Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de Raad
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
voorlopigoordeel van de staatssecretaris van 5 juli 2024. Hierin heeft de staatssecretaris beslist dat eisers overdracht naar Bulgarije in weerwil van de door hem ingediende herhaalde asielaanvraag niet achterwege wordt gelaten. De rechtbank ziet niet in dat het alsnog verlenen van een toevoeging voor die procedure voor eiser nog van feitelijke betekenis is. Hij is immers inmiddels alsnog naar Bulgarije is uitgezet, nadat dit voorlopige oordeel had plaatsgemaakt voor definitieve besluitvorming over zijn herhaalde asielaanvraag. Voor de beroepszaak is wel een toevoeging verleend (1KL5980), hetgeen ook geldt voor de door de voormalige gemachtigde (succesvol) aanhangig gemaakte voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting op 8 juli 2024 (1KK8254). Eiser kan dus met eventueel (alsnog) toegevoegde rechtsbijstand niet meer bereiken dat hij in Nederland mag blijven. Feitelijke betekenis bij een toevoeging ontbreekt daarom voor hem. Gelet op de geschetste gang van zaken is verder niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door het niet verlenen van de toevoeging. Dat eiser zijn gemachtigde opdracht heeft gegeven om niet uitsluitend op toevoegingsbasis maar tegen facturering werkzaamheden voor hem te verrichten, acht de rechtbank gelet op het gestelde ontbreken van inkomen niet aannemelijk. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit over de afwijzing van zijn verzoek om (gefinancierde) rechtsbijstand. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat, anders dan in de zaak 25/146, de rechtsbijstandsverlener zelf geen belanghebbende is bij deze procedure. Het ingestelde rechtsmiddel kan dus niet worden toegerekend worden aan de gemachtigde.