ECLI:NL:RBOBR:2025:8880

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
01-188224-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie

Op 16 januari 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant in 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die samen met anderen verschillende verdovende middelen en vuurwapens opzettelijk aanwezig had. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte op die datum in Uden, gemeente Maashorst, 940 gram metamfetamine, 621,19 gram MDMA, 1604,53 gram cocaïne, 665 gram 2C-B en 2821 gram ketamine zonder registratie in voorraad had. De verdachte werd op 17 januari 2025 buiten heterdaad aangehouden. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten, wat leidde tot de conclusie dat de verdachte medepleger was van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 29 maanden op, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak is gedaan na een onderzoek ter terechtzitting op 10 december 2025, waarbij de dagvaarding geldig werd bevonden en de rechtbank bevoegd was om van de zaak kennis te nemen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01.188224.25
Datum uitspraak: 24 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [1998] ,
wonende te [adres 1]
Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort en zakelijk weergegeven:
het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 940 gram metamfetamine, 621,19 gram MDMA, 1604,53 gram cocaïne en/of 665 gram 2C-B, op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst;
het medeplegen van het al dan niet opzettelijk zonder registratie in voorraad hebben van ongeveer 2821 gram ketamine HCI, op hetzelfde tijdstip en in dezelfde plaats als feit 1;
het medeplegen van het voorhanden hebben van een of meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, op hetzelfde tijdstip en in dezelfde plaats als feit 1.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I bij dit vonnis.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.
Op 16 januari 2025 werden in een (container)woning aan [adres 2] te Uden onder meer grote hoeveelheden verdovende middelen en vuurwapens aangetroffen – hoofdzakelijk opgeborgen in een in de woning aangetroffen kluis. In de betreffende woning stuitte de politie ook op munitie, diverse andere wapens en een groot geldbedrag. Tijdens de politiedoorzoeking werden de aanwezige verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. De woning stond op naam van [verdachte] , die op dat moment niet aanwezig was. Hij werd een dag later – op 17 januari 2025 – buiten heterdaad aangehouden in een woning te Sint-Oedenrode.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting – op de gronden zoals verwoord in het schriftelijk requisitoir – gerekwireerd tot integrale bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bewijsbijlage (Bijlage II) die van dit vonnis deel uitmaakt. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Inleidende overweging
Niet ter discussie staat dat er op 16 januari 2025 in de woning te Uden, gemeente Maashorst, verschillende soorten verdovende middelen, ketamine en vuurwapens zijn aangetroffen. De verdachte heeft hierover op 19 januari 2025 en 26 mei 2025 bij de politie een (deels bekennende) verklaring afgelegd, in het bijzonder ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 gemaakte verwijt heeft verdachte geen inhoudelijke verklaring afgelegd.
De rechtbank ziet zich voor de (juridische) vragen gesteld of verdachte de in de woning aangetroffen verdovende middelen aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet, de ketamine zonder registratie in voorraad heeft gehad als bedoeld in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet én de vuurwapens voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Beoordeling
Op 16 januari 2025 heeft de politie 2821 gram ketamine aangetroffen in de kluis, verdeeld over het bovenste en onderste compartiment daarvan. Op 19 januari 2025 liet de politie aan verdachte meerdere foto’s zien waarop de in de kluis aangetroffen ketamine was weergegeven. Hierop antwoordde verdachte dat de ketamine van hem was: ‘
Dat is ketamine die ik gebruik voor mijzelf (…) De ketamine in de kluis is alleen van mij.’. Verdachte schatte in dat de hoeveelheid van de aangetroffen ketamine een kleine kilo bedroeg. Hoewel er meer ketamine lag dan één kilo, stelt de rechtbank aan de hand van voornoemde verklaring vast dat hoe dan ook een deel van de aangetroffen hoeveelheid ketamine zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij hiervan wetenschap had. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat gegeven er mede toe dat de resterende hoeveelheid ketamine, die evengoed in de kluis werd aangetroffen, zich eveneens in de machtssfeer van verdachte bevond en hij daarvan – op zijn minst in voorwaardelijke zin – bewust moet zijn geweest.
Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde, kort gezegd het aanwezig hebben van verschillende soorten verdovende middelen, heeft verdachte geen inhoudelijke verklaring afgelegd. De rechtbank stelt echter vast dat verdachte de huurder en bewoner was van de woning waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. De verdovende middelen zijn onder meer aangetroffen in een kluis. Daarover heeft verdachte verklaard dat (een deel van) de in het onderste compartiment van die kluis aangetroffen ketamine van hem was en de in het bovenste compartiment van die kluis aangetroffen wapens ook van hem waren en dat hij deze er zelf heeft ingelegd. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte toegang had tot de betreffende kluis. Bezien vanuit die omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat verdachte – ook hier – op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het aanwezig hebben van de verdovende middelen die in het bovenste en onderste compartiment van de hiervoor genoemde kluis zijn aangetroffen.
Hetzelfde geldt voor de in het keukenkastje aangetroffen metamfetamine alsook de in een bigshopper aangetroffen 2C-B-pillen. Met betrekking tot de 2C-B pillen merkt de rechtbank op dat de politie op 19 januari 2025 aan verdachte een foto liet zien met daarop weergegeven een plastic tas, waarna verdachte verklaarde: ‘Dat is een bigshopper met vermoedelijk 2C-B. (…) Ik had er eentje op. (…) Van deze groene pillen, die heb ik wel eerder gezien ja.’. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte de 2C-B pillen bewust aanwezig heeft gehad. Wat betreft de metamfetamine merkt de rechtbank op dat op meerdere plekken in de containerwoning aanzienlijke hoeveelheden en verschillende soorten verdovende middelen zijn aangetroffen. De containerwoning had een open karakter, alleen de badkamer was dicht gemaakt. Verdachte was de huurder van de woning, hij was hier op 15 januari 2025 nog geweest en wist – naar eigen zeggen – van de aanwezigheid van een groot deel van de andere verdovende middelen in de woning. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee ook op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van metamfetamine.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van twee vuurwapens stelt de rechtbank vast dat verdachte op 26 mei 2025 heeft bekend dat hij de in voornoemde kluis aangetroffen vuurwapens ongeveer twee weken voordat de politie zijn woning binnentrad heeft aangeschaft. De betreffende vuurwapens heeft hij vervolgens in zijn woning opgeslagen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte voornoemde vuurwapens bewust aanwezig heeft gehad en hij daarover de feitelijke macht heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
De rechtbank is ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde (telkens) van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen verdachte en medeverdachten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking die was gericht op het opzettelijk aanwezig hebben, van verdovende middelen, het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine en het voorhanden hebben van de vuurwapens. Verdachte kon tezamen met anderen beschikken over de verdovende middelen en de ketamine én kon tezamen met anderen de feitelijke macht uitoefenen over de vuurwapens. Immers, bij het aantreffen van de goederen waren er twee andere personen in zijn woning, waarvan één van beiden de beschikking had over de sleutels van de kluis. In dat licht is de rechtbank ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde (telkens) van oordeel dat sprake is geweest van medeplegen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 16 januari 2025, te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, verschillende verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zonder registratie ketamine in voorraad heeft gehad en vuurwapens voorhanden heeft gehad, zoals hierna bewezen verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage (Bijlage II) uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 940 gram van een materiaal bevattende metamfetamine,
- 621,19 gram van een materiaal bevattende MDMA,
- 1604,53 gram van een materiaal bevattende cocaïne
en
- 665 gram van een materiaal bevattende 2C-B,
zijnde metamfetamine, MDMA, cocaïne en 2C-B telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Ten aanzien van feit 2:
op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk, zonder registratie 2821 gram ketamine HCI, zijnde een werkzame stof, in voorraad heeft gehad;
Ten aanzien van feit 3:
op 16 januari 2025 te Uden, gemeente Maashorst, tezamen en in vereniging met anderen, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk Glock, model 19 gen 3, kaliber 9x19mm
en
- een double-action centraalvuur revolver, van het merk Amadeo Rossi S.A., kaliber .38 Spl,
telkens zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver of pistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van de feiten en van verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten dan wel van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van verschillende verdovende middelen en het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine. Dit zijn ernstige strafbare feiten. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen en illegale geneesmiddelen schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien gaat de handel in dergelijke middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor schade en overlast kan worden toegebracht aan anderen. In het bijzonder wanneer dergelijke feiten midden in een woonwijk worden gepleegd, zoals in onderhavige zaak aan de orde is geweest. Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel (in gewone taal gesteld: als partydrug).
Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict, zeker nu verdachte deze wapens heeft gekocht omdat hij paranoïde werd door de kluis in zijn woning en zich niet veilig voelde.
De persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het overtreden van de opiumwet en/of de Wet wapens en munitie.
Het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering heeft in juli en augustus 2025 meermaals – al dan niet via de advocaat van verdachte – tevergeefs geprobeerd met verdachte in contact te treden om een reclasseringsadvies uit te brengen. Om die reden heeft de reclassering de daartoe strekkende opdracht geretourneerd. Mede vanwege de afwezigheid van verdachte ter terechtzitting heeft de rechtbank nauwelijks inzicht gekregen in de persoon van verdachte. Om die reden heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf geen rekening kunnen houden met de persoon van verdachte.
De op te leggen straf
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het aanwezig hebben van 3000 – 4000 gram harddrugs (het totale gewicht dat verdachte aanwezig heeft gehad is 3.830,72 gram) is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden onvoorwaardelijk. Voor het voorhanden hebben van een pistool, dan wel een revolver in een woning is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden onvoorwaardelijk. Verdachte heeft zowel een pistool als een revolver voorhanden gehad, zodat de rechtbank bij het onder 3 bewezen verklaarde een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden onvoorwaardelijk als oriëntatiepunt hanteert. Ten aanzien van het in voorraad hebben van een hoeveelheid ketamine bestaan geen oriëntatiepunten. Echter, omdat dit middel gebruikt en verhandeld wordt als partydrug, dan wel genotsmiddel, heeft de rechtbank hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten ten aanzien van het bezit van harddrugs in plaats van die van economische delicten. De rechtbank realiseert zich dat ketamine niet voorkomt op lijst I Opiumwet, maar constateert dat het uiteindelijke eindgebruik niet verschilt met het aanwezig hebben van stoffen die op lijst I van de Opiumwet staan. Voor het aanwezig hebben van 2000 – 3000 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden onvoorwaardelijk.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van deze oriëntatiepunten.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal aldus een zwaardere gevangenisstraf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde gevangenisstraf – gelet op de hiervoor beschreven oriëntatiepunten – de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 Opiumwet;
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
38 van de Geneesmiddelenwet en;
26 en 55 Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
  • verklaart het onder 1,2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
29 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 24 december 2025.