ECLI:NL:RBOBR:2025:8933

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
C/01/420598 / JE RK 25-1476
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BWArt. 7.3.4 lid 1 JeugdwetArt. 7 Brussel II ter VerordeningArt. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toestemming inzet Video Interactie Begeleiding bij ondertoezichtstelling

De gecertificeerde instelling (GI) heeft een geschil voorgelegd over de inzet van Video Interactie Begeleiding (VIB) binnen het pleeggezin van een minderjarige die onder toezicht staat. De GI verzocht de kinderrechter om toestemming voor de inzet van VIB, omdat zij niet de toestemming van de moeder kon verkrijgen, terwijl de vader wel toestemming had gegeven.

De kinderrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek en dat Nederlands recht van toepassing is. Vervolgens werd beoordeeld of de GI toestemming van de ouders of kinderrechter nodig heeft voor de inzet van VIB, waarbij video-opnames van de minderjarige worden gemaakt om de interactie met de pleegouders te analyseren.

De kinderrechter oordeelde dat VIB valt onder jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet en dat voor de inzet van jeugdhulp in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel geen toestemming van de gezaghebbende ouders of kinderrechter vereist is. Het maken van video-opnames is een noodzakelijk onderdeel van deze jeugdhulp en schaadt de privacy van de minderjarige niet gezien het doel en de wijze van gebruik.

Daarom heeft de GI geen belang bij een beslissing van de kinderrechter en werd het verzoek om toestemming afgewezen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek om toestemming voor inzet van Video Interactie Begeleiding af omdat de GI deze zonder toestemming mag inzetten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/420598 / JE RK 25-1476
Datum uitspraak: 31 december 2025
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
de
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
statutair gevestigd te ’s-Hertogenbosch, vestiging [plaats 1] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
met een briefadres in [plaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
[vader],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. Daarbij waren aanwezig [vertegenwoordigers GI] namens de GI.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de vader en de moeder wel correct zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De vader, de moeder en [de minderjarige] hebben de Tsjechische nationaliteit.
2.3.
[de minderjarige] is bij beschikking van 15 februari 2024 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 12 februari 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 februari 2026.
2.4.
[de minderjarige] is uithuisgeplaatst op basis van een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Deze machtiging is voor het eerst verleend bij beschikking van 21 mei 2024 en daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 27 juni 2025 tot 15 februari 2026.
2.5.
[de minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de volgende beslissing te nemen:
‘de noodzaak van Video Interactie Begeleiding (VIB) binnen het huidige pleeggezin van
[de minderjarige] en Jeugdbescherming Brabant toestemming te geven voor de inzet van VIB.’
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
Vanwege de internationale aspecten in deze zaak moet de kinderrechter eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht toegepast moet worden bij de beoordeling van het verzoek.
4.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van het verzoek, gelet op
het feit dat [de minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats in Nederland had (artikel 7 Brussel Pro Ⅱ ter Verordening).
4.3.
Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek is
Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Beoordeling van het geschil
4.4.
Als er een geschil bestaat over de uitvoering van de ondertoezichtstelling, kunnen bepaalde betrokken partijen de kinderrechter om een beslissing vragen. De kinderrechter neemt dan een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt (artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek).
4.5.
Het geschil dat de GI heeft voorgelegd gaat over de inzet van Video Interactie Begeleiding (VIB) in het pleeggezin van [de minderjarige] . Daarbij worden er video-opnames van [de minderjarige] en de pleegouders gemaakt. Die opnames worden gebruikt om te analyseren hoe de interactie tussen [de minderjarige] en de pleegouders verloopt en welke ondersteuning [de minderjarige] en/of de pleegouders nodig hebben. De GI wil dat de kinderrechter toestemming geeft voor de inzet van VIB, omdat het niet lukt om de toestemming van de moeder te krijgen. De vader heeft wel toestemming gegeven.
4.6.
De kinderrechter acht de inzet van VIB in het belang van [de minderjarige] wenselijk, omdat dit een manier is om de juiste ondersteuning voor [de minderjarige] en de pleegouders in te kunnen zetten. De vraag is echter of de GI wel toestemming nodig heeft van de kinderrechter om de VIB in te zetten. De kinderrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna legt de kinderrechter uit waarom.
4.7.
VIB is te kwalificeren als jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet. Voor de inzet van jeugdhulp in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel is geen toestemming van de betrokkenen vereist (artikel 7.3.4 lid 1 Jeugdwet). De GI kan die jeugdhulp dus inzetten zonder toestemming van de gezaghebbende ouders (of vervangende toestemming van de kinderrechter). Dat het maken van video-opnames van [de minderjarige] onderdeel uitmaakt van de jeugdhulp maakt dit niet anders. Die opnames zijn een noodzakelijk onderdeel van de VIB. De jeugdhulpaanbieder heeft dus een gerechtvaardigd belang om die opnames te maken. De kinderrechter ziet ook geen redenen om aan te nemen dat de privacybelangen van [de minderjarige] tot een andere uitkomst moeten leiden. Deze worden naar het oordeel van de kinderrechter namelijk niet geschaad door het maken van de opnames, gelet op het doel waarmee deze worden gemaakt en de wijze waarop deze zullen worden gebruikt.
4.8.
Het voorgaande betekent dat de GI de VIB zonder toestemming van gezaghebbende ouders kan inzetten en daarom geen belang heeft bij een beslissing van de kinderrechter. De kinderrechter zal het verzoek daarom afwijzen.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.S. Badri, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025 in aanwezigheid van mr. M.J. van der Schoot als griffier.
conc: MvdS
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.