Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
Rechtbank Oost-Brabant
De gecertificeerde instelling (GI) heeft een geschil voorgelegd over de inzet van Video Interactie Begeleiding (VIB) bij een minderjarige die onder toezicht staat en in een pleeggezin verblijft. De GI verzocht de kinderrechter om toestemming voor de inzet van VIB, inclusief het maken van video-opnames van de minderjarige en pleegouders, omdat zij geen toestemming van de moeder kon verkrijgen. De vader had wel toestemming gegeven.
De kinderrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en dat Nederlands recht van toepassing is. Vervolgens beoordeelde de rechter het geschil aan de hand van artikel 1:262b BW en artikel 7.3.4 lid 1 van de Jeugdwet. De inzet van VIB wordt gekwalificeerd als jeugdhulp binnen een kinderbeschermingsmaatregel, waarvoor geen toestemming van de gezaghebbende ouders of kinderrechter vereist is.
De kinderrechter oordeelde dat het maken van video-opnames een noodzakelijk onderdeel is van de VIB en dat de privacybelangen van de minderjarige niet worden geschaad gezien het doel en de wijze van gebruik van de opnames. Omdat de GI geen toestemming van de ouders nodig heeft, heeft zij ook geen belang bij een beslissing van de kinderrechter. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De beschikking is op 31 december 2025 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter W.S. Badri. Tegen deze eindbeslissing staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om toestemming voor de inzet van Video Interactie Begeleiding wordt afgewezen omdat hiervoor geen toestemming van ouders of kinderrechter vereist is.