ECLI:NL:RBOBR:2025:8532

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/01/420297 / KG ZA 25-552
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • T. Zuidema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering van beweegbare camera’s met geluidsopname gericht op perceel van buurman

Eiser en gedaagde zijn buren met spanningen over Halloweenactiviteiten van eiser. Gedaagde plaatste op 31 oktober 2024 camera’s aan voor- en achterkant van zijn woning, deels gericht op het perceel van eiser, met geluidsopname en afstandsbediening. Eiser vordert verwijdering wegens inbreuk op privacy.

Gedaagde stelt dat camera’s zijn geplaatst ter bescherming van zichzelf en zijn eigendommen, en heeft enkele maatregelen getroffen om het zicht op het perceel van eiser te beperken. De voorzieningenrechter oordeelt dat het recht van gedaagde om camera’s te plaatsen niet onbegrensd is en dat camera’s met geluidsopname en beweegbare functies gericht op het perceel van eiser onrechtmatig zijn.

Omdat niet is vastgesteld of gedaagde inmiddels aan de beperkingen voldoet, wordt hij veroordeeld om binnen veertien dagen de beweegbare camera’s met geluidsopnamefaciliteit gericht op het perceel van eiser te verwijderen en verwijderd te houden, onder dreiging van een dwangsom. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om binnen veertien dagen beweegbare camera’s met geluidsopname gericht op het perceel van eiser te verwijderen, onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420297 / KG ZA 25-552
Vonnis in kort geding van 29 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.W. Weehuizen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.J.M. Cliteur.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 3 november 2025 met producties, genummerd 1 tot en met 8;
  • de conclusie van antwoord van mr. Cliteur, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 8 december 2025 met producties, genummerd 1 tot en met 17, waarbij de aangekondigde producties, genummerd 3, 14 en 15, de voorzieningenrechter niet hebben bereikt;
  • de mondelinge behandeling ter zitting van 9 december 2025.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Voor de beoordeling van dit geschil zijn de volgende feiten van belang:
  • [eiser] en [gedaagde] zijn buren die wonen aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] .
  • [eiser] heeft geruime tijd jaarlijks voor zijn woning (en soms ook binnen en in de achtertuin) voor Halloween voor met name kinderen ontvangsten georganiseerd.
  • In 2024 ging dit niet door omdat de gemeente hiervoor geen toestemming gaf.
  • In 2025 heeft [eiser] de festiviteiten rondom Halloween beperkt tot activiteiten in de voortuin van zijn woning.
  • De hiervoor genoemde activiteiten van [eiser] in het kader van Halloween hebben de afgelopen tijd geleid tot spanningen tussen [eiser] en [gedaagde] .
  • [gedaagde] heeft op 31 oktober 2024 camera’s aangebracht aan de voorzijde en achterzijde van zijn bewoonde woning.
  • [eiser] heeft [gedaagde] bij brieven van 18 juli 2025 en 25 augustus 2025 gesommeerd om de camera’s weg te halen omdat hij de aanwezigheid van deze camera’s als een vergaande inbreuk op zijn privacy ervaart.
  • Overleg tussen [eiser] en [gedaagde] (waarbij [gedaagde] enige maatregelen heeft getroffen om [eiser] tegemoet te komen) heeft niet tot een oplossing geleid waarna [eiser] dit kort geding is begonnen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te veroordelen om de door hem aan de voor- en achterkant van zijn woning (op of bij de bovenste verdieping) gemonteerde camera’s met geluidsopnamefaciliteit binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans een door de voorzieningenrechter passend geachte voorziening te treffen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] voert aan dat [gedaagde] tegenover [eiser] onrechtmatig handelt. [gedaagde] heeft een camera aan de voorkant van zijn woning aangebracht die onder meer is gericht op de voordeur van de woning van [eiser] en de aanloop naar die voordeur toe en heeft een camera aan de achterzijde aangebracht die is gericht op de tuin gelegen aan de achterkant van de woning van [eiser] . De camera’s hebben een geluidsopnamefaciliteit en kunnen door middel van een afstandsbediening door [gedaagde] worden gedraaid en aan en uit worden gezet.
Daarmee wenst [gedaagde] [eiser] te intimideren en een onveilig gevoel te bezorgen. Met behulp van de camera’s en de daaraan verbonden geluidsopnamefaciliteit kan [gedaagde] het doen en laten van [eiser] bij zijn voordeur en ook in zijn achtertuin, waarin onder meer een bubbelbad is geplaatst, volledig observeren en beluisteren. Dat geldt ook voor bezoekers van [eiser] , waaronder ook zijn vriendin.
Het later door [gedaagde] aangebrachte houten schotje neemt het zicht van de camera's op het erf (voor- en/of achterkant) van [eiser] niet weg en is ook zodanig geplaatst dat de camera’s daar onderdoor kunnen filmen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , en bij toewijzing van de vordering subsidiair geen dwangsom op te leggen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Verder voert hij aan dat hij niets van doen had met de interventie van de gemeente waardoor de plannen van [eiser] met betrekking tot Halloween geen doorgang meer konden vinden. Niettemin hebben mede door uitlatingen van [eiser] op sociale media ertoe geleid dat teleurgestelde bewonderaars van de plannen van [eiser] zich jegens [gedaagde] onheus hebben gedragen. In de directe nasleep daarvan, aangejaagd door [eiser] zelf, heeft [gedaagde] op 31 oktober 2024 maatregelen moeten nemen om zichzelf en zijn eigendommen te beschermen.
Om een oplossing in dit geschil te bereiken heeft [gedaagde] het zicht en de mogelijkheid tot opnemen van deze door hem aan zijn woning bevestigde camera's afgedekt zodat die niet langer gericht kunnen zijn op de eigendommen en de woning van [eiser] . In een nieuwe inspanning van [gedaagde] om [eiser] tegemoet te komen heeft afgelopen week nog verdere inperking van het bereik van de door [gedaagde] gebruikte camera's plaatsgevonden. Onder meer zijn de schotten uitgebreid en is de mogelijkheid tot het maken van geluidsopnamen geblokkeerd door de daartoe op de camera's dienende opening dicht te kitten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de voorzieningenrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisend belang
4.2.
De vorderingen van [eiser] zijn erop gericht een in zijn ogen onrechtmatige situatie te beëindigen. Hieruit vloeit het spoedeisend belang voort aan de zijde van [eiser] . Dat de camera’s er al enige tijd hangen doet niet af aan het spoedeisend belang van [eiser] temeer omdat hij recentelijk heeft gevraagd om het gebruik van de camera’s te staken.
In hoeverre er daadwerkelijk sprake is van de door [eiser] gestelde onrechtmatige situatie zal hierna bij de inhoudelijke beoordeling aan de orde komen.
Maatstaf gebruik camera’s
4.3.
Vooropgesteld wordt dat het [gedaagde] in beginsel is toegestaan om ter beveiliging van zijn woning camera’s te plaatsen. Dit recht is echter niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan het plaatsen van camera’s onrechtmatig zijn jegens [eiser] . Daarvan kan sprake zijn als door de positie van de camera’s en/of door het maken van geluidsopnamen door die camera’s op ontoelaatbare wijze inbreuk wordt gemaakt op de privacy van [eiser] , zoals hij stelt.
In het algemeen geldt als norm dat iedereen recht heeft op privacy en het recht heeft om “onbespied” te zijn en/of “niet afgeluisterd” te worden in eigen woning en tuin. Een inbreuk op dat recht is in beginsel een onrechtmatige daad. Een rechtvaardigingsgrond kan aan het onrechtmatige karakter in de weg staan. Of zich een rechtvaardigingsgrond voordoet wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en onder afweging van de ernst van de inbreuk enerzijds en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend anderzijds.
Toepassing van deze maatstaf
4.4.
Nu [gedaagde] aanvoert dat de camera’s zijn geplaatst ter bescherming van zichzelf en zijn eigendommen, is er geen rechtvaardigingsgrond om deze ook te richten op de voordeur van de woning van [eiser] en de aanloop naar die voordeur toe en te richten op de achtertuin. Evenmin is er een rechtvaardigingsgrond voor camera’s met een geluidsopnamefaciliteit.
Het belang van [gedaagde] tot bescherming van zijn eigendommen en het waarborgen van zijn gevoel van veiligheid, kan hij immers bereiken door camera’s te plaatsen met een (vast) beeld die alleen zijn gericht op zijn achtertuin en voortuin en waarvan de positie niet - op afstand - gewijzigd kan worden.
4.5.
In dit kort geding heeft de voorzieningenrechter niet kunnen vaststellen of [gedaagde] inmiddels de maatregelen heeft getroffen die aansluiten op de hiervoor onder 4.4. genoemde grenzen. Daarom kan de voorzieningenrechter niet concluderen dat er nu nog sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] tegenover [eiser] .
Om aan partijen in het kader van dit kort geding toch de noodzakelijke duidelijkheid te geven over welk gebruik van camera’s door [gedaagde] is toegestaan, zal de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera’s aan de voor- en achterkant van zijn woning te verwijderen en verwijderd te houden voor zover deze:
- ( op afstand) beweegbaar zijn;
- voorzien zijn van een functionerende geluidsopnamefaciliteit;
- op welke wijze dan ook gericht zijn op het perceel van [eiser] .
Deze veroordeling heeft geen gevolgen voor het geval dat [gedaagde] inmiddels aan de hiervoor genoemde beperkingen aan het gebruik van camera’s heeft voldaan. Daarbij ligt het vervolgens wel op de weg van [gedaagde] na een verzoek daartoe van [eiser] om aan te tonen dat hij inmiddels aan die beperkingen heeft voldaan.
Voor het geval dat [gedaagde] hieraan nog niet volledig heeft voldaan is er reden de voorwaardelijke veroordeling te voorzien van de hierna te noemen dwangsombepaling.
4.6
Met deze uitkomst is er aanleiding om de proceskosten op de hierna te wijzen te compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gelast [gedaagde] , voor het geval dat hij daar inmiddels al niet aan heeft voldaan, om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera’s aan de voor- en achterkant van zijn woning te verwijderen en verwijderd te houden voor zover deze:
- ( op afstand) beweegbaar zijn;
- voorzien zijn van een functionerende geluidsopnamefaciliteit;
- op welke wijze dan ook gericht zijn op het perceel van [eiser] .
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag, een deel van de dag daaronder begrepen, dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1 te voldoen, tot een maximum van € 5.000,00.
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T. Zuidema en in het openbaar uitgesproken op
29 december 2025.