AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering omgevingsvergunning voor huisvesting arbeidsmigranten wegens composthoop nabij locatie
Eiseres verzocht om een omgevingsvergunning eerste fase voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de huisvesting van maximaal 94 arbeidsmigranten op een perceel in Asten. Het college weigerde de vergunning op grond van de weigering van de gemeenteraad om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven, vanwege de aanwezigheid van een composthoop op minder dan 50 meter afstand van het gebouw.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag onder de uitgebreide voorbereidingsprocedure valt en dat de vergunning niet van rechtswege is verleend. De composthoop voldoet niet aan de afstandseisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm), waardoor de gemeenteraad de vvgb terecht heeft geweigerd. Eiseres stelde dat de composthoop geen composthoop in de zin van het Abm is en dat sprake is van misbruik van recht, maar dit werd verworpen omdat de composthoop daadwerkelijk wordt gebruikt en het college geen discretionaire bevoegdheid heeft om de melding te weigeren.
Verder stelde eiseres dat de omgevingsdialoog niet correct was gevoerd, maar de rechtbank vond dat de gemeenteraad onvoldoende had gemotiveerd welke adressen niet waren benaderd en dat er geen bewijs was van een onzorgvuldige dialoog. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege de aanwezigheid van een composthoop binnen 50 meter van de projectlocatie.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1716
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres] uit [woonplaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten, het college,
(gemachtigden: mr. R. Benhadi en mr. D.J.P. Daems).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering om haar een omgevingsvergunning eerste fase te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het huisvesten van maximaal 94 arbeidsmigranten op een perceel aan [adres], kadastraal bekend gemeente Asten-Heusden, [sectieletter], [sectienummer].
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 6 februari 2024 geweigerd.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 10 september 2024 en 15 januari 2025 hebben eiseres respectievelijk het college een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: voor eiseres [naam] en de gemachtigde en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt het besluit van het college om geen omgevingsvergunning eerste fase te verlenen als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) voor het huisvesten van maximaal 94 arbeidsmigranten op het [perceel] (voorheen [perceel]) te [plaats].
Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Vooraf
5. Eiseres exploiteerde op de desbetreffende locatie een varkenshouderij, maar heeft deze bedrijfsactiviteiten inmiddels beëindigd en de twee varkensstallen afgebroken. - Op 22 januari 2019 heeft [bedrijf] een principeverzoek bij het college ingediend, waarbij is verzocht om medewerking te verlenen aan de wijziging van de bestemming van de gronden aan de [adres] van een intensieve veehouderij naar een locatie voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het plan was om een van de twee bestaande stallen te verbouwen dan wel te herbouwen voor de huisvesting van 100 arbeidsmigranten. De andere stal zou dan kunnen worden gebruikt voor de realisatie van de benodigde parkeervoorziening. - Op 27 maart 2020 heeft het college medegedeeld dat in principe en onder voorwaarden medewerking wordt verleend aan de plannen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Aangegeven is dat herbouw voor het college de voorkeur heeft boven huisvesting in een voormalige varkensstal. Verder wordt realisatie van een huisvestingsvoorziening enkel mogelijk gemaakt door verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4 vanPro Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). - Op 27 juli 2020 is een conceptaanvraag omgevingsvergunning ingediend, gevolgd door een op 8 december 2021 geheel gewijzigd plan. - Op 27 juli 2022 heeft het college onder voorwaarden zijn medewerking toegezegd. Daarbij is aangegeven dat vergunningverlening alleen mogelijk is op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo, omdat artikel 4 vanPro Bijlage II van het Bor alleen kan worden toegepast als er sprake is van een hoofdgebouw op het perceel, wat in dit geval niet zo is. Daarnaast is bij het initiatief van eiseres sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, zodat toepassing van artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II van het Bor (de zogeheten kruimelgevallenregeling) op grond van het bepaalde in artikel 5, zesde lid, van Bijlage II van het Bor niet mogelijk is.
- Op 13 oktober 2022 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning eerste fase voor het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten.
- Op 12 juli 2023 heeft de gemeenteraad van Asten een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het plan.
- Op 18 juli 2023 heeft het college een ontwerpbesluit genomen, strekkende tot de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning.
- Op 28 juli 2023 heeft de exploitant van een inrichting aan de [adres] bij het college een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) ingediend voor het plaatsen van een composthoop. Op 17 oktober 2023 zijn aanvullende gegevens bij de melding ingediend, waaruit volgt dat de composthoop wordt gerealiseerd op het perceel P82, dat grenst aan het perceel van eiseres. Het college heeft deze melding op 25 oktober 2023 geaccepteerd.
- Op 23 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Asten geweigerd een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) te verlenen voor de gevraagde omgevingsvergunning wegens de ingediende melding Abm met betrekking tot de composthoop en de wijze waarop de omgevingsdialoog is gevoerd.
- In het bestreden besluit van 6 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning eerste fase voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het huisvesten van maximaal 94 arbeidsmigranten geweigerd wegens de door de gemeenteraad geweigerde vvgb.
- Bij brief van 12 maart 2024 heeft eiseres aan het college medegedeeld dat sprake is van een van rechtswege verleende vergunning als bedoeld in artikel 4:20b van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet tijdig op de aanvraag van 13 oktober 2022 is beslist. Daarbij heeft eiseres het college in gebreke gesteld.
- Bij brief van 2 april 2024 heeft het college de ingebrekestelling afgewezen, omdat op 6 februari 2024 op de aanvraag is beslist en eiseres in de beroepsprocedure kan ingaan op de gevolgde voorbereidingsprocedure en op de vraag of er een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan.
Bespreking beroepsgrondenOmgevingsvergunning van rechtswege? Vvgb nodig?
6. Eiseres stelt dat sprake is van een van rechtswege verleende vergunning, omdat in dit geval de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en de beslistermijn is overschreden, zodat er een vergunning van rechtswege is ontstaan. Weliswaar heeft eiseres zelf verzocht om de uitgebreide voorbereidingsprocedure te volgen, maar dat is een gevolg van het feit dat het college naar aanleiding van een nieuw principeverzoek op 27 juli 2022 heeft aangegeven dat de aanvraag niet via de kruimelgevallenregeling kan worden afgehandeld. Hoewel eiseres heeft besloten om die weg te bewandelen, is daarmee niet gezegd dat zij daarmee ook heeft ingestemd. In het verlengde hiervan stelt eiseres dat nu sprake is van een aanvraag die op grond van de kruimelgevallenregeling kon worden vergund, een vvgb niet aan de orde was. Gelet hierop kon de gevraagde omgevingsvergunning niet worden geweigerd wegens de weigering van de gemeenteraad om een vvgb af te geven.
7. Het college stelt dat geen sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. In dat kader wijst het college erop dat hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor staat er dan aan in de weg dat artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor wordt toegepast voor de verlening van de gewenste omgevingsvergunning. Ter zitting heeft het college aanvullend gesteld dat eiseres geen omgevingsvergunning heeft gevraagd voor een termijn van ten hoogste tien jaar, zodat reeds hierom geen sprake is van een van rechtswege verleende vergunning.
8. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is tussen partijen dat de huisvesting van arbeidsmigranten in strijd is met de ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ter plaatse geldende bestemmingsplannen “Asten Verzamelplan 2021-2”, “Asten Verzamelplan 2019-2”, “Asten Parapluplan Wonen 2019” en “Asten Buitengebied 2016”. De rechtbank zal gelet op de standpunten van partijen moeten beoordelen of de gevraagde omgevingsvergunning al dan niet van rechtswege is verleend. Daarvoor is van belang of de reguliere procedure of de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden.
In artikel 3.7, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat de bepalingen over de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zijn op de voorbereiding van besluiten, tenzij de bepalingen over de uniforme, openbare voorbereidingsprocedure (uitgebreide voorbereidingsprocedure) van toepassing zijn. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is, gelet op artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om een omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin geen vrije keuze, maar dient die voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit. Indien één activiteit van de aanvraag onder de uitgebreide procedure valt, dient voor de overige activiteit(en) ook de uitgebreide procedure te worden gevolgd.
9. Indien de omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo (de aangevraagde activiteit valt binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid) of met toepassing van 2.12., eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. [1]
Indien de aangevraagde activiteit slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo kan worden verleend wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, is op de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. [2] In dat geval is bij overschrijding van de beslistermijn de vergunning niet van rechtswege verleend.
10. De rechtbank stelt vast dat bij de in de aanvraag gestelde vraag of het beoogde gebruik tijdelijk van aard is, het vakje ‘nee’ is aangekruist. Ook uit de ruimtelijke onderbouwing van juli 2023, die deel uitmaakt van de aanvraag, volgt niet dat er een tijdelijke omgevingsvergunning is aangevraagd als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor. Zo is het initiatief getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, welke toets niet nodig is indien een tijdelijke omgevingsvergunning wordt aangevraagd met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dan ook niet dat het met ‘nee’ aangekruiste vakje een evidente foutieve vermelding betreft. Het college dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend en dat is in dit geval een aanvraag omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd. Aldus is reeds hierom geen vergunning van rechtswege verleend, ook al staat in het bestreden besluit ten onrechte dat een aanvraag is ingediend voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan. Aan de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject komt de rechtbank daarom niet meer toe.
11. Nu de aangevraagde activiteit slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo kon worden verleend, heeft het college terecht gesteld dat op grond van artikel 2.27 van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 6.5 van het Bor een vvgb van de gemeenteraad was vereist.
12. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Composthoop
13. Eiseres voert verder aan dat de verklaring van geen bedenkingen niet had mogen worden geweigerd wegens de gemelde composthoop op het [perceel] binnen een afstand van 50 meter van de projectlocatie. Een eerdere aanvraag voor een composthoop is ingetrokken en er is vervolgens gekozen voor een andere locatie om de door eiseres aangevraagde activiteit te frustreren, aldus eiseres. Zij stelt dat er bovendien geen sprake is van een composthoop in de zin van het Abm, omdat in dit geval geen hulpstoffen worden toegevoegd en geen omzetting plaatsvindt. Voorts is het dumpen van een berg groenafval om daarmee af te dwingen dat op grond van het Abm een afstand van 50 meter in acht moet worden genomen, misbruik van recht. In dit verband stelt eiseres voorts dat bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit milieu op grond van art. 2.14, eerste lid, onder 3°, van de Wabo de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen dienen te worden betrokken. Het betreft hier weliswaar een melding op grond van het Abm, maar daarmee is niet gezegd dat het college geen rekening had dienen te houden met het concrete plan van eiseres. De zogenaamde composthoop is er neergelegd toen de ontwerpvergunning ter inzage was gelegd. Als de 50 meter in acht wordt genomen, mag worden verondersteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie van eiseres. In dit geval, waarbij de situatie van eiseres leidend is, dient het project van eiseres leidend te zijn en had de ligging van de composthoop afgestemd moeten worden op de locatie van het projectplan. De belangen van eiseres bij realisatie van het projectplan zijn bij de weigering van de vvgb onvoldoende meegewogen, aldus eiseres.
14. Het college heeft hierover gesteld dat het gebouw waar de arbeidsmigranten zullen worden gehuisvest op ongeveer 19 meter van de composteringshoop ligt. Deze afstand voldoet niet aan de in artikel 3.108 van het Abm vastgelegde afstandseisen. Verlening van een omgevingsvergunning kan beperkingen met zich brengen voor het bedrijf dat de melding op 28 juli 2023 heeft gedaan.
Voor zover eiseres betoogt dat geen sprake zou zijn van een composteringshoop stelt het college, onder verwijzing naar de definitie in artikel 1.1, eerste lid, van het Abm, dat alleen is bepaald dat de hoop groenafval ter plaatse is opgezet met als doel dat dit materiaal wordt gecomposteerd. Niet is gebleken dat dit niet het geval is. Bovendien heeft de toezichthouder op 1 november 2023 tijdens een controle vastgesteld dat de composteringshoop ook daadwerkelijk wordt gebruikt.
Ten aanzien van het betoog dat sprake is van misbruik van recht stelt het college dat uit het betoog van [eiseres] geen objectief verifieerbare gegevens kunnen worden afgeleid die tot de conclusie leiden dat met de melding hiervan sprake is. Door de toezichthouder is vastgesteld dat de composteringshoop ook daadwerkelijk wordt gebruikt.
Het bevoegd gezag heeft geen discretionaire bevoegdheid om een dergelijke melding te weigeren of in te trekken. Bij de beoordeling van de melding kan het ontwerpbesluit voor de gevraagde huisvestingsvoorziening niet worden meegenomen. Gelet hierop bestaat geen mogelijkheid om de ligging van de composteringshoop af te stemmen op de locatie van de aangevraagde activiteit. Er is nadien geen melding ontvangen dat het gemelde gebruik niet meer plaatsvindt.
15. In het besluit van de raad van 23 januari 2024 tot weigering van de vvgb is aangegeven dat de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat er niet wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter die op grond van artikel 3.108, eerste lid, aanhef en onder b, van het Abm geldt tussen de locatie van de gemelde composthoop en de locatie van de gevraagde huisvestingsvoorziening.
16. Gelet op artikel 2.20a van de Wabo moet het college een omgevingsvergunning voor een activiteit weigeren, als de raad weigert een voor die activiteit benodigde vvgb af te geven. Op grond van artikel 6.5, tweede lid, van het Bor kan een vvgb alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening. De rechtmatigheid van het besluit van de raad over de vvgb wordt getoetst in het kader van het beroep tegen het besluit van het college over de omgevingsvergunning. De raad komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om een vvgb te geven, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.
17. In artikel 1.1 van het Abm is bepaald dat onder ‘ composteringshoop’verstaan :hoop van groenafval en hulpstoffen, opgezet met als doel dit materiaal te composteren.
Artikel 3.106, tweede lid, van het Abm luidt: De artikelen 3.107 tot en met 3.109 zijn niet van toepassing op het composteren van groenafval, van ten hoogste 3 kubieke meter.
Artikel 3.108 van het Abm luidt: 1. Het composteren vindt plaats op ten minste: a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat buiten de bebouwde kom is gelegen. (…). 3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan: a. de situering van de composteringshoop, of b. het afdekken van de composteringshoop.
18. Blijkens de stukken heeft de op 28 juli 2023 ingediende melding, nadien aangevuld, betrekking op het op perceel P82 composteren van eigen groenafval, bestaande uit slootmaaisel van eigen percelen binnen een straal van 2 kilometer en plantaardige afvalstromen van eigen geteelde gewassen. De hoop is groter dan 3 m3 en kleiner dan 600 m3. Het eindproduct dient volgens de ingediende melding ter verbetering van de bodemkwaliteit van het perceel waar dit wordt uitgevoerd. Niet in geschil is tussen partijen dat de composthoop binnen een afstand van 50 meter van de projectlocatie ligt en dat hier sprake is van een geurgevoelig object, zodat bij realisatie van het projectplan niet wordt voldaan aan artikel 3.108, eerste lid, onder b, van artikel 3.108 van het Abm.
Het college heeft terecht gesteld dat het een melding niet kan beoordelen op de vraag of deze realistisch is of niet. Een melding wordt enkel beoordeeld op volledigheid en een inhoudelijke toetsing vindt niet plaats. Afgezien daarvan heeft een toezichthouder van de gemeente Asten op 1 november 2023 een controle uitgevoerd, waaruit blijkt dat de composthoop wordt gebruikt. Bij de controle is geconstateerd dat compost afkomstig van de aardappelplant is gestort op het perceel P82. Dat is door eiseres als zodanig ook niet betwist. Ook op 10 januari 2024, 24 januari 2024 en 9 februari 2024 heeft een toezichthouder ter plaatse geconstateerd dat er compost op dit perceel was opgeslagen. De rechtbank kan zich gezien de feiten en omstandigheden voorstellen dat eiseres het idee heeft dat de mesthoop op deze plek is gemeld om de realisatie van het projectplan te verhinderen. Wat daarvan verder ook zij, het college heeft terecht gesteld dat ten tijde van de weigering om een vvgb te verlenen reeds sprake was van een geaccepteerde melding zodat hiermee rekening diende te worden gehouden, en dat het geen maatwerkvoorschrift kon stellen, zoals een voorschrift dat ertoe strekt om de composthoop op een afstand van 50 meter of meer van de projectlocatie te realiseren. Maatwerkvoorschriften op grond van artikel 3.108, derde lid, van het Abm zijn namelijk alleen mogelijk indien aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde afstandseisen wordt voldaan maar desondanks nog geurhinder wordt ervaren. Dit betoog slaagt niet.
19. Eiseres betwist verder dat de omgevingsdialoog niet juist is gevoerd. In de gemeentelijke “Handreiking Omgevingsdialoog” is een zevental stappen beschreven. Eiseres heeft al deze stappen doorlopen. Uit het besluit blijkt dat het bestuursorgaan alleen afgaat op hetgeen in de zienswijzen hierover wordt gesteld en dit voor waar aanneemt. Er is zeer veel moeite gedaan om een gedegen omgevingsdialoog te voeren. Daarbij komt dat in de Handreiking niet is bepaald binnen welke straal belanghebbenden dienen te worden uitgenodigd. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waarom er geen sprake zou zijn van een op basis van gelijkwaardigheid gevoerde dialoog.
20. Het college heeft hierover gesteld dat hoewel er geen wettelijke verplichting is voor het voeren van een omgevingsdialoog, een initiatiefnemer op grond van gemeentelijk beleid verplicht is om een omgevingsdialoog te voeren. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2023 [3] stelt het college dat het niet behoorlijk naleven voor het bestuursorgaan reden kan zijn om de gewenste medewerking niet te verlenen. De vergunningaanvraag is getoetst aan de “Beleidsregels Arbeidsmigranten gemeente Asten 2020” (de Beleidsregels). In artikel 14, vijfde lid, van de Beleidsregels is bepaald dat de initiatiefnemer verplicht is om een omgevingsdialoog te organiseren met omwonenden. Om initiatiefnemers meer richtsnoeren te geven voor het voeren van een omgevingsdialoog heeft het college op 15 oktober 2021 de Handreiking omgevingsdialoog vastgesteld. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een zorgvuldige omgevingsdialoog. In het verslag zijn, zo blijkt volgens de gemeenteraad uit de zienswijzen en de gevoerde gesprekken met de indieners hiervan, adressen opgenomen die niet zijn benaderd in de dialoog. Daarnaast is de omgevingsdialoog volgens de gemeenteraad slecht gevoerd en zijn er verkeerde conclusies getrokken, waardoor er een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven door de aanvrager. Dit is voor de gemeenteraad mede een reden geweest om de definitieve vvgb te weigeren.
21. De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad niet inzichtelijk heeft gemaakt welke adressen niet zijn benaderd maar wel hadden moeten worden benaderd. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat er klachten zijn ontvangen van personen die ten onrechte geen uitnodiging zouden hebben ontvangen voor de dialoog dan wel niet persoonlijk door eiseres zijn bezocht, maar die wel binnen een afstand van 500 meter van de projectlocatie wonen en daarom hadden dienen te worden uitgenodigd voor een omgevingsdialoog of hadden moeten zijn bezocht.
Verder kan voor het antwoord op de vraag of de omgevingsdialoog goed is gevoerd, of op basis daarvan de juiste conclusies zijn getrokken door eiseres en of er een al dan niet juiste voorstelling van zaken door haar is gegeven naar het oordeel van de rechtbank niet louter worden afgegaan op ingediende zienswijzen door omwonenden en gevoerde gesprekken met hen hierover. De opvattingen van de desbetreffende omwonenden kunnen immers niet als objectief worden beschouwd. Bovendien blijkt ook nergens uit welke verkeerde voorstelling van zaken dan zou zijn gegeven door eiseres. Ter zitting heeft het college gesteld dat er niemand van het college bij de omgevingsdialoog is geweest.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de gemeenteraad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de gehouden omgevingsdialoog niet zorgvuldig zou zijn gevoerd. Dit betoog slaagt.
22. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de raad de vvgb heeft kunnen weigeren vanwege de aanwezigheid van een composthoop op minder dan 50 meter afstand van het gebouw waar de huisvesting van arbeidsmigranten is voorzien. Dat betekent dat het college op goede gronden de gevraagde omgevingsvergunning heeft geweigerd. Dat de vvgb niet ook kon worden geweigerd wegens de wijze waarop de omgevingsdialoog is gevoerd en eiseres dit punt terecht naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
23. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2025.
de griffier is verhinderd te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (oud)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. (..);
b. (..);
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, (..);
d. t/m i. (..).
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1.Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Artikel 2.20a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
§ 3.2 De reguliere voorbereidingsprocedure
Artikel 3.7
1. Deze paragraaf is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 daarop van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf tevens van toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 3.10, derde lid.
Artikel 3.9
1. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:
a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en
b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.
2. Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn. Het doet daarvan tevens zo spoedig mogelijk mededeling op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
3. Paragraaf. 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.
4. Het bevoegd gezag doet zo spoedig mogelijk mededeling van de bekendmaking, bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet bestuursrecht, op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag.
§ 3.3 De uitgebreide voorbereidingsprocedure
Artikel 3.10
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:
a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;
b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d;
c. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;
d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, voor zover voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde lid, een adviseur is aangewezen;
e. een geval waarin een verklaring vereist is, als bedoeld in artikel 2.27;
f. een geval dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie met mogelijk belangrijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de belangen van derden;
g. een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, voor zover dat in het betrokken wettelijk voorschrift is aangegeven.
2. (..)
3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een verandering van een inrichting of mijnbouwwerk of de werking daarvan, die niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan, waarvoor geen verplichting bestaat tot het maken van een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, en die niet leidt tot een andere inrichting of mijnbouwwerk dan waarvoor eerder een omgevingsvergunning is verleend.
4. Indien op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevings-vergunning afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, zijn tevens de artikelen 13.6, 13.9 en 13.11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer van toepassing.
Besluit omgevingsrecht (Bor) (oud)
Artikel 6.5 Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
4. In gevallen waarin artikel 3.1, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.34 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, wordt in het eerste lid in plaats van «gemeenteraad van de gemeente» gelezen «provinciale staten van de provincie» en wordt in het derde lid in plaats van «De gemeenteraad kan» gelezen: De provinciale staten kunnen.
Bijlage II Bor
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
(…); 11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en
met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Artikel 5
1. t/m 5. (..)
6. Artikel 4, onderdelen 9 en 11, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Activiteitenbesluit milieubeheer (oud)
§ 1.1.1 Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
- composteren: omzetten van groenafval en hulpstoffen in een product dat geheel of grotendeels bestaat uit een of meer organische afvalstoffen die met behulp van micro-organismen zijn afgebroken en omgezet tot een zodanig stabiel eindproduct dat daarin alleen nog een langzame afbraak van humeuze verbindingen plaatsvindt;
- composteringshoop: hoop van groenafval en hulpstoffen, opgezet met als doel dit materiaal te composteren;
-geurgevoelig object: geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet geurhinder en veehouderij;
§ 3.5.7 Composteren
Artikel 3.106
1. Deze paragraaf is van toepassing op het composteren van groenafval, dat is ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft of dat niet afkomstig is van buiten de inrichting, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen, met een volume van ten hoogste 600 kubieke meter.
2. De artikelen 3.107 tot en met 3.109 zijn niet van toepassing op het composteren van groenafval, van ten hoogste 3 kubieke meter.
Artikel 3.108
1. Het composteren vindt plaats op ten minste:
a. 100 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
b. 50 meter afstand tot een geurgevoelig object, dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
2. De afstanden, genoemd in het eerste lid, worden gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde punt van de locatie waar het composteren plaatsvindt.
3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:
a. de situering van de composteringshoop, of
b. het afdekken van de composteringshoop.
(…).
Voetnoten
1.Zie artikel 3.7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo.
2.Zie artikel 3.7, eerste lid, in verbinding met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wabo.