Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] uit [woonplaats], eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten, het college,
Inleiding
[sectienummer].
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt het besluit van het college om geen omgevingsvergunning eerste fase te verlenen als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) voor het huisvesten van maximaal 94 arbeidsmigranten op het [perceel] (voorheen [perceel]) te [plaats].
- Op 22 januari 2019 heeft [bedrijf] een principeverzoek bij het college ingediend, waarbij is verzocht om medewerking te verlenen aan de wijziging van de bestemming van de gronden aan de [adres] van een intensieve veehouderij naar een locatie voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het plan was om een van de twee bestaande stallen te verbouwen dan wel te herbouwen voor de huisvesting van
100 arbeidsmigranten. De andere stal zou dan kunnen worden gebruikt voor de realisatie van de benodigde parkeervoorziening.
- Op 27 maart 2020 heeft het college medegedeeld dat in principe en onder voorwaarden medewerking wordt verleend aan de plannen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Aangegeven is dat herbouw voor het college de voorkeur heeft boven huisvesting in een voormalige varkensstal. Verder wordt realisatie van een huisvestingsvoorziening enkel mogelijk gemaakt door verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4 van Pro Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
- Op 27 juli 2020 is een conceptaanvraag omgevingsvergunning ingediend, gevolgd door een op 8 december 2021 geheel gewijzigd plan.
- Op 27 juli 2022 heeft het college onder voorwaarden zijn medewerking toegezegd. Daarbij is aangegeven dat vergunningverlening alleen mogelijk is op grond van artikel 2.12,
eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, omdat artikel 4 van Pro Bijlage II van het Bor alleen kan worden toegepast als er sprake is van een hoofdgebouw op het perceel, wat in dit geval niet zo is. Daarnaast is bij het initiatief van eiseres sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zodat toepassing van artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II van het Bor (de zogeheten kruimelgevallenregeling) op grond van het bepaalde in artikel 5, zesde lid, van Bijlage II van het Bor niet mogelijk is.
25 oktober 2023 geaccepteerd.
6 februari 2024 op de aanvraag is beslist en eiseres in de beroepsprocedure kan ingaan op de gevolgde voorbereidingsprocedure en op de vraag of er een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.
27 juli 2022 heeft aangegeven dat de aanvraag niet via de kruimelgevallenregeling kan worden afgehandeld. Hoewel eiseres heeft besloten om die weg te bewandelen, is daarmee niet gezegd dat zij daarmee ook heeft ingestemd. In het verlengde hiervan stelt eiseres dat nu sprake is van een aanvraag die op grond van de kruimelgevallenregeling kon worden vergund, een vvgb niet aan de orde was. Gelet hierop kon de gevraagde omgevingsvergunning niet worden geweigerd wegens de weigering van de gemeenteraad om een vvgb af te geven.
Het college stelt dat geen sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. In dat kader wijst het college erop dat hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor staat er dan aan in de weg dat artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor wordt toegepast voor de verlening van de gewenste omgevingsvergunning.
Ter zitting heeft het college aanvullend gesteld dat eiseres geen omgevingsvergunning heeft gevraagd voor een termijn van ten hoogste tien jaar, zodat reeds hierom geen sprake is van een van rechtswege verleende vergunning.
De rechtbank zal gelet op de standpunten van partijen moeten beoordelen of de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet van rechtswege is verleend. Daarvoor is van belang of de reguliere procedure of de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden.
Indien de omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van
artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo (de aangevraagde activiteit valt binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid) of met toepassing van 2.12., eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. [1]
De rechtbank stelt vast dat bij de in de aanvraag gestelde vraag of het beoogde gebruik tijdelijk van aard is, het vakje ‘nee’ is aangekruist. Ook uit de ruimtelijke onderbouwing van juli 2023, die deel uitmaakt van de aanvraag, volgt niet dat er een tijdelijke omgevingsvergunning is aangevraagd als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor. Zo is het initiatief getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, welke toets niet nodig is indien een tijdelijke omgevingsvergunning wordt aangevraagd met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dan ook niet dat het met ‘nee’ aangekruiste vakje een evidente foutieve vermelding betreft.
Het college dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend en dat is in dit geval een aanvraag omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
Aldus is reeds hierom geen vergunning van rechtswege verleend, ook al staat in het bestreden besluit ten onrechte dat een aanvraag is ingediend voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan. Aan de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject komt de rechtbank daarom niet meer toe.
In het besluit van de raad van 23 januari 2024 tot weigering van de vvgb is aangegeven dat de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat er niet wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter die op grond van artikel 3.108, eerste lid, aanhef en onder b, van het Abm geldt tussen de locatie van de gemelde composthoop en de locatie van de gevraagde huisvestingsvoorziening.
Gelet op artikel 2.20a van de Wabo moet het college een omgevingsvergunning voor een activiteit weigeren, als de raad weigert een voor die activiteit benodigde vvgb af te geven. Op grond van artikel 6.5, tweede lid, van het Bor kan een vvgb alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtmatigheid van het besluit van de raad over de vvgb wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit van het college over de omgevingsvergunning. De raad komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om een vvgb te geven, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
composteringshoop’verstaan
:hoop van groenafval en hulpstoffen, opgezet met als doel dit materiaal te composteren.
De artikelen 3.107 tot en met 3.109 zijn niet van toepassing op het composteren van groenafval, van ten hoogste 3 kubieke meter.
1. Het composteren vindt plaats op ten minste:
a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
(…).
3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
a. de situering van de composteringshoop, of
b. het afdekken van de composteringshoop.
Blijkens de stukken heeft de op 28 juli 2023 ingediende melding, nadien aangevuld, betrekking op het op perceel P82 composteren van eigen groenafval, bestaande uit slootmaaisel van eigen percelen binnen een straal van 2 kilometer en plantaardige afvalstromen van eigen geteelde gewassen. De hoop is groter dan 3 m3 en kleiner dan 600 m3. Het eindproduct dient volgens de ingediende melding ter verbetering van de bodemkwaliteit van het perceel waar dit wordt uitgevoerd.
Niet in geschil is tussen partijen dat de composthoop binnen een afstand van 50 meter van de projectlocatie ligt en dat hier sprake is van een geurgevoelig object, zodat bij realisatie van het projectplan niet wordt voldaan aan artikel 3.108, eerste lid, onder b, van
artikel 3.108 van het Abm.
Ook op 10 januari 2024, 24 januari 2024 en 9 februari 2024 heeft een toezichthouder ter plaatse geconstateerd dat er compost op dit perceel was opgeslagen.
De rechtbank kan zich gezien de feiten en omstandigheden voorstellen dat eiseres het idee heeft dat de mesthoop op deze plek is gemeld om de realisatie van het projectplan te verhinderen. Wat daarvan verder ook zij, het college heeft terecht gesteld dat ten tijde van de weigering om een vvgb te verlenen reeds sprake was van een geaccepteerde melding zodat hiermee rekening diende te worden gehouden, en dat het geen maatwerkvoorschrift kon stellen, zoals een voorschrift dat ertoe strekt om de composthoop op een afstand van
50 meter of meer van de projectlocatie te realiseren. Maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.108, derde lid, van het Abm zijn namelijk alleen mogelijk indien aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde afstandseisen wordt voldaan maar desondanks nog geurhinder wordt ervaren.
Dit betoog slaagt niet.
Dit betoog slaagt.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
30 december 2025.
Informatie over hoger beroep
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)
Besluit omgevingsrecht (Bor) (oud)
Bijlage II Bor
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en