ECLI:NL:RBOBR:2025:8890

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
C/01/420049 / JE RK 25-139
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen in een familierechtelijke procedure

Op 16 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarigen, aangeduid als [minderjarige A], [minderjarige B], [minderjarige C], [minderjarige D] en [minderjarige E]. Deze beschikking volgt op een eerdere uitspraak van 27 november 2025, waarin de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk werden verlengd. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig bedreigd wordt door de opvoedomgeving en het gedrag van de vader, die hen belast met volwassenzaken en niet samenwerkt met de hulpverlening. De kinderrechter heeft daarom besloten de ondertoezichtstelling te verlengen tot 28 november 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B], [minderjarige C], [minderjarige D] en [minderjarige E] tot 22 december 2025. De vader heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken, maar zijn verzoeken zijn afgewezen. De kinderrechter heeft ook de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een neutrale derde om het welzijn van de kinderen te waarborgen en de zorgen over hun ontwikkeling weg te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420049 / JE RK 25-1398
Datum uitspraak: 16 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging [plaats vestiging] ,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
over de minderjarigen:
[minderjarige A],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige A] ,
[minderjarige B],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige B] ,
[minderjarige C],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige C] ,
[minderjarige D],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige D] ,
[minderjarige E],
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige E] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[Moeder],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,
[Vader],
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen: de vader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Deze beschikking volgt op de beschikking van de kinderrechter van 27 november 2025. Bij die beschikking zijn de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] verlengd voor de duur van drie weken, dus tot 19 december 2025. De beslissing op de verzoeken voor het overige is aangehouden.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 27 november 2025 heeft de vader de kinderrechter voor de tweede keer in deze procedure gewraakt. Bij beschikking van 16 december 2025 heeft de wrakingskamer van deze rechtbank het wrakingsverzoek van de vader afgewezen. De wrakingskamer heeft daarnaast bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van de vader in deze procedure niet in behandeling zal worden genomen.
1.3.
Na de uitspraak van de wrakingskamer heeft de kinderrechter de zaak weer in behandeling genomen. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 oktober 2025;
  • het verweerschrift van de vader, ontvangen op 5 november 2025;
  • de e-mail van de vader, ontvangen op 6 november 2025;
  • het aanvullende stuk van de GI, ontvangen op 11 november 2025;
  • de e-mail van de vader, ontvangen op 15 november 2025;
  • de brief van de GI, ontvangen op 17 november 2025;
  • de e-mails van de vader, ontvangen op 24 november 2025;
  • de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, ontvangen op 24 november 2025;
  • de e-mails van de vader, ontvangen op 25 november 2025;
  • de brief met bijlagen van de GI van 8 december 2025;
  • de e-mails van de vader van 12 december 2025;
  • de e-mails van de vader van 13 december 2025;
  • de aanvullende stukken met bijlagen van de GI van 15 december 2025;
  • de e-mail van de vader van 15 december 2025;
  • de e-mail met bijlage van de vader van 16 december 2025.
1.4.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren is voortgezet op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [vertegenwoordiger GI] , [vertegenwoordiger GI] en [vertegenwoordiger GI] , vertegenwoordigers van de GI.
1.5.
Aan [begeleider] en [begeleider] , begeleiders van vader vanuit [organisatie] , is bijzondere toegang verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen.
1.6.
De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025 mondeling uitspraak gedaan over de verzoeken in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Die uitspraak is in deze beschikking op schrift gesteld. De beslissing op de overige verzoeken van de GI en de vader is opgenomen in een aparte beschikking.

2.Het resterende/gewijzigde verzoek en het verweer met zelfstandige verzoeken

2.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] te verlengen tot 28 november 2026. Daarnaast verzoekt de GI, bij wijziging, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] in een pleeggezin dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot 22 december 2025. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
Verder verzoekt de GI om het perspectiefbesluit van 30 september 2025 te onderschrijven en een onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) te gelasten.
2.3.
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de GI. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de vader om:
primair:
het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen;
de kinderen bij de vader te plaatsen onder voortzetting van de
ondertoezichtstelling;
3. de ondertoezichtstelling te laten uitvoeren door een onafhankelijke
gezinsvoogdijinstelling of onder toezicht van het Landelijk Expertise Team (LET);
subsidiair:
4. het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen;
5. een nieuw, onafhankelijk perspectiefonderzoek te gelasten uitgevoerd door een
extern en onafhankelijk team (niet zijnde de GI);
6. de GI te vervangen door een onafhankelijke gezinsvoogdijinstelling of de GI onder
toezicht te plaatsen van het LET;
7. de kinderen direct te herplaatsen naar een veilige locatie in de regio [plaats] ;
meer subsidiair:
8. de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing slechts kort te verlengen
(maximaal drie maanden);
9. een onafhankelijk onderzoek te gelasten naar het functioneren van de GI in deze
zaak;
10. de GI te gelasten structureel wederhoor bij de vader af te nemen en te verwerken
in alle besluitvorming;
11. te gelasten dat de kinderen per direct worden herplaatst naar een veilige locatie
buiten [organisatie X] in de regio [plaats] ;
12. de GI te gelasten een nieuw, onafhankelijk en volledig perspectiefonderzoek uit te
(laten) voeren waarbij beide ouders gelijkwaardig worden betrokken;
in alle gevallen:
13. de GI te gelasten de eenzijdige terugplaatsing van [minderjarige A] terug te draaien;
14. de GI te gelasten alle ontbrekende verslagen (met name van SEZ) alsnog aan het
dossier toe te voegen en aan de vader toe te sturen, op straffe van een dwangsom;
15. de GI te gelasten structureel de wil van de kinderen serieus te nemen en niet langer
te bagatelliseren;
16. de GI te gelasten de criminalisering van de vader ongedaan te maken door bij
buren, scholen en andere instanties ruimschoots te rectificeren;
17. de gezinsvoogd van de GI uit functie te zetten en te berispen voor de ernstige
tekortkomingen;
18. over te gaan tot herstel van de fouten van de GI.
4.
De verdere beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
4.1.
De kinderrechter moet beoordelen of de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] moet worden verlengd (artikel 1:255 in samenhang met artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter vindt de ondertoezichtstelling nog steeds nodig en legt hierna uit waarom.
4.2.
[minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] worden nog altijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen zijn opgegroeid in een opvoedomgeving waarbij hen niet de noodzakelijke stabiliteit, veiligheid en emotionele beschikbaarheid is geboden. Bij aanvang van de ondertoezichtstelling waren er zorgen over de fysieke en pedagogische veiligheid binnen het gezin, mede door huiselijk geweld, onrust en stress in de leefomgeving van de kinderen. Ondanks de inzet van hulpverlening zijn er nu nog steeds zorgen over het gedrag van de vader. Hij blijft de kinderen belasten met volwassenzaken, voert met diverse instanties een strijd (waaronder met de GI) en lijkt daarbij het belang van de kinderen uit het oog te verliezen. Daarnaast laten de kinderen gedragsproblemen zien. Zo hebben [minderjarige A] en [minderjarige B] moeite met het reguleren van hun emoties, hebben [minderjarige C] en [minderjarige D] een terugval in zindelijkheid laten zien en vertoont [minderjarige E] met momenten niet passend gedrag.
4.3.
De kinderrechter heeft niet de verwachting dat de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen met vrijwillige hulpverlening, dus zonder een ondertoezichtstelling, kunnen worden weggenomen. De ouders communiceren niet of nauwelijks met elkaar. Daarnaast wantrouwt de vader de moeder en de GI, maakt hij hen verwijten en werkt hij niet met hen samen om de zorgen over de kinderen weg te nemen. De ondertoezichtstelling blijft daarom nodig, zodat een neutrale derde zicht houdt op het welzijn van de kinderen en ervoor zorgt dat de juiste stappen worden gezet om de zorgen over de kinderen weg te nemen.
4.4.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] verlengen voor de duur van een jaar. Die termijn is naar verwachting nodig om te werken aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E]
4.5.
De kinderrechter moet vervolgens beoordelen of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] moet worden verlengd tot 22 december 2025 (artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).
4.6.
Anders dan de vader, vindt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 22 december 2025 noodzakelijk. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
4.7.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de moeder in de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet en alle benodigde hulpverlening accepteert. [minderjarige A] woont sinds 23 juli 2025 bij de moeder en dat gaat goed. De GI heeft op 30 september 2025 een perspectiefbesluit genomen en bepaald dat het perspectief van de kinderen bij de moeder ligt. In de afgelopen maanden is geleidelijk en zorgvuldig aan een thuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] bij de moeder gewerkt. Dit proces verloopt positief. [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] zullen met ingang van 22 december 2025 volledig bij de moeder wonen. Tot die tijd is de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk. Daarna bestaat die noodzaak niet meer. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] verlengen tot 22 december 2025.
4.8.
De vader is het niet eens met de thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. Hij verzoekt de kinderen bij hem te plaatsen dan wel elders (niet zijnde bij [organisatie X] ).
4.9.
De kinderrechter volgt de vader hier niet in. De kinderrechter vindt het niet in het belang van de kinderen om hen bij de vader dan wel elders te plaatsen. De vader is verwikkeld in een aanhoudende strijd met diverse instanties en het lukt hem niet om de kinderen de rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid te geven die zij nodig hebben. De kinderen krijgen dit wel bij de moeder, met de inzet van hulpverlening. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) heeft ook ingestemd met de thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder, zo blijkt uit de brief van de raad van 24 november 2025. De kinderrechter zal de verzoeken van de vader zoals verwoord in rechtsoverweging 2.3. onder 1, 2, 4, 7, 8, 11 en 13 dan ook afwijzen.
4.10.
De kinderrechter heeft overigens wel begrip voor de zorgen van de vader over de plaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] en [minderjarige D] bij [organisatie X] . De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025 ook erkend dat [organisatie X] niet de beste plek was voor [minderjarige B] , [minderjarige C] en [minderjarige D] . De kinderrechter verbindt hieraan echter geen conclusies, ook omdat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] en [minderjarige D] tot uiterlijk 22 december 2025 geldt en zij vanaf die datum volledig bij de moeder wonen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige A] , [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] met ingang van 19 december 2025 tot 28 november 2026;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] , [minderjarige C] , [minderjarige D] en [minderjarige E] gedurende dag en nacht in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 19 december 2025 tot 22 december 2025;
5.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af de verzoeken van de vader zoals verwoord in rechtsoverweging 2.3. onder 1, 2, 4, 7, 8, 11 en 13;
5.5.
houdt aan de beslissing op de overige verzoeken van de GI en de vader.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Aarts, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Boudewijns-van den Wijngaard als griffier en op 2 januari 2026 op schrift gesteld.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.