ECLI:NL:RBOBR:2026:1005

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
11818315_E12022026
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:37 lid 3 BWArt. 6:2 BWArtikel 12 RECRON-voorwaardenArtikel 11.2 RECRON-voorwaardenArtikel 15 lid 1 RECRON-voorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding voor gedwongen verplaatsing chalet op vakantiepark bij herstructurering

Deze civiele zaak betreft een geschil over de vergoeding die een chalethouder kan vorderen van de exploitant van een vakantiepark na gedwongen verplaatsing van zijn chalet vanwege herstructurering. De huurovereenkomst was onderworpen aan de RECRON-voorwaarden, waarbij artikel 12 centraal Pro stond.

De exploitant had de huurovereenkomst opgezegd en de chalethouder moest het chalet uiterlijk 21 juni 2024 verwijderen. De chalethouder verplaatste het chalet naar een ander park en vorderde een vergoeding van € 5.726,40, bestaande uit een forfaitaire vergoeding en daadwerkelijke verplaatsingskosten. De exploitant stelde dat zij een alternatief had aangeboden en daarom geen vergoeding hoefde te betalen.

De kantonrechter oordeelde dat de exploitant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het alternatieve aanbod was ontvangen, waardoor zij een vergoeding verschuldigd was. Wel werd geoordeeld dat de chalethouder geen aanspraak kon maken op beide vergoedingen tegelijk, omdat dit dubbelop zou zijn. De forfaitaire vergoeding van € 2.653,00 werd toegewezen, evenals een proportionele vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

De exploitant werd veroordeeld tot betaling van de forfaitaire vergoeding, wettelijke rente, incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: De exploitant wordt veroordeeld tot betaling van een forfaitaire vergoeding van € 2.653,00 met rente, incassokosten en proceskosten, terwijl de vergoeding van daadwerkelijke verplaatsingskosten wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11818315 CV EXPL 25-5538
Vonnis van 12 februari 2026
in de zaak van:
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I.G.R. Staring,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door: P.W. Nijenhuis.

1.De procedure

1.1.
In het dossier zitten deze processtukken:
- de dagvaarding van 25 juli 2025 met 16 bijlagen, [1] - de (mondelinge) conclusie van antwoord van 21 augustus 2025,
- de aanvullende (schriftelijke) conclusie van antwoord van 2 oktober 2025 met III bijlagen,
- de brief van 2 december 2025 van [eiser] met daarbij de aanvullende bijlage 17.
1.2.
Op 10 december 2025 heeft de kantonrechter de zaak mondeling behandeld. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] met zijn gemachtigde mr. Staring aanwezig. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van deze zaak en de beslissing in het kort

2.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] één of meerdere vergoedingen aan [eiser] moet betalen in verband met het gedwongen (laten) verplaatsen van zijn chalet. Hierbij staat artikel 12 van Pro de RECRON-voorwaarden centraal.
2.2.
[eiser] heeft een chalet gehad op vakantiepark “ [naam vakantiepark] ” in [plaats] , geëxploiteerd door [gedaagde] . Het chalet van [eiser] was geplaatst op kavelnummer [nummer] en het betrof een geschakeld/dubbel chalet. Op 6 augustus 2019 is tussen partijen een huurovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot deze standplaats. Op deze huurovereenkomst zijn de RECRON-voorwaarden van toepassing. Bij brief van 21 december 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat de huurovereenkomst wordt beëindigd vanwege een geplande herstructurering van het park en dat [eiser] daarom uiterlijk 21 juni 2024 het chalet van het park moet hebben verwijderd. Naar aanleiding daarvan heeft [eiser] het chalet laten verplaatsen naar een ander vakantiepark.
2.3.
Volgens [eiser] dient [gedaagde] op basis van de RECRON-voorwaarden € 5.726,40 aan hem te betalen. Dit bedrag bestaat uit € 2.653,00 aan forfaitaire vergoeding (algemene verhuiskosten) (artikel 12.6 en 12.9 van de RECRON-voorwaarden) en € 3.073,40 aan (daadwerkelijke) verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het park (artikel 12.5 van de RECRON-voorwaarden). [gedaagde] stelt daartegenover dat zij niets hoeft te betalen, omdat zij [eiser] een alternatief heeft aangeboden op het park en in dat geval de verplaatsingskosten voor eigen rekening te nemen (artikel 12.3 en 12.4 van de RECRON-voorwaarden). Zij heeft dit alternatieve aanbod kenbaar gemaakt via een aan [eiser] gestuurde brief. [eiser] betwist dat hij deze brief heeft ontvangen.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een deel van de door [eiser] gevorderde vergoedingen moet betalen, te weten € 2.653,00. Hierna wordt dit uitgelegd.

3.De beoordeling door de kantonrechter

Artikel 12 van Pro de RECRON-voorwaarden
3.1.
Partijen zijn het eens dat de RECRON-voorwaarden van 1 maart 2016 van toepassing zijn, maar zij beroepen zich elk op een ander deel van artikel 12 van Pro deze voorwaarden. [2] In dit artikel staat:
Artikel 12 Herstructurering Pro
1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op een overeenkomst voor een verplaatsbaar of een niet meer verplaatsbaar kampeermiddel. (…)
3. In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan het te bieden, tenzij het kampeermiddel, gezien de leeftijd van het kampeermiddel en/of de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.
4. Indien de ondernemer en de recreant op grond van het derde lid een nieuwe overeenkomst sluiten, draagt de ondernemer de directe kosten voor de verplaatsing van het kampeermiddel op [tekst onleesbaar]. De ondernemer vergoedt niet de eventuele verplaatsingskosten voor de verplaatsing van andere zaken zoals serres, terrassen, (aan)bouwsels in welke vorm dan ook, tegelwerk, bestrating en beplanting.
De ondernemer kan in plaats van het vergoeden van de directe kosten zoals hiervoor in dit lid bepaald, kiezen voor verplaatsing van het kampeermiddel en de eventuele berging, een en ander met inachtneming van de voorwaarden van de RECRON verplaatsingsovereenkomst.
5. a. Indien sprake is van een verplaatsbaar kampeermiddel en een
minimaal gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, heeft de recreant de plaats te ontruimen en heeft hij recht op een
tegemoetkoming in de verplaatsingskosten indien hij de plaats heeft
ontruimd overeenkomst artikel 15 lid Pro 1. De verplaatsingskosten
vanaf de plaats tot buiten het terrein zijn voor rekening van
ondernemer.
Indien de recreant een minimaal gelijkwaardige plaats op het
terrein wordt aangeboden onder de verplichting voor recreant te moeten bijdragen in de aanlegkosten zoals bedoeld onder art. 1.1 sub m, heeft de recreant het recht de plaats te weigeren en kan hij aanspraak maken op de tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 6.
b. (…)
6. De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van het kampeermiddel als bedoeld in lid 5 onder a en de tegemoetkoming als bedoeld in lid 5 onder b bedraagt € 1.482. In geval van een verplaatsbaar en niet meer verplaatsbaar geschakeld/dubbel kampeermiddel bedraagt de tegemoetkoming € 2.233. De ondernemer heeft het recht van tegemoetkoming met vorderingen op de recreant te verrekenen. (…)
9. De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten wordt jaarlijks per 1 januari, geïndexeerd (…)”
Alternatief aanbod, ontvangst brief?
3.2.
Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat zij niets aan [eiser] hoeft te betalen, omdat zij een alternatief op het park aan hem heeft aangeboden en in die situatie de verplaatsingskosten voor eigen rekening te nemen (artikel 12.3 en 12.4 van de RECRON-voorwaarden). [gedaagde] verwijst naar de brief van 28 december 2022 waarin een dergelijk aanbod is gedaan (bijlage II bij aanvullende conclusie van antwoord). Volgens [gedaagde] heeft zij deze brief naar het juiste adres verstuurd en wordt daarom geacht de geadresseerde ( [eiser] ) te hebben bereikt. [eiser] stelt dat hij deze brief niet heeft ontvangen en ook dat hij op andere wijze nooit een dergelijk aanbod heeft gekregen.
3.3.
In dit kader is de zogeheten ontvangsttheorie van belang (artikel 3:37 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Deze theorie houdt, kort gezegd, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Het is vervolgens aan [gedaagde] feiten en omstandigheden te stellen om de ontvangst van de brief van 28 december 2022 aannemelijk te maken. Het enkel stellen dat de juiste adressering is gebruikt en dat bovendien de brief van 28 december 2022 naar hetzelfde adres en op dezelfde wijze is verstuurd als de brief van 21 december 2023 (opzeggingsbrief), is in beginsel onvoldoende. Dat is ook naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval zo, omdat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft volhard in zijn standpunt dat hij de brief van 28 december 2022 niet heeft ontvangen en [gedaagde] dit niet heeft weersproken. Daarbij komt dat uit de RECRON-voorwaarden blijkt dat brieven (zoals opzeggingsbrieven) aangetekend dienen te worden verstuurd en/of persoonlijk dienen te worden overhandigd (artikel 11.2). Dat is niet gebeurd met betrekking tot de brief waarin het aanbod zou zijn gedaan, althans dat blijkt nergens uit.
3.4.
Het voorgaande brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat [eiser] geen brief heeft ontvangen waarin hem een alternatief is aangeboden op het park en dat [gedaagde] daarom een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten aan [eiser] is verschuldigd.
Vergoedingen
3.5.
[eiser] vordert een samengesteld bedrag van € 5.726,40. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij toegelicht waaruit dit bedrag bestaat en waarop de afzonderlijke bedragen zijn gebaseerd. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12.5 onder a van de RECRON-voorwaarden ziet op verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het vakantiepark. In dit kader vordert hij € 3.073,40 (factuur van 6 november 2023 van [A] , zie bijlage 3 bij dagvaarding). Artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden omvatten de algemene verhuiskosten en betreffen een forfaitaire vergoeding. Hiermee is volgens [eiser] € 2.653,00 gemoeid.
3.6.
Hoewel [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde bedragen, is de kantonrechter van oordeel dat alleen de door [eiser] gevorderde vergoeding van € 2.653,00 toewijsbaar is, en wel hierom.
3.7.
De stelling van [eiser] dat hij aanspraak zou kunnen maken op de (daadwerkelijke) verplaatsingskosten van het chalet tot aan de poort van het vakantiepark, berust op een onjuiste uitleg van het bepaalde in artikel 12 van Pro de RECRON-voorwaarden. Ook de stelling van [eiser] dat hij aanspraak kan maken op beide vergoedingen uit artikel 12 van Pro de RECRON-voorwaarden, berust op een verkeerde lezing van dit artikel. Dit zou immers dubbelop zijn, en het bepaalde in artikel 12.5 in combinatie met artikel 12.6 biedt daarvoor ook geen grondslag. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende kunnen uitleggen waarom hij tegelijkertijd aanspraak zou kunnen maken op beide vergoedingen uit artikel 12 van Pro de RECRON-voorwaarden. De kantonrechter is dus van oordeel dat op grond van artikel 12.5 onder a in combinatie met artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden € 2.653,00 toewijsbaar is (forfaitaire vergoeding). Over dit bedrag wordt vanaf 27 januari 2024 de wettelijke rente toegewezen zoals is gevorderd.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.8.
Daarnaast vordert [eiser] betaling van € 800,20 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is gebaseerd op de gevorderde hoofdsom van € 5.726,40. Omdat een deel van de hoofdsom echter niet toewijsbaar is, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (in de zin van artikel 6:2 BW Pro) om het toepasselijke wettelijke tarief te bepalen aan de hand van de gevorderde hoofdsom. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat hoort bij het bedrag van € 2.653,00 dat aan hoofdsom wordt toegewezen. Dit brengt mee dat een bedrag van € 390,30 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
Tot slot en proceskosten
3.9.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente. Op basis van het toe te wijzen bedrag, worden de proceskosten van [eiser] vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.037,54

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 2.653,00 aan vergoeding op basis van artikel 12.5 onder a in combinatie met artikel 12.6 van de RECRON-voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 390,30 aan buitengerechtelijke incassokosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] vastgesteld op € 1.037,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na aanschrijving tot de dag van voldoening en te vermeerderen met de eventuele explootkosten van de betekening van het vonnis,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.

Voetnoten

1.Op de eerste pagina van het exploot van dagvaarding staat:
2.Overlegd als bijlage I bij aanvullende conclusie van antwoord.