ECLI:NL:RBOBR:2025:8330

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
01/065258-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gewapende overval op winkel met bedreiging en geweld

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij een gewapende overval op een winkel in Waalre. De overval vond plaats op 21 januari 2025, waarbij de verdachte samen met een mededader onder bedreiging van een vuurwapen en een mes medewerkers van de winkel heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van ongeveer 376 euro. De verdachte heeft tijdens de rechtszitting op 5 december 2025 een bekennende verklaring afgelegd en heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig was en dat er geen gronden waren voor schorsing van de vervolging. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 381 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij, die de kosten voor trauma-opvang en het kasverschil vorderde. De rechtbank heeft de bijzondere voorwaarden voor de voorwaardelijke straf vastgesteld, waaronder begeleiding door de jeugdreclassering en meewerken aan diagnostiek en behandeling. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging genomen bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01-065258-25
Datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2006] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 oktober 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Waalre tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 376 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(n), door
- met bedekt(e) gezicht(en) die [slachtoffer 3] binnen te gaan en/of
- naar de kassa van die [slachtoffer 3] te lopen en/of
- (vervolgens) dreigend en/of dwingend tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te zeggen: “ik eis geld” en/of “ik wil geld” en/of “geef me geld”, althans woorden van gelijke dreigende en/of dwingende aard en/of strekking en/of
- (daarbij) een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] voor te houden en/of te tonen en/of
- een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] voor te houden en/of te tonen.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag

Inleiding
Op dinsdag 21 januari 2025 omstreeks 18.00 uur, heeft zich een gewapende overval voorgedaan bij [slachtoffer 3] te [adres 2] in Waalre. Bij deze overval zijn medewerkers van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door twee personen onder bedreiging van een (vuur)wapen en een mes gedwongen tot afgifte van een geldbedrag uit de kassalade.
De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en heeft verklaard dat hij degene was die het vuurwapen vasthield.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank zal met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 december 2025;
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 21 januari 2025 (p. 81 t/m 82);
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , opgemaakt op 21 januari 2025 (p. 86 t/m 87);
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 januari 2025 (p. 134);
Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 3] Waalre), opgemaakt op 5 februari 2025 (p. 143 t/m 144 en bijbehorende fotobijlagen op p. 146 t/m 148);
Het proces-verbaal onderzoek wapen en munitie, opgemaakt op 14 maart 2025 (p. 154 t/m 155).

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte:
op 21 januari 2025 te Waalre tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 376 euro), dat aan [slachtoffer 3] toebehoorde, door
- die [slachtoffer 3] binnen te gaan en
- naar de kassa van die [slachtoffer 3] te lopen en
- (vervolgens) dwingend tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te zeggen: “geef me geld”, althans woorden van gelijke dwingende aard en/of strekking, en
- (daarbij) een pistool aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te tonen en
- een mes aan die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te tonen.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen en maatregel.

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 381 dagen, waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het reclasseringsrapport van 11 november 2025. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd om aan de bijzondere voorwaarden toe te voegen dat de verdachte verplicht dient mee te werken aan diagnostiek en om te verduidelijken dat verdachte zich – naar inzicht van de reclassering – moet laten helpen bij zijn financiële situatie door middel van een budgetcoach of bewindvoering.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de eis van de officier van justitie te volgen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een gewapende overval. Bij deze overval zijn twee medewerkers van [slachtoffer 3] onder bedreiging van een vuurwapen en een mes gedwongen tot afgifte van een geldbedrag uit de kassalade. Vast staat dat dergelijke feiten een forse inbreuk op de gevoelens van veiligheid bij de slachtoffers maken. Dat de gebeurtenis bedreigend en traumatiserend is geweest voor de slachtoffers, blijkt ook uit de vordering van [slachtoffer 3] voor traumaopvang van haar werknemers. Hierbij heeft de verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld te komen. Bovendien heeft de verdachte financiële schade voor de winkel veroorzaakt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 oktober 2025. Daaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Bij de strafmaatbepaling heeft de rechtbank verder acht geslagen op een de verdachte betreffend adviesrapport van Reclassering Nederland van 11 november 2025, waaruit blijkt dat de reclassering het risico op recidive inschat als hoog wanneer er geen sprake zou zijn van reclasseringsinterventies. Er is een lange tijd geen sprake geweest van een gezonde daginvulling. De verdachte bewoonde op zeventien jarige leeftijd een kraakpand, waarbij hij werd omgeven door drugsgebruikers en zijn middelengebruik problematiseerde. Daarnaast kampte hij met een gebrek aan toekomstperspectief en een laag zelfbeeld. Binnen het schorsingstoezicht is de verdachte aangemeld voor de begeleide woonvorm Samen Verder, wordt hij ondersteund door Stichting Jeugdcoach en werkt hij bij de Ergon. De interventies binnen het huidige schorsingstoezicht krijgen steeds meer vorm en de reclassering zou dit graag willen continueren, gezien de ondersteuningsbehoefte van de verdachte. Bovenop de interventies die gericht zijn op huisvesting en dagbesteding zal middels ambulante behandeling en begeleiding meer zicht moeten worden verkregen op de draagkracht en zelfredzaamheid van de verdachte. De verdachte is gemotiveerd tot gedragsverandering en hulpverlening, maar gezien de wisselende motivatie en inzet voor dagbesteding zijn er binnen het huidige schorsingstoezicht weinig uitbreidingsmogelijkheden geweest ten aanzien van de elektronische monitoring. De reclassering adviseert om de elektronische monitoring te continueren, zodat de vrijheden stapsgewijs kunnen worden uitgebreid en de verdachte daarmee kan oefenen.
Voor wat betreft de straf wijst de reclassering erop dat de verdachte ingeval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf – ondanks zijn jeugdige leeftijd – geplaatst zal worden in een penitentiare inrichting, en niet in een justitiële jeugdinrichting, waardoor de kans dat hij op een negatieve manier wordt beïnvloed groot is, hetgeen als een zwaarwegende negatieve consequentie wordt gezien. Daar komt bij dat het huidige hulpverleningstraject hiermee zal worden doorkruist. De reclassering adviseert dan ook bij een veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijk opvang, locatiegebod (met elektronische monitoring), dagbesteding, meewerken aan middelencontrole en bewindvoering. Ten slotte adviseert de reclassering om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat er geen doorslaggevende redenen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het toezicht van de jeugdreclassering kan ook bij toepassing van het volwassenenstrafrecht worden voortgezet.
Ter terechtzitting heeft de toezichthouder van de jeugdreclassering aangegeven dat het goed is om het meewerken aan diagnostiek aan de bijzondere voorwaarden toe te voegen. Ook de voorwaarde rond het meewerken aan financiële hulpverlening kan worden gespecificeerd, zoals hierboven bij de eis van de officier van justitie is weergegeven.
De strafoplegging
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten dienen als algemeen vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor een overval op een winkel met licht geweld of bedreiging gaan de oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, waarbij de rechtbank in strafverzwarende zin meeweegt dat de verdachte de overval in vereniging heeft gepleegd en hierbij gebruik is gemaakt van wapens.
De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de relatief jonge leeftijd van de verdachte, zijn proceshouding en de huidige (positieve) ontwikkelingen sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkelingen doorkruisen. Tegen dit licht acht de rechtbank het passend om een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, enerzijds om de verdachte ervan te weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen en anderzijds als stok achter de deur voor de nakoming van de daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden, zoals door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank acht een proeftijd van 3 jaren noodzakelijk.
De rechtbank is echter van oordeel dat een (vrijwel) gehele voorwaardelijke gevangenisstraf geen recht doet aan de ernst van het feit. Om die reden zal de rechtbank tevens een taakstraf van maximale duur opleggen.
Gezien al het voorgaande zal de rechtbank een straf opleggen conform de eis van de officier van justitie. Deze straf doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van het feit, maar ook aan de persoon van de verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Zij vordert vergoeding van de volgende schade:
  • Kosten voor trauma-opvang van de betrokken medewerkers ad € 1.920,-;
  • Kasverschil ad € 376,-.
[slachtoffer 3] vordert dat verdachte hoofdelijk (met zijn medeverdachte) tot betaling wordt veroordeeld en dat het toe te wijzen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde kasverschil en tot afwijzing van de gevorderde kosten voor trauma-opvang, omdat daarvoor geen grondslag bestaat. De officier heeft voorts geconcludeerd dat de gevorderde hoofdelijkheid moet worden afgewezen, omdat er een zwaarwegend belang is dat medeverdachte niet met de verdachte in contact hoeft te treden. Toewijzing van de gevorderde hoofdelijkheid zou het aan de medeverdachte opgelegde contactverbod doorkruisen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. Bovendien is de schade met betrekking tot de nazorg onvoldoende onderbouwd.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de beide gevorderde schadeposten toewijsbaar zijn. Het gevorderde kasverschil is niet betwist. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor de trauma-opvang van de betrokken medewerkers overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 3] zich als goed werkgever redelijkerwijs verplicht kon achten om trauma-opvang te organiseren voor haar medewerkers (art. 7:611 en 7:658 lid 2 BW). Die verplichting zou op [slachtoffer 3] niet zijn komen te rusten als het strafbare feit achterwege was gebleven. De daardoor voor [slachtoffer 3] ontstane kosten voldoen daarmee aan het wettelijke schadebegrip (art. 6:96 lid 1 BW: “geleden verlies of gederfde winst”). Bovendien zijn deze kosten aan te merken als voor vergoeding in aanmerking komende redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade (art. 6:96 lid 2 BW) ten gevolge van de nadelige gevolgen van de overval voor de medewerkers en daarmee ook voor [slachtoffer 3] als werkgever.
De rechtbank zal, in navolging van het standpunt van de officier van justitie, niet overgaan tot hoofdelijke veroordeling van verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het totale bedrag. Bij vonnis van heden wordt de medeverdachte eveneens veroordeeld tot betaling van de helft van de schadevergoeding.
Ten aanzien van verdachte is daarom € 1.148,- van het gevorderde toewijsbaar.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Samenloop veroordeling/maatregel
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 77c, 77aa, 317 Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde het misdrijf oplevert:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen en maatregel;
een gevangenisstrafvoor de duur van
381 dagenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan
365 dagen voorwaardelijken een proeftijd van
3 jaren
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
en stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;
- meewerkt aan diagnostiek en behandeling door GGzE of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering; de behandeling start, vanwege de draagkracht van de veroordeelde en optimale werking van behandeling, wanneer de reclassering vindt dat er voldoende stabiliteit is bereikt op de praktische leefgebieden; de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- verblijft bij Samen Verder of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering; het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt; de veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • wordt geboden zich gedurende de periode van het toezicht te bevinden op Offenbachlaan 49, 5654 RA, Eindhoven; daarbij heeft hij een aaneengesloten blok van 12 resp. 15 uur ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling), zoals met de Gecertificeerde Instelling/Reclassering wordt afgesproken; als de RvdK/Gecertificeerde Instelling/Reclassering het noodzakelijk acht om voor een doelmatige uitvoering van het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden de periode, tijd of locatie aan te passen dan zal zij hierover overleggen met de opdrachtgever; een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft; het locatiegebod zal worden gecontroleerd door middel van een elektronisch monitoringmiddel en veroordeelde zal daaraan meewerken; een en ander geldt zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
- meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen, zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht; de reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle;
- meewerkt aan schuldhulpverlening, bewindvoering of zich laten helpen bij zijn financiële situatie door middel van een budgetcoach, indien de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan William Schrikker Stichting, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert / de reclassering, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

heft op het tegen de veroordeelde verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
t.a.v. feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.148,00 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
t.a.v. feit 1:
Schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 1.148,00 euro, voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 21 dagen;
bepaalt dat toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat wanneer de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. Ringeling, griffier,
en is uitgesproken op 19 december 2025.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar pagina’s van processen-verbaal of bijlagen betreffen dit processen-verbaal of bijlagen die zijn gevoegd bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd OB2R025012, pagina 1 tot en met 232).