ECLI:NL:RBOBR:2025:8495

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
11941402 CV EXPL 25-6143
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over notariële huurkoopakte en schorsing tenuitvoerlegging kort geding vonnis

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een executiegeschil, heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 24 december 2025 uitspraak gedaan. Eiser, die in een eerdere bodemprocedure en kort geding was veroordeeld tot medewerking aan de notariële levering van een appartement aan gedaagde, verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025. Eiser stelde dat de tenuitvoerlegging moest worden geschorst zolang de notariële huurkoopakte niet was verleden en de volledige marktwaarde niet was vastgesteld en voldaan. De kantonrechter oordeelde dat er geen misbruik van bevoegdheid was en dat er geen kennelijke juridische of feitelijke misslag was in het eerdere vonnis. Eiser werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten aan gedaagde. De kantonrechter benadrukte dat de vorderingen van eiser ongegrond waren en dat hij misbruik maakte van procesrecht door onjuiste feiten en stellingen naar voren te brengen. De uitspraak bevestigde de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten tussen partijen, ondanks het ontbreken van een notariële akte van huurkoop. De kantonrechter wees ook op de rol van AI in de processtukken van eiser, wat bijdroeg aan de beslissing om de proceskosten volledig voor rekening van eiser te stellen.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11941402 \ CV EXPL 25-6143
Vonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

2.
[eiser 2],
beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonend in [woonplaats] ( [land] ),
2.
[gedaagde 2],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. E.C.M. Braun.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 november 2025 met 8 producties;
- het incidentele verzoek tot voorlopige schorsing van de executie van 12 november 2025 met 3 producties;
- het bericht van [eisers] van 12 november 2025 met productie 9;
- het bericht van [eisers] van 15 november 2025 met een aanvullende productie;
- de akte van [gedaagden] van 8 december 2025 met productie 1;
- het bericht van [eisers] van 8 december 2025;
- de mondelinge behandeling van 10 december 2025, die de heer [eiser 1] mede namens mevrouw [eiser 2] heeft bijgewoond via een Teamsverbinding en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen (pleitnota) van [eisers] ;
- de spreekaantekeningen van (de gemachtigde van) [gedaagden] .
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
2. De zaak in het kort
2.1.
Partijen hebben een geschil over de notariële levering van een appartement in het [land] . In een eerdere procedure bij deze rechtbank heeft de kantonrechter in een bodemprocedure vastgesteld dat de afspraken tussen [eisers] en [gedaagden] over dit appartement moeten worden gekwalificeerd als huurkoop. [eisers] is bij vonnis veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de levering van het appartement aan [gedaagden] , ten overstaan van een notaris in [land] .
Bij vonnis van 22 oktober 2025 is [eisers] in kort geding opnieuw veroordeeld om alle medewerking te verlenen aan de notariële levering. Hij moet daarbij alle bescheiden en informatie verstrekken en documenten ondertekenen die nodig zijn om de levering van het appartement te kunnen voltooien.
2.2.
[eisers] wil dat [gedaagden] de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 staakt, zolang de notariële huurkoopakte niet is verleden en de volledige marktwaarde niet is vastgesteld en voldaan. [gedaagden] is het hier niet mee eens.
2.3.
[eisers] krijgt ongelijk in deze zaak. Zijn vorderingen worden afgewezen en hij wordt veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten aan de kant van [gedaagden] .

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het volgende:
schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025, zolang niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:114 in combinatie met artikel 7:300 BW;
te bepalen dat de levering pas mag plaatsvinden nadat de notariële huurkoopakte naar Nederlands recht is verleden en de volledige marktwaarde is vastgesteld en voldaan;
[gedaagden] te verbieden verdere executiemaatregelen te nemen tot dat moment, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;
veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
3.2.
[eisers] legt aan deze vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Als hij uitvoering zou geven aan het vonnis van 22 oktober 2025 door medewerking te verlenen aan de notariële levering van het appartement, dan vindt de eigendomsoverdracht van het appartement plaats zonder geldige huurkoopakte. Dat leidt, aldus [eisers] , tot een schending van dwingend Nederlands recht, zodat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 moet worden geschorst. [eisers] onderbouwt de noodzaak tot schorsing van het vonnis van 22 oktober 2025 verder met de stelling dat dit vonnis op onjuiste en onvolledige gronden tot stand is gekomen en inhoudelijk afwijkt van en onverenigbaar is met de beslissing van de kantonrechter van 1 mei 2025.
3.3.
[gedaagden] voert gemotiveerd verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de volledige kosten van de procedure.
3.4.
Op dat wat partijen ter onderbouwing van hun standpunt (verder) naar voren hebben gebracht wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
4. De beoordeling
Internationale aspecten: bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht
4.1.
Deze zaak heeft internationale aspecten, want de discussie tussen partijen gaat over de notariële levering van een appartement in [land] en de heer [gedaagden] woont in [land] . [land] is geen lid van de Europese Unie. Het gaat in deze zaak om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de Nederlandse rechter. Op grond van artikel 10 in samenhang met artikel 438 lid 1, tweede volzin en artikel 438 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering acht de kantonrechter zich bevoegd om daarover (naar Nederlands recht) te oordelen.
Spoedeisendheid
4.2.
Het spoedeisend belang van [eisers] vloeit voort uit de aard van de ingestelde vorderingen. Zijn vorderingen zijn namelijk gericht op het voorkomen van de tenuitvoerlegging van een vonnis waarin onder meer de veroordeling tot het verlenen van alle medewerking aan de notariële levering van het appartement op straffe van een dwangsom, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Wat voorafging
4.3.
[eisers] en [gedaagden] hebben op 6 maart 2019 twee overeenkomsten gesloten. Overeenkomst I houdt in dat [eisers] de woonruimte met berging en parkeerplaats aan de [adres 1] in [plaats] , [land] (hierna: het appartement) verhuurt aan [gedaagden] . Overeenkomst II houdt in dat [eisers] het appartementsrecht met betrekking tot het appartement verkoopt aan [gedaagden] tegen een koopsom van € 350.000,00.
4.4.
In 2024 is [gedaagden] een gerechtelijke procedure bij de kantonrechter van deze rechtbank gestart tegen [eisers] (zaaknummer: 11287946 / CV EXPL 24-4791). [gedaagden] wilde, kort gezegd, bewerkstelligen dat [eisers] zijn contractuele verplichting tot levering van het appartement ten overstaan van een specifieke notaris in [land] zou nakomen.
4.5.
Op 1 mei 2025 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in die zaak. In dit vonnis (hierna: het vonnis van 1 mei 2025) is voor recht verklaard dat de overeenkomsten I en II van 6 maart 2019 rechtsgeldig zijn overeengekomen. Verder is [eisers] onder meer veroordeeld over te gaan tot nakoming van overeenkomst II, waarbij [eisers] op eerste verzoek van [gedaagden] moest verschijnen ten kantore van de transporterende notaris te [land] [1] , op een door [gedaagden] aangegeven datum en tijdstip, om zijn medewerking te verlenen aan de notariële levering van het appartement.
4.6.
Ook heeft de kantonrechter bepaald dat dit vonnis in de plaats komt van de ontbrekende instemmende wilsverklaring van [eisers] in de notariële leveringsakte, als [eisers] niet op eerste verzoek zou voldoen aan de hiervoor beschreven veroordeling tot het verlenen van medewerking aan de notariële levering van het appartement. De veroordelingen in het vonnis van 1 mei 2025 zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen het vonnis zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, zodat het inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan.
4.7.
Bij het inplannen van een afspraak voor de notariële levering van het appartement bleek dat de transporterende notaris in [land] daarvoor door [eisers] ingevulde formulieren en te overleggen documenten nodig had. Omdat [eisers] de formulieren niet invulde, is [gedaagden] een kort geding gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. [eisers] heeft in die procedure onder meer naar voren gebracht dat en waarom hij niet kan meewerken aan de notariële levering van het appartement.
4.8.
Op 22 oktober 2025 heeft de kantonrechter vonnis gewezen in dit kort geding (zaaknummer: 11868965 CV EXPL 25-4890). Het dictum luidt als volgt: |
Maatstaf voor schorsing van tenuitvoerlegging van onherroepelijk geworden vonnis
4.9.
De vordering van [eisers] tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft betrekking op het vonnis van 22 oktober 2025. Tegen die uitspraak heeft [eisers] geen hoger beroep ingesteld en staat geen hoger beroep meer open. De veroordelingen waarvan de tenuitvoerlegging in deze zaak ter discussie staan, zijn daardoor definitief. [2]
4.10.
Het gevolg hiervan is dat de door [eisers] in dit kort geding gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging alleen kan worden uitgesproken als, kort gezegd, de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW zou opleveren. [3]
De tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 kan slechts worden geschorst als de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagden] , de partij die het vonnis wil uitvoeren (de executant), geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Daarbij moet ook worden gelet op de belangen van [eisers] , de partij tegen wie het vonnis ten uitvoer wordt gelegd (de geëxecuteerde), die door de executie zullen worden geschaad. Van zo’n situatie kan sprake zijn als het ten uitvoer te leggen vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag of als de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de kant van [eisers] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter maakt [gedaagden] in deze zaak geen misbruik van zijn bevoegdheid over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025. De slotsom is dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 wordt afgewezen. Hierna legt de kantonrechter uit waarom het gelijk in deze zaak bij [gedaagden] ligt.
Geen kennelijke juridische of feitelijke misslag
4.12.
[eisers] stelt in de eerste plaats dat het vonnis van 22 oktober 2025 berust op een kennelijke juridische misslag. Volgens hem is het juridisch onjuist dat hij – op grond van dit veroordelende vonnis – medewerking moet verlenen aan de notariële levering van het appartement terwijl niet is voldaan aan een van de vereisten die de Nederlandse wet stelt aan overeenkomsten van huurkoop. [eisers] betoogt dat eerst een notariële akte van huurkoop moet worden verleden, voordat hij medewerking kan verlenen aan de notariële levering van het appartement en dus voordat hij uitvoering kan geven aan het vonnis. Daarnaast heeft [eisers] gesteld dat hij de overeenkomst van huurkoop buitengerechtelijk heeft vernietigd, bij e-mail van 17 mei 2024 en later ook in de conclusie van antwoord van 28 juni 2024. [4]
4.13.
[gedaagden] betwist dat sprake is van juridische of feitelijke misslag. Hij wijst erop dat de overeenkomst van huurkoop niet nietig is, dat [eisers] verzuimt om een Nederlandse notaris in te schakelen voor het omzetten van de onderhandse huurkoopakte naar een notariële akte en dat het omzetten naar een notariële akte voor partijen geen extra onderhandelingsmoment oplevert en niet betekent dat de koopsom wijzigt. [gedaagden] heeft verder naar voren gebracht dat er geen bevoegdheid is voor vernietiging van de overeenkomst van huurkoop, omdat die bevoegdheid pas ontstaat als geen medewerking wordt verleend aan het opstellen van de notariële huurkoopakte en hij steeds wel bereid is geweest om zijn medewerking daaraan te verlenen. [gedaagden] betoogt dat hij redelijkerwijs kan overgaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025.
4.14.
Duidelijk is dat [eisers] het niet eens is met het vonnis van de kantonrechter van 22 oktober 2025. Onvrede met de uitkomst van de procedure betekent echter niet dat sprake is van een kennelijke misslag.
4.15.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken van een kennelijke juridische of feitelijke misslag. De veroordeling van [eisers] tot het verlenen van alle medewerking aan de notariële levering van het appartement is namelijk niet in strijd met het Nederlandse recht. Het is juist dat een overeenkomst van huurkoop bij notariële akte moet worden aangegaan als het om woonruimte gaat (artikel 7:114 lid 1 BW). Toch heeft de kantonrechter al bij vonnis van 1 mei 2025 onherroepelijk geoordeeld dat het ontbreken van die notariële akte slechts tot gevolg heeft dat de overeenkomst van huurkoop vernietigbaar is (artikel 7:114 lid 3 BW). Dit betekent dat de tussen [eisers] en [gedaagden] gesloten overeenkomst van huurkoop in principe geldig is, ook als de notariële akte van huurkoop (nog) ontbreekt.
4.16.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de kantonrechter [eisers] niet volgen in zijn stelling dat het vonnis van 22 oktober 2025 ten onrechte inhoudelijk afwijkt van het vonnis van 1 mei 2025. Anders dan [eisers] kennelijk meent, volgt niet uit het dictum en ook niet uit de beoordeling in het vonnis van 1 mei 2025 dat partijen – voordat zij kunnen overgaan tot levering van het appartement – een notariële akte van huurkoop moeten passeren. Van belang is dat de notariële akte die nodig is voor de levering van het appartement moet worden onderscheiden van de notariële akte waarin de overeenkomst(en) tot huurkoop moet(en) worden vastgelegd. Daar komt bij dat partijen weliswaar op grond van de wet een notariële akte van huurkoop zouden moeten opstellen, maar dat het ontbreken daarvan niet maakt dat levering van het appartement op grond van de overeenkomst van huurkoop ongeldig zou zijn.
4.17.
Ook het argument van [eisers] dat het vonnis van 22 oktober 2025 op onjuiste en onvolledige gronden tot stand is gekomen gaat niet op. Uit de derde volzin van artikel 7:114 lid 3 BW volgt namelijk dat [eisers] als huurverkoper slechts tot vernietiging van de overeenkomst van huurkoop kan overgaan, nadat hij aan [gedaagden] als huurkoper een redelijke termijn heeft gesteld om aan de notariële akte mee te werken en huurkoper [gedaagden] die termijn ongebruikt heeft laten verstrijken. Van een dergelijke situatie is geen sprake. Met de e-mail van 17 mei 2024 heeft [eisers] schriftelijk aan [gedaagden] laten weten dat hij de nietigheid van de overeenkomst van huurkoop inroept, omdat geen notariële akte van huurkoop is opgemaakt. Dit bericht heeft – gelet op de in artikel 7:114 lid 3 BW geformuleerde voorwaarde voor vernietiging door de huurverkoper – dan ook niet tot gevolg dat de overeenkomst van huurkoop door [eisers] is vernietigd. Daarmee kan in het midden blijven of de e-mail van 17 mei 2024 al dan niet onderdeel heeft uitgemaakt van de processtukken in het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 22 oktober 2025 en in hoeverre dit een of beide partijen kan worden aangerekend.
4.18.
Verder is gesteld noch gebleken dat [eisers] aan [gedaagden] een redelijke termijn heeft gesteld en dat [gedaagden] heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen en passeren van een notariële huurkoopakte. Dat partijen kennelijk niet verder zijn gekomen dan de schriftelijke toezegging namens [gedaagden] op 20 mei 2025 om te zullen meewerken aan het opmaken van een Nederlandse notariële huurkoopakte maakt niet dat [gedaagden] een redelijke termijn voor het meewerken aan de notariële akte ongebruikt heeft laten verstrijken.
Geen noodtoestand
4.19.
Van een noodtoestand waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 niet kan worden aanvaard is niet gebleken. [eisers] heeft namelijk geen feiten of omstandigheden gesteld die zouden maken dat de tenuitvoerlegging aan zijn kant een dergelijke noodtoestand doet ontstaan.
Overige omstandigheden
4.20.
Ook in andere gevallen dan een kennelijke misslag of een noodtoestand kan sprake zijn van een situatie waarin de partij die bevoegd is een uitspraak ten uitvoer te leggen naar redelijkheid niet tot de uitoefening kan komen. Dat kan het geval zijn als sprake is van een onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging en het belang dat daardoor wordt geschaad. [5] De kantonrechter gaat hierna in op overige omstandigheden die [eisers] naar voren heeft gebracht in deze procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging.

Over de titel voor levering van het appartement
4.21.
Volgens [eisers] maakt [gedaagden] misbruik van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025. Dit misbruik is, aldus [eisers] , gelegen in het feit dat [eisers] niet tot notariële levering van het appartement kan overgaan, omdat er geen geldige titel voor die levering is. Met deze redenering laat [eisers] ten onrechte buiten beschouwing dat de rechtsgeldige overeenkomsten I en II van 6 maart 2019 de titel voor de notariële levering van het appartement vormen. Zoals hiervoor onder 4.16 is overwogen, is de overeenkomst van huurkoop namelijk in principe geldig, ondanks het ontbreken van een notariële akte van huurkoop van huurkoop. Het voorgaande brengt met zich mee dat niet valt in te zien hoe de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 onrechtmatig zou zijn jegens [eisers] of zou leiden tot misbruik van bevoegdheid door [gedaagden] .

Over de financiering van de koopsom
4.22.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers] naar voren gebracht dat [gedaagden] het appartement in gebruik heeft en dat het verlenen van medewerking aan de notariële levering van het appartement ertoe leidt dat [gedaagden] ook eigenaar wordt van het appartement, zonder dat [gedaagden] de volledige koopsom heeft voldaan, althans zonder dat [eisers] optreedt als financier van de koopsom voor [gedaagden] .
4.23.
Dat de koopsom van het appartement niet volledig is betaald maakt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 leidt tot een noodtoestand aan de kant van [eisers] of dat [gedaagden] misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dit vonnis. Ook weegt het belang van [gedaagden] bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging zwaarder dan het belang van [eisers] bij schorsing van de tenuitvoerlegging. De beslissingen, waaronder de veroordeling van [eisers] tot het verlenen van zijn medewerking aan de notariële levering van het appartement, zijn namelijk definitief. Dat komt omdat [eisers] geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 1 mei 2025 en daartegen ook geen hoger beroep meer open staat. Daar komt bij dat [eisers] in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 1 mei 2025 een beroep heeft gedaan op ontbinding van de tussen [eisers] en [gedaagden] gemaakte afspraak over de financiering van de koopsom door [eisers] aan [gedaagden] . De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit beroep slaagt. [6] Een gevolg daarvan is dat [eisers] geen hypothecaire lening hoeft te verstrekken aan [gedaagden] en dat [gedaagden] de financiering van de koopsom op andere wijze moet regelen, met alle financiële gevolgen van dien voor beide partijen.
4.24.
Dat wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.
[eisers] moet de volledige proceskosten aan de kant van [gedaagden] betalen
4.25.
[eisers] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. In deze zaak is sprake van buitengewone omstandigheden die maken dat [eisers] wordt veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten van [gedaagden] . De kantonrechter licht dit oordeel toe.
4.26.
Uitgangspunt is dat een veroordeling tot vergoeding van de volledige proceskosten alleen in buitengewone omstandigheden denkbaar is, bijvoorbeeld in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling tot vergoeding van de volledige proceskosten past terughoudend. Dat heeft te maken met het recht op toegang tot de rechter dat mede door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt gewaarborgd. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten) is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van partijen achterwege had behoren te blijven. [7]
4.27.
Hoewel [eisers] een recht op toegang tot de rechter heeft en dus ook een recht om te procederen, maakt hij naar het oordeel van de kantonrechter in deze zaak misbruik van zijn procesrecht.
4.28.
Van belang is dat [eisers] zijn stellingen en vorderingen in deze procedure baseert op feiten waarvan hij wist, althans had moeten en kunnen weten, dat die onjuist zijn. [eisers] gaat er namelijk ten onrechte vanuit dat de kantonrechter in het vonnis van 1 mei 2025 zou hebben geoordeeld dat i) de overeenkomst van huurkoop nietig is en ii) het opstellen van een notariële akte van huurkoop vereist is alvorens overgegaan kan worden tot levering van het appartement. Zoals hiervoor onder 4.16 en 4.17 is overwogen, blijken deze feiten niet uit de overwegingen of de beslissingen in het vonnis van 1 mei 2025. Ook anderszins geeft dit vonnis, mede in het licht van de discussie tussen partijen en de beslissingen daaromtrent, geen aanleiding om uit te gaan van deze feiten. [eisers] had dus op voorhand moeten begrijpen dat de stellingen die hij op deze feiten baseert, geen kans van slagen hebben. Dit vormt een eerste reden voor het aannemen van misbruik van procesrecht als buitengewone omstandigheid die noopt tot afwijking van het uitgangspunt ten aanzien van de vergoeding van proceskosten.
4.29.
Bovendien neemt [eisers] in deze procedure vrijwel volledig dezelfde standpunten in als die hij heeft ingenomen in de twee eerdere procedures bij de kantonrechter van deze rechtbank waarin op 1 mei 2025 en op 22 oktober 2025 vonnis is gewezen. Daarmee voert [eisers] dezelfde inhoudelijke discussie, waarop al onherroepelijk is beslist, nogmaals. Ook dat levert in de gegeven omstandigheden misbruik van procesrecht op.
4.30.
Tot slot weegt de kantonrechter bij het aannemen van misbruik van procesrecht mee dat [eisers] zijn processtukken naar eigen zeggen heeft opgesteld met behulp van een AI-instrument en, belangrijker nog, dat die processtukken verschillende onbegrijpelijke verwijzingen naar wetsartikelen en juridische onjuistheden bevatten. De kantonrechter wijst in dit kader op de verwijzingen naar de artikelen 11 en 122 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de onjuiste aanname dat een notariële akte van huurkoop de titel voor de eigendomsoverdracht van het appartement vormt, althans dat een geldige titel zou ontbreken vanwege het vormgebrek dat (nog) kleeft aan de overeenkomst van huurkoop. De kantonrechter rekent het [eisers] aan dat hij de door AI geproduceerde stukken niet goed naleest en de juridische relevantie en juistheid ervan niet laat controleren door bijvoorbeeld een raadsman. Aannemelijk is dat het [gedaagden] daardoor extra tijd en moeite heeft gekost om de stellingen van [eisers] te doorgronden en zich hiertegen te verweren. Het geheel overziend draagt ook het zonder meer gebruiken van ondermaatse, door AI geproduceerde processtukken bij aan misbruik van procesrecht.
4.31.
De proceskosten van [gedaagden] worden vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
2.667,81
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.786,81
4.32.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Over het incidentele verzoek tot voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging
4.33.
De kantonrechter wijst het incidentele verzoek tot voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging af bij gebrek aan belang. [eisers] heeft namelijk desgevraagd verklaard dat hij het incidentele verzoek enkel heeft ingediend voor het geval dat een dergelijke ordemaatregel nodig zou zijn. Dat is niet gebleken. Bovendien is hiervoor al geoordeeld over de gelijkluidende vorderingen in het kort geding als hoofdzaak, zodat [eisers] geen belang meer heeft bij toewijzing van het incidentele verzoek.
4.34.
De kosten van de procedure van het incidentele verzoek worden, gelet op de samenhang met de gelijkluidende vorderingen in de hoofdzaak en de in de hoofdzaak toe te wijzen proceskosten, vastgesteld op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter, recht doende in kort geding,
ten aanzien van de hoofdzaak
5.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af;
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de kant van [gedaagden] tot vandaag vastgesteld op € 2.786,81 aan salaris van de gemachtigde en de nakosten, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
ten aanzien van het incidentele verzoek
5.4.
wijst de verzoeken af;
5.5.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de kant van [gedaagden] tot vandaag vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Dat is, zo volgt uit nummer 5.2. van het dictum, [A] , te ( [postcode] ) [stad] aan de [adres 2] .
2.Het vonnis van 22 oktober 2025 heeft kracht van gewijsde; de veroordelingen zijn onherroepelijk.
3.HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575 ( Ritzen/Hoekstra ), r.o.v. 3.2 en HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, r.o.v. 5.7.1 en 5.7.2.
4.In de zaak bij de kantonrechter van deze rechtbank waarin op 1 mei 2025 vonnis is gewezen, zaaknummer 11287946 / CV EXPL 24-4791.
5.HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, r.o.v. 5.7.2.
6.Overweging 4.8 van het vonnis van 1 mei 2025.
7.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828,