op de gevoelens van veiligheid bij de slachtoffers maken. Dat de gebeurtenis bedreigend en traumatiserend is geweest voor de slachtoffers, blijkt ook uit de vordering van [slachtoffer 3] , waarin zij schadevergoeding vraagt voor traumaopvang van haar werknemers. Bij deze gevolgen heeft de verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld te komen. Bovendien heeft de verdachte financiële schade voor de winkel veroorzaakt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 oktober 2025. Daaruit volgt dat hij reeds eerder, op 24 oktober 2023, is veroordeeld voor een vermogensdelict.
Deze veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk feit te begaan. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de Pro Justitia rapportage over de verdachte van 19 augustus 2025, opgemaakt door drs. R.M.C. Hoogstraten, GZ-psycholoog, waaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis, een oppositioneel-opstandige stoornis, een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een persisterende depressieve stoornis. Verder is sprake van polydrugsgebruik en een stoornis in cannabis (in vroege gedeeltelijke remissie vanwege de gesloten plaatsing).
De deskundige rapporteert dat tijdens het hem ten laste gelegde feit de psychische stoornissen aanwezig waren en dat deze stoornissen zijn gedrag beïnvloedden. Gelet hierop wordt geadviseerd om het feit in verminderde mate aan hem toe te rekenen.
De deskundige heeft ingeschat dat het recidiverisico hoog is. Er wordt daarom geadviseerd om als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel een klinische behandeling op te leggen bij de forensische kinder- en jeugdpsychiatrische kliniek De Catamaran.
De rechtbank neemt de conclusies met betrekking tot de vastgestelde stoornissen en de verminderde toerekenbaarheid over.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de RvdK van 24 november 2025. Zonder passende behandeling acht de Rvdk de kans op herhaling van gewelddadig gedrag groot.
De verdachte heeft vanuit een gesloten setting geleidelijk toegewerkt naar een open groep, waar hij stabiel functioneert en aantoonbaar vooruitgang laat zien in zijn sociaal-emotionele en gedragsmatige ontwikkeling. De RvdK acht een klinische opname daarom niet langer passend.
In nadere overeenstemming met de psycholoog met wie de Rvdk overleg heeft gepleegd – adviseert de Rvdk een ambulante behandeling binnen de forensisch kinder- en jeugdpsychiatrische kliniek van De Catamaran.
De RvdK acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie op dit moment niet passend,
gezien de positieve stappen die verdachte heeft gezet en zijn meewerkende houding
en intrinsieke motivatie. Hoewel de RvdK geen contra-indicaties ziet voor een werkstraf, wenst de RvdK momenteel prioriteit te geven aan behandeling, omdat dit het meest bijdraagt aan het voorkomen van herhaling van delictgedrag. De Rvdk adviseert daarom om geen werkstraf op te leggen.
De Rvdk adviseert dan ook om bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een geheel voorwaardelijke jeuddetentie, met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – meewerken aan dagbesteding, ambulante behandeling en een meldplicht bij en toezicht door de jeugdreclassering.
De strafoplegging
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als algemeen vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een overval op een winkel gaan de oriëntatiepunten ingeval van jeugdstrafrecht uit van een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, waarbij de rechtbank in strafverzwarende zin meeweegt dat de verdachte de overval in vereniging heeft gepleegd en hierbij gebruik is gemaakt van wapens.
De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden in beginsel een passende reactie zou zijn op het bewezen verklaarde feit. Toch zal de rechtbank die straf in dit geval niet opleggen. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank namelijk ook rekening gehouden met de verminderde toerekenbaarheid, de proceshouding van verdachte en de huidige positieve ontwikkelingen aangaande zijn levensstijl. Een straf die meebrengt dat de verdachte gedetineerd raakt, zou deze positieve ontwikkelingen teniet kunnen doen. Dat acht de rechtbank niet wenselijk, ook in het licht van het belang van de maatschappij bij het voorkomen van recidive.
De rechtbank acht een combinatie van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden passend. Het enkel opleggen van een voorwaardelijke straf, zoals door de Rvdk geadviseerd en door de raadsman bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het gepleegde feit.
Alles afwegende, zal de rechtbank een straf opleggen conform de eis van de officier van justitie. Deze straf doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van het feit, maar ook aan de persoon van de verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert vergoeding van de volgende schade:
  • Kosten voor trauma-opvang van de betrokken medewerkers ad € 1.920,-;
  • Kasverschil ad € 376,-.
[slachtoffer 3] vordert dat verdachte hoofdelijk (met zijn medeverdachte) tot betaling wordt veroordeeld en dat het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde kasverschil en tot afwijzing van de gevorderde kosten voor trauma-opvang, omdat daarvoor geen grondslag bestaat. De officier heeft voorts geconcludeerd dat de gevorderde hoofdelijkheid moet worden afgewezen, omdat er een zwaarwegend belang is dat verdachte niet met de medeverdachte in contact hoeft te treden. Toewijzing van de gevorderde hoofdelijkheid zou het op te leggen contactverbod doorkruisen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie, met de aanvulling dat de betrokken medewerkers in hun aangifte niet over het ervaren van trauma hebben verklaard.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de beide gevorderde schadeposten toewijsbaar zijn. Het gevorderde kasverschil is niet betwist. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor de trauma-opvang van de betrokken medewerkers overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] zich als goed werkgever redelijkerwijs verplicht kon achten om trauma-opvang te organiseren voor haar medewerkers (art. 7:611 en 7:658 lid 2 BW). Die verplichting zou op [slachtoffer 3] niet zijn komen te rusten als het strafbare feit achterwege was gebleven. De daardoor voor [slachtoffer 3] ontstane kosten voldoen daarmee aan het wettelijke schadebegrip (art. 6:96 lid 1 BW: “geleden verlies of gederfde winst”). Bovendien zijn deze kosten aan te merken als voor vergoeding in aanmerking komende redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade (art. 6:96 lid 2 BW) ten gevolge van de nadelige gevolgen van de overval voor de medewerkers en daarmee ook voor [slachtoffer 3] als werkgever. Of bij de betrokken medewerkers sprake was van trauma behoeft hiervoor niet te worden vastgesteld, nu het hier geen immateriële schadevergoeding betreft.
De rechtbank zal, in navolging van het standpunt van de officier van justitie, niet overgaan tot hoofdelijke veroordeling van verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het totale bedrag. Bij vonnis van heden wordt de medeverdachte eveneens veroordeeld tot betaling van de helft van de schadevergoeding.
Ten aanzien van verdachte is daarom € 1.148,- van het gevorderde toewijsbaar.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Samenloop veroordeling/maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde het misdrijf oplevert:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straffen en maatregel;

een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- mee blijft werken aan dagbesteding, in de vorm van werk en/of onderwijs; de veroordeelde neemt actief deel en houdt zich aan de afspraken binnen de open setting (Pactum Deurne of gelijksoortige instelling);
- meewerkt aan ambulante behandeling bij forensische kinder- en jeugdpsychiatrische kliniek De Catamaran of een soortgelijke instelling; die zich richt op trauma, de depressieve gevoelens en de sociaal-emotionele ontwikkeling van veroordeelde, op het stilstaan bij de gevolgen van de veroordeelde zijn gedrag en het aanbieden van begeleiding ten aanzien van zijn middelengebruik en op het doorbreken van de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling van de veroordeelde;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [2006] te Veldhoven, gedurende drie maanden of zoveel korter de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling, te weten Jeugdbescherming Brabant te Helmond, te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo vaak en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en de daaruit voortvloeiende afspraken/aanwijzingen van de jeugdzorgwerker zal volgen;
geeft aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert / de reclassering, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
een werkstrafvoor de duur van
60 urensubsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 (twee) uren per dag;
heft op het tegen de veroordeelde verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
t.a.v. feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.148,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
t.a.v. feit 1:
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.148,00 euro, voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen;
bepaalt dat wanneer de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 19 december 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar pagina’s van processen-verbaal of bijlagen betreffen dit processen-verbaal of bijlagen die zijn gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd OB2R025012, pagina 1 tot en met 232).