Op 2 september 2025 reed verdachte met hoge snelheid met een auto op het slachtoffer in, waardoor het slachtoffer opzij moest springen om een botsing te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat verdachte opzet had op zwaar lichamelijk letsel, maar niet op doodslag, en sprak hem vrij van poging tot doodslag in dit feit, maar veroordeelde hem voor poging zware mishandeling.
Later die avond bedreigde verdachte het slachtoffer met een vuurwapenachtig voorwerp en stak hem vervolgens met een mes in de onderrug. De rechtbank stelde vast dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer bij het steken, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans op overlijden aanvaardde.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht, gedragsinterventie en begeleid wonen. Daarnaast werd de auto verbeurd verklaard en werden een wapen en patroon aan het verkeer onttrokken. De schadevergoedingsvorderingen van de slachtoffers werden deels toegewezen.
De rechtbank vond dat verdachte zich had laten meeslepen, geen inzicht toonde in zijn gedrag, en dat zijn daden grote maatschappelijke onrust veroorzaakten. Het strafadvies van de reclassering en de persoonlijke omstandigheden van verdachte werden meegewogen bij de strafoplegging.