In deze civiele procedure gaat het om een geschil tussen een voormalig vennoot en een vennootschap onder firma over de uitvoering van een uittredingsovereenkomst uit 2020. De eiser vordert betaling van een uitkoopsom en schadevergoeding wegens niet-nakoming door de vennootschap. De gedaagden vorderen in een incident primair onbevoegdverklaring van de Nederlandse rechtbank en subsidiair aanhouding van de zaak vanwege een lopende procedure in België over de vraag of onroerende goederen in België onderdeel uitmaken van de uittredingsovereenkomst.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd is omdat de vennootschap in Nederland is gevestigd en de zaak betrekking heeft op de uittreding uit deze vennootschap. De Belgische procedure betreft een ander onderwerp, namelijk de verdeling van onroerende zaken in België, zodat de litispendentieregeling niet leidt tot onbevoegdverklaring.
Wel is er sprake van samenhang tussen de procedures omdat in beide procedures de vraag speelt of de onroerende zaken in België onderdeel zijn van de uittredingsovereenkomst. Om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, houdt de rechtbank de Nederlandse procedure aan totdat de Belgische rechter hierover heeft beslist.
De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de parkeerrol en verdere beslissingen worden aangehouden.