ECLI:NL:RBOBR:2026:1005
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding voor gedwongen verplaatsing chalet op vakantiepark bij herstructurering
Deze civiele zaak betreft een geschil over de vergoeding die een chalethouder kan vorderen van de exploitant van een vakantiepark na gedwongen verplaatsing van zijn chalet vanwege herstructurering. De huurovereenkomst was onderworpen aan de RECRON-voorwaarden, waarbij artikel 12 centraal Pro stond.
De exploitant had de huurovereenkomst opgezegd en de chalethouder moest het chalet uiterlijk 21 juni 2024 verwijderen. De chalethouder verplaatste het chalet naar een ander park en vorderde een vergoeding van € 5.726,40, bestaande uit een forfaitaire vergoeding en daadwerkelijke verplaatsingskosten. De exploitant stelde dat zij een alternatief had aangeboden en daarom geen vergoeding hoefde te betalen.
De kantonrechter oordeelde dat de exploitant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het alternatieve aanbod was ontvangen, waardoor zij een vergoeding verschuldigd was. Wel werd geoordeeld dat de chalethouder geen aanspraak kon maken op beide vergoedingen tegelijk, omdat dit dubbelop zou zijn. De forfaitaire vergoeding van € 2.653,00 werd toegewezen, evenals een proportionele vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De exploitant werd veroordeeld tot betaling van de forfaitaire vergoeding, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De exploitant wordt veroordeeld tot betaling van een forfaitaire vergoeding van € 2.653,00 met rente, incassokosten en proceskosten, terwijl de vergoeding van daadwerkelijke verplaatsingskosten wordt afgewezen.