In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een executiegeschil, heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 24 december 2025 uitspraak gedaan. Eiser, die in een eerdere bodemprocedure en kort geding was veroordeeld tot medewerking aan de notariële levering van een appartement aan gedaagde, verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025. Eiser stelde dat de tenuitvoerlegging moest worden geschorst zolang de notariële huurkoopakte niet was verleden en de volledige marktwaarde niet was vastgesteld en voldaan. De kantonrechter oordeelde dat er geen misbruik van bevoegdheid was en dat er geen kennelijke juridische of feitelijke misslag was in het eerdere vonnis. Eiser werd in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van de volledige proceskosten aan gedaagde. De kantonrechter benadrukte dat de vorderingen van eiser ongegrond waren en dat hij misbruik maakte van procesrecht door onjuiste feiten en stellingen naar voren te brengen. De uitspraak bevestigde de rechtsgeldigheid van de overeenkomsten tussen partijen, ondanks het ontbreken van een notariële akte van huurkoop. De kantonrechter wees ook op de rol van AI in de processtukken van eiser, wat bijdroeg aan de beslissing om de proceskosten volledig voor rekening van eiser te stellen.