Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1016

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
25/3785
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:10 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 4:4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen gedeeltelijke openbaarmaking Woo-informatie over AZC-locatie

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het gedeeltelijk openbaar maken van informatie over de locatiekeuze voor een AZC in het Sportpark. Hij wil dat alle stukken openbaar worden gemaakt in afwachting van de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en stelt vast dat het verzoek formeel ontvankelijk is vanwege een te vroeg ingediend bezwaarschrift. Het college moet nog beslissen over de ontvankelijkheid van dit bezwaar. Vervolgens wordt het spoedeisend belang beoordeeld. Verzoeker stelt dat de omgevingsvergunning voor het AZC een onomkeerbare situatie creëert, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat dit belang onvoldoende concreet is en dat de bezwaarprocedure kan worden afgewacht.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en hoeft het college de gevraagde informatie niet eerder openbaar te maken. Ook wordt geen griffierechtvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3785

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst, het college
(gemachtigde: mr. J. van Vulpen).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over een voorlopige voorziening tegen het gedeeltelijk openbaar maken van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Verzoeker heeft verzocht om openbaarmaking van informatie over de besluitvorming over de locatiekeuze voor ontwikkeling van een AZC in het Sportpark aan de [adres] over de periode van 9 april 2024 tot en met 27 augustus 2025. Verzoeker is het niet met de gedeeltelijke openbaarmaking eens. Hij verzoekt daarom de voorzieningenrechter om de voorziening te treffen dat alle stukken openbaar worden gemaakt in afwachting van de bezwaarprocedure.
1.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat een spoedeisend belang ontbreekt, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is sprake van formele connexiteit?
2. Voordat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan toekomen, dient hij ambtshalve te beoordelen of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is.
2.1.
Uit artikel 8:81, eerste lid van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit bezwaar is ingediend (de formele connexiteit). Of het bezwaar ontvankelijk is of inhoudelijke kans van slagen heeft, is bij die specifieke beoordeling niet van belang. Die beoordeling komt pas aan de orde wanneer sprake is van een voldoende spoedeisend belang. Toch zal de voorzieningenrechter hier onder 2.4. iets langer bij stil staan om wellicht onnodige procedures te voorkomen.
2.2.
In dit geval voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval wél aan het formele connexiteitsvereiste. De voorzieningenrechter geeft het college gelijk wanneer het in zijn verweerschrift opmerkt dat eiser na bekendmaking van het besluit op 19 november 2025 geen bezwaarschrift heeft ingediend. Maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met zijn e-mail van 10 november 2025 wel een te vroeg bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:10 van Pro de Awb ingediend.
2.3.
Verzoeker maakt in deze e-mail nadrukkelijk bezwaar tegen de reactie die hij tot dat moment op zijn verzoeken om informatie heeft gekregen. Hij wijst op de enorme data dump die hij heeft gekregen, op de anonimisering die heeft plaatsgevonden en op de stukken die hij mist. Hij is het daarmee niet eens, maakt bezwaar en vraagt om de in zijn ogen ontbrekende stukken op zijn verzoek. Hij schrijft dat hem volstrekt onduidelijk is op welke gronden de gemeente een besluit heeft genomen. De voorzieningenrechter volgt het college niet in diens (ten overvloede) interpretatie dat verzoeker (alleen) bezwaar maakt tegen het niet formeel nemen van een besluit. In feite zegt het college daarmee dat geen sprake is van een bezwaarschrift in de zin van artikel 6:5 van Pro de Awb maar een vorm van protest tegen de behandeling zijn Woo-verzoek. De voorzieningenrechter leest verzoekers e-mail als een bezwaarschrift in de zin van de Awb waarop een formele beslissing moet volgen. Het college zal moeten beslissen of dit een
ontvankelijkbezwaarschrift is. In artikel 6:10 van Pro de Awb staat namelijk dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening:
wel reeds tot stand was gekomen, of
nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
2.4.
Het college is dus nog aan zet om de beoordeling te maken of het voortijdige ingediende bezwaarschrift ontvankelijk is gelet op de gronden onder a en b. Wanneer het college meent dat verzoekers te vroeg ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk is dan zal het college daarover een besluit op bezwaar moeten nemen zodat verzoeker daartegen in beroep kan gaan. Wanneer het college meent dat het bezwaarschrift bij nader inzien wel ontvankelijk is dan zal het een inhoudelijke beslissing op verzoekers bezwaren tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van zijn Woo-verzoek moeten nemen.
2.5.
De voorzieningenrechter vraagt het college bij de beoordeling van de vraag of verzoekers te vroeg ingediende bezwaarschrift ontvankelijk is, het volgende in ogenschouw te nemen. Op 12 november 2025 schrijft de adviseur migratieopgaven dat de gemeente in beginsel werkt zonder officieel besluit en pas een officieel besluit neemt als de Woo-verzoeker niet tevreden met de behandeling van zijn verzoek. De voorzieningenrechter krijgt de indruk dat hiermee wordt gedoeld op artikel 4:4 van Pro de Woo in welke gevallen het college in ieder geval een schriftelijk besluit moet nemen en niet kan worden volstaan met een mondelinge beslissing op het verzoek om informatie. De wetgever laat de verplichting van het nemen van een schriftelijk besluit op een schriftelijk verzoek echter niet afhangen van de mate waarin de Woo-verzoeker tevreden is. Een Woo-verzoeker kan namelijk ook tevreden zijn, ondanks dat zijn schriftelijke verzoek om informatie gedeeltelijk wordt afgewezen. Hij kan het namelijk eens zijn met de redenen die het college hiervoor geeft en in die zin tevreden zijn. Dan dient het college echter nog steeds op een schriftelijk verzoek dat geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen een schriftelijk besluit te nemen. Dit komt de rechtsbescherming ten goede en voorkomt de onduidelijke situatie die zich nu voordoet waarbij er – gelet op de woordkeuze van adviseur migratieopgaven- kennelijk zoiets bestaat als een officieel besluit en een niet officieel besluit.
2.6.
De voorzieningenrechter vindt verzoeker dus wel ontvankelijk omdat er bezwaar is gemaakt, het college zal vervolgens moeten beoordelen of het bezwaarschrift ontvankelijk is. Formele connexiteit alleen is echter nog niet voldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Zoals hierboven is overwogen voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker aan de vereiste formele connexiteit. Uit artikel 8:81, eerste lid van de Awb vloeit vervolgens voort dat als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bij een bestuursorgaan bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in dat mogelijk beroep, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Onverwijlde spoed wordt ook spoedeisend belang genoemd.
3.1.
De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening wanneer sprake is van een voldoende ernstig of onomkeerbaar nadeel dat uit het besluit voortvloeit en waarbij niet van verzoeker kan worden verwacht dat hij het besluit op het bezwaar afwacht.
3.2.
Verzoeker heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het college alle gevraagde informatie openbaar maakt. Aan een dergelijk verzoek is weinig voorlopigs. Immers, wanneer verzoeker in bezwaar ongelijk zou krijgen dan is de informatie al openbaar en dat valt moeilijk terug te draaien. Er moet dus sprake zijn van een nadrukkelijk spoedeisend belang wil de voorzieningenrechter dat in overweging nemen. Een dergelijk spoedeisend belang heeft verzoeker niet gesteld.
3.3.
Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verzoeker in de e-mail van 8 januari 2026 en de daarbij gevoegde ‘
Aanvullende notitie buurtbewoners’daarom het spoedeisend belang toegelicht. Volgens verzoeker is het spoedeisend belang gelegen in de door het college verleende omgevingsvergunning die directe uitvoering mogelijk maakt voor een grootschalige AZC-opvanglocatie aan de [adres] , direct grenzend aan een sportpark en intensief gebruikte fiets- en schoolroutes. Daarbij leidt de realisatie en inrichting tot een feitelijk en maatschappelijk onomkeerbare situatie, is de besluitvorming versneld en deadline gedreven en zijn essentiële randvoorwaarden niet gerealiseerd of juridisch geborgd. Verzoeker lijkt in feite schorsing van de vergunning te verzoeken, maar daar gaat deze zaak niet over en dat kan verzoeker dus niet met dit verzoek bereiken. In zoverre ontbreekt in feite de materiële connexiteit. Als verzoeker het niet eens is met deze omgevingsvergunning is het aan hem om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.
3.4.
Voor zover verzoekt vraagt om alle informatie alvast in afwachting van zijn bezwaar openbaar te maken, is de voorzieningenrechter daarom van oordeel dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij een concreet spoedeisend belang heeft. Verzoeker heeft in dat kader niets aangevoerd waarom de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht en welk onomkeerbaar nadeel voor hem dreigt.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter concludeert dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat de gevraagde Woo-stukken niet openbaar hoeven te gemaakt gedurende de behandeling van verzoekers bezwaar.
4.1.
Voor een vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.