ECLI:NL:RBOBR:2025:8534

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/01/419001 / HA ZA 25-561
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:10 BWArt. 1:14 BWArt. 12 RvArt. 29 Brussel I-bis VerordeningArt. 30 Brussel I-bis Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding civiele procedure wegens lopende Belgische procedure over uittreding uit vennootschap

In deze civiele procedure gaat het om een geschil tussen een voormalig vennoot en een vennootschap onder firma over de uitvoering van een uittredingsovereenkomst uit 2020. De eiser vordert betaling van een uitkoopsom en schadevergoeding wegens niet-nakoming door de vennootschap. De gedaagden vorderen in een incident primair onbevoegdverklaring van de Nederlandse rechtbank en subsidiair aanhouding van de zaak vanwege een lopende procedure in België over de vraag of onroerende goederen in België onderdeel uitmaken van de uittredingsovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd is omdat de vennootschap in Nederland is gevestigd en de zaak betrekking heeft op de uittreding uit deze vennootschap. De Belgische procedure betreft een ander onderwerp, namelijk de verdeling van onroerende zaken in België, zodat de litispendentieregeling niet leidt tot onbevoegdverklaring.

Wel is er sprake van samenhang tussen de procedures omdat in beide procedures de vraag speelt of de onroerende zaken in België onderdeel zijn van de uittredingsovereenkomst. Om tegenstrijdige uitspraken te voorkomen, houdt de rechtbank de Nederlandse procedure aan totdat de Belgische rechter hierover heeft beslist.

De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar de parkeerrol en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd, wijst de onbevoegdverklaring af en houdt de zaak aan tot de Belgische rechter heeft beslist.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/419001 / HA ZA 25-561
Vonnis in incident van 31 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [eiser] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. M.Y. Elshof,
tegen

1.de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,

te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de vof,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2]
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. A. Kara.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie tot primair onbevoegdverklaring en subsidiair aanhouding
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
Volgens de dagvaarding gaat de hoofdzaak – kort gezegd – om het volgende.
In 1999 is de vof opgericht door de overige partijen, [eiser] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Op 1 juli 2020 hebben partijen een overeenkomst getekend, waarin is afgesproken dat [eiser] zijn kapitaalsdeel in de vof verkoopt aan de vof en dat hij dus uittreed uit de vennootschap (hierna: de uittredingsovereenkomst). De uitkoopsom bedraagt € 500.000,00. € 325.000,00 moet aan [eiser] worden betaald en € 175.000,00 zou worden gereserveerd voor het betalen van belastingaanslagen ten name van [eiser] en zijn echtgenote. [eiser] zou in ruil voor de uitkoopsom zijn belang in de vof overdragen en zijn medewerking verlenen aan het overzetten van de eigendomsrechten van het zakelijk pand. Dat is volgens [eiser] allebei gebeurd. Het deel van de uitkoopsom van € 325.000,00 is echter niet aan [eiser] betaald en hij en zijn echtgenote hebben zelf inmiddels (grotendeels) aan de verplichtingen van de Belastingdienst voldaan. De wederpartij zou niet aan haar verplichtingen hebben voldaan, omdat zij van mening is dat [eiser] niet alleen zijn belang in de vof (en alle activa die tot het vermogen van deze vennootschap behoren) heeft verkocht, maar ook alle met gedaagden (en derden) gedeelde activa. Het gaat dan onder andere om aandelen in onroerende zaken in [plaats 1] en [plaats 2] . Deze zouden ook aan [gedaagden] moeten worden geleverd volgens hen. Daar is [eiser] het niet mee eens. [eiser] vordert daarom betaling van € 325.000,00 en (vervangende) schadevergoeding van € 221.823,00 voor de niet door de wederpartij betaalde belastingen en belastingrente. Daarnaast vordert hij rente, vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en een vergoeding van de proceskosten.
2.2.
[gedaagden] hebben nog geen conclusie van antwoord in de hoofdzaak genomen.
Het geschil in het incident
2.3.
[gedaagden] vorderen in het incident primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen en subsidiair dat de rechtbank de zaak aanhoudt tot dat door de Belgische rechter is beslist.
2.4.
[gedaagden] leggen daaraan het volgende ten grondslag.
In België loopt een procedure over de vraag of de uittredingsovereenkomst ook de onroerende goederen in België omvat. De Belgische rechtbank heeft een verdeling ten overstaan van een notaris bevolen. Tegen dat vonnis is [gedaagden] in hoger beroep gegaan. De mondelinge behandeling van het hoger beroep was bepaald op 18 november 2025. [eiser] had de uitkomst van die procedure af moeten wachten voor het starten van onderhavige procedure. Artikel 12 Rv Pro bepaalt namelijk dat indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling kan aanhouden tot dat daarin door de eerstgenoemde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomende geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. In dit geval is er over hetzelfde onderwerp in België een procedure aanhangig. De beslissing van de Belgische rechter is voor erkenning en, in voorkomend geval, voor ten uitvoerlegging in Nederland vatbaar. De rechtbank moet zich daarom onbevoegd verklaren dan wel de zaak aanhouden tot dat door de Belgische rechter is beslist, aldus [gedaagden]
2.5.
[eiser] voert verweer in het incident.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De inhoudelijke beoordeling
2.7.
In deze procedure is van toepassing de Brussel I-bis Verordening [1] . Daarin is als hoofdregel bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat (artikel 4 Brussel Pro I-bis Verordening). Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past het gerecht zijn intern recht toe (artikel 62 Brussel Pro I-bis Verordening). Het Nederlandse recht zegt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt waar zijn woonstede is (artikel 1:10 lid 1 BW Pro). [gedaagde 4] woont in België. Dat zou betekenen dat wellicht om die reden de Belgische rechter rechtsmacht heeft. Een persoon die een kantoor of filiaal houdt, heeft echter ten aanzien van aangelegenheid die dit kantoor of filiaal betreffen mede daar woonplaats (artikel 1:14 BW Pro). Deze zaak gaat over het uittreden uit een vof die in Nederland is gevestigd. [gedaagde 4] is medevennoot. Dat betekent dat de Nederlandse rechter in beginsel rechtsmacht heeft en bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen.
2.8.
Vervolgens is de vraag of de Nederlandse rechtbank geen rechtsmacht heeft, omdat er sprake is van procedure in België. [gedaagden] beroepen zich op artikel 12 Rv Pro. Hiervoor moet echter ook worden gekeken in de Brussel I-bis Verordening. Daarin is bepaald dat wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatste is aangebracht (in dit geval de Nederlandse rechter), zijn uitspraak aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht (in dit geval de Belgische rechter), vaststaat (artikel 29 lid 1 Brussel Pro I-bis Verordening). Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd (artikel 29 lid 3 Brussel Pro I-bis Verordening).
2.9.
Deze litispendentieregeling vereist onder andere dat de vorderingen hetzelfde onderwerp betreffen. [eiser] voert terecht als verweer aan dat daar in dit geval geen sprake van is. Het ‘onderwerp’ is het doel van de vordering. Om te bepalen of de vorderingen hetzelfde onderwerp betreffen moet uitsluitend rekening worden gehouden met de aanspraken van de eisers in elk van de gedingen en niet met de verweermiddelen - van welke aard ook - die een verweerder eventueel aanvoert. In de onderhavige procedure beoogt [eiser] nakoming van de uittredingsovereenkomst. De procedure in België is door [eiser] en zijn echtgenote gestart om uit een onverdeeldheid te komen met betrekking tot twee onroerende zaken in België. Dat zijn dus verschillende doelen/aanspraken. Alleen al om die reden dient de primaire vordering van [gedaagden] tot onbevoegdverklaring te worden afgewezen.
2.10.
Ten slotte is de vraag of de rechtbank zijn uitspraak dient aan te houden, zoals [gedaagden] subsidiair vordert. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden (artikel 30 lid 1 Brussel Pro I-bis Verordening). Samenhangend zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (artikel 30 lid 3 Brussel Pro I-bis Verordening). Het begrip samenhang moet ruim worden uitgelegd en omvat alle gevallen waarin bij afzonderlijke behandeling en berechting van de vorderingen gevaar bestaat voor tegenstrijdige uitspraken, ook al kunnen de uitspraken afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd en sluiten de rechtsgevolgen ervan elkaar niet uit. Het gevaar van tegenstrijdige uitspraken is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aanwezig. In zowel de Nederlandse en de Belgisch procedure is van belang of de hiervoor bedoelde onroerende zaken in België onderdeel zijn van de uittredingsovereenkomst. Er is daarom voldoende aanleiding om de verdere beoordeling van de onderhavige zaak aan te houden totdat de Belgische rechter over deze punten een (definitieve) beslissing heeft genomen. De rechtbank zal daarom tot aanhouding van de zaak overgaan.
De proceskosten
2.11.
[eiser] heeft in het incident als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat
614,00
(1,00 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
792,00
De verdere procedure in de hoofdzaak
2.12.
De zaak zal worden verwezen naar de parkeerrol. De meest gerede partij kan de zaak weer opbrengen.
2.13.
Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de gevorderde aanhouding van de hoofzaak toe,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde in het incident af,
in de hoofdzaak
3.4.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 1 april 2026,
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken