ECLI:NL:RBOBR:2026:1122

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/4371 en 25/422
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.3 WaboArt. 5:39 AwbArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 1.1 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom en invordering wegens onvergunde opslag afvalstoffen

Eiseres exploiteert een afvalverwerkingsbedrijf en kreeg van het college een last onder dwangsom opgelegd wegens het opslaan van niet-vergunde afvalstoffen en het los storten van vergunde afvalstoffen in strijd met haar omgevingsvergunning. Na het constateren dat eiseres niet aan de last had voldaan, werd een dwangsom ingevorderd. Eiseres betwistte deze besluiten en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onduidelijkheid over de last, onrechtmatigheid van de rapporten van bevindingen, en bijzondere omstandigheden die handhaving zouden moeten beperken.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht de last onder dwangsom heeft opgelegd en de dwangsom heeft ingevorderd. De aanpassing van de grondslag van de last in bezwaar was toegestaan, de rapporten van bevindingen waren betrouwbaar en niet weersproken, en eiseres slaat onvergund afval op, waaronder elektrische afvalstoffen en autobanden die niet voor hergebruik bestemd zijn. Het los storten van afval was in strijd met vergunningvoorschriften, omdat de vloer aan het einde van de werkdag leeg moet zijn.

Verder was er geen concreet zicht op legalisatie van de overtreding en waren er geen bijzondere omstandigheden die handhaving onevenredig maakten. De rechtbank wijst het verzoek tot verwijzing naar een meervoudige kamer af en verklaart de beroepen ongegrond. Eiseres moet de dwangsom van € 2.750,- betalen en krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom en invordering wegens onvergunde opslag afvalstoffen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 24/4371 en 25/422

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [vestingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

(gemachtigden: mr. S.J.S. van Gils).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een beslissing op bezwaar tegen een last onder dwangsom en een invorderingsbeschikking die door het college zijn genomen. Het college heeft de last onder dwangsom opgelegd nadat het heeft geconstateerd dat eiseres niet-vergunde afvalstoffen opsloeg en wel vergunde afvalstoffen los stortte in plaats van dat zij deze opsloeg. Vervolgens heeft het college geconstateerd dat eiseres niet aan de last had voldaan, waarop het college de verbeurde dwangsommen heeft ingevorderd. Eiseres is het niet eens met deze besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bestreden besluiten mocht nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft geconstateerd dat eiseres in overtreding was en dus de last onder dwangsom mocht opleggen. Het college heeft vervolgens terecht geconstateerd dat eiseres nog steeds in overtreding was ten aanzien van het opslaan van niet-vergunde afvalstoffen, zodat het de verbeurde dwangsom mocht invorderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres exploiteert in [vestingsplaats] een afvalverwerkingsbedrijf. Deze activiteiten zijn door het college vergund met een omgevingsvergunning milieu van 16 juli 2010. De omgevingsvergunning is met twee veranderingsvergunningen van 28 augustus 2014 en 10 december 2018 gewijzigd.
2.1.
Het college heeft eiseres met zijn besluit van 21 december 2023 een last onder dwangsom opgelegd omdat zij in strijd met de omgevingsvergunning handelt omdat eiseres de vergunde afvalstoffen los stortte in plaats van dat zij deze opsloeg. Ook heeft het college geconstateerd dat eiseres handelde in strijd met artikel 2.1, eerste lid en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omdat zij niet-vergunde afvalstoffen opslaat. Het college heeft eiseres een termijn van drie maanden gegeven na inwerkingtreding van de last om de overtredingen ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 2.750,- per overtreding per week, met een maximum van € 16.500,-.
2.2.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft op 17 december 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 12 november 2024. [1]
2.4.
Met het bestreden besluit van 18 december 2024 heeft het college een bedrag van € 2.750,- ingevorderd bij eiseres vanwege een door het college geconstateerde overtreding van de last onder dwangsom. Op grond van artikel 5:39 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres mede betrekking op deze invorderingsbeschikking. [2]
2.5.
De beroepen zouden oorspronkelijk worden behandeld door een meervoudige kamer. Eén van de rechters heeft echter verzocht zich te mogen verschonen omdat hij eerder als voorzieningenrechter heeft opgetreden in een procedure naar aanleiding van het bestreden besluit van 12 november 2024. Dit verschoningsverzoek is door de wrakingskamer toegewezen. Hierna is de zaak door de meervoudige kamer (in een nieuwe samenstelling) verwezen naar een enkelvoudige kamer.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college deelgenomen. Ook waren namens het college aanwezig: mr. P.P.G. Wintjes en [naam]

Beoordeling door de rechtbank

Algemeen
Behandeling door een meervoudige kamer
3. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Volgens eiseres dient een meervoudige behandeling het belang van rechtsherstel en het wegnemen van een schijn van belangenverstrengeling. Eiseres is teleurgesteld in de behandeling van andere zaken door deze rechtbank waarin hij partij is geweest.
3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
3.2.
Een verwijzing van een meervoudige kamer naar een enkelvoudige kamer kan in elke fase van het geding plaatsvinden. Een enkelvoudige kamer kan daartoe beslissen als zij van oordeel is dat de zaak ongeschikt is voor behandeling door één rechter. Ook in andere gevallen kan verwijzing plaatsvinden. Binnen de rechtspraak zijn omstandigheden aangewezen die hiertoe aanleiding kunnen geven. Het gaat dan met name om zaken die een principieel karakter hebben of die vanwege hun complexiteit of omvang gebaat zijn bij een behandeling door meerdere rechters.
3.3.
De zaak is niet dusdanig complex of principieel dat verwijzing aangewezen is. De teleurstelling van eiseres in de behandeling van de andere zaken waarin zij betrokken is geweest, vormt als zodanig onvoldoende grond voor een verwijzing naar de meervoudige kamer.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór dat tijdstip een overtreding heeft plaatsgevonden en een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding, dan blijft op die besluiten het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. [3] De last onder dwangsom is op 21 december 2023 opgelegd voor een overtreding die vóór dat tijdstip is begaan, zodat het oude recht – de Wabo – van toepassing is.
Het bestreden besluit van 12 november 2024 (de last onder dwangsom)
Algemeen
5. In het bestreden besluit op bezwaar van 12 november 2024 heeft het college geconstateerd dat eiseres:
niet-vergunde afvalstoffen (elektronica en autobanden) opslaat, en
vergunde afvalstoffen niet juist opslaat, namelijk door de afvalstoffen los te storten en los gestort te houden in plaats van deze in containers op te slaan.
Mocht het college de grondslag van de last aanvullen?
6. Eiseres betoogt dat het college de last in bezwaar ontoelaatbaar heeft verzwaard. Het college heeft de grondslag van de last in het bestreden besluit namelijk aangevuld door artikel 2.3, onder a, van de Wabo toe te voegen in combinatie met voorschrift 4.1.2 van de vergunning van 28 augustus 2014. Artikel 2.3, onder a, van de Wabo bepaalt dat het verboden is om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op – voor zover in deze zaak van belang – het in werking hebben van een inrichting. Voorschrift 4.1.2 van de vergunning van 28 augustus 2014 bepaalt dat de vloer van de hal waar het te sorteren afval wordt opgeslagen aan het einde van de werkdag leeg dient te zijn.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In bezwaar is het college bevoegd om de grondslag van de last aan te vullen, mits het aan de last ten grondslag gelegde feitencomplex en de opgelegde last niet te zeer worden gewijzigd. [4] Het verwijt dat het college eiseres feitelijk maakt, namelijk het niet op de juiste wijze opslaan van vergund afval, is niet gewijzigd. De aangevulde grondslag is ook niet van wezenlijk andere aard dan de oorspronkelijke grondslag, namelijk het onvergund opslaan van afvalstoffen. Van eiseres wordt bovendien niets zwaarders aan herstelmaatregelen verwacht dan in de oorspronkelijke last het geval was. Het college heeft met de aanpassing van de last juist – in lijn met de wens van eiseres – tot uitdrukking gebracht dat het vergunde afval ten behoeve van het sorteerproces los gestort mag worden en dus niet voortdurend opgeslagen hoeft te zijn in een container, mits het afval na het einde van de werkdag niet langer los is gestort.
Mocht het college zich baseren op de rapporten van bevindingen?
7. Eiseres heeft in zijn beroepschrift bedenkingen naar voren gebracht over de vooringenomenheid van de toezichthouder die de rapporten van bevindingen heeft opgesteld waarop de last onder dwangsom van 21 december 2023 en het bestreden besluit op bezwaar van 12 november 2024 zijn gebaseerd.
7.1.
Het college heeft de last onder dwangsom mede gebaseerd op een rapport van bevindingen van 11 december 2023 dat is opgesteld naar aanleiding van een controlemoment op 23 november 2023. Hierin heeft de toezichthouder opgetekend dat in de inrichting van eiseres elektronisch afval was opgeslagen, autobanden waren opgeslagen en afval los gestort werd opgeslagen. Het college heeft het bestreden besluit op bezwaar gebaseerd op een rapport van bevindingen van 1 maart 2024 dat is opgesteld naar aanleiding van controlemomenten op 28 en 29 februari 2024. De beide rapporten van bevindingen zijn voorzien van foto’s ter staving van de constateringen.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Een bestuursorgaan mag in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een door een toezichthouder op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Eiseres heeft de feitelijke juistheid van de rapporten van bevindingen niet weersproken. Het college mocht de daarin opgenomen bevindingen daarom ten grondslag leggen aan de besluiten van 21 december 2023 en 12 november 2024.
Is er sprake van opslag van niet-vergunde afvalstoffen?
8. Volgens eiseres is er geen sprake van een overtreding ten aanzien van het opslaan van niet-vergunde afvalstoffen. Volgens eiseres verlangt het college met de last het onmogelijke. Eiseres ontkomt er niet aan dat zij ongewild niet-vergunde afvalstoffen onder zich krijgt, aangezien het aangeleverde afval eerst moet worden gesorteerd voordat eiseres kan constateren dat er niet-vergunde afvalstoffen zijn aangeleverd. De vergunningvoorschriften onderkennen dit, aangezien voorschrift 3.1.6 uit de vergunning van 16 juli 2010 nadrukkelijk een voorziening treft voor de omstandigheid dat afvalstoffen worden aangevoerd die niet vergund zijn. Daarnaast staat voorschrift 3.5.4 van de vergunning van 16 juli 2010 toe dat ongewenste afvalstoffen worden opgebulkt en éénmaal per jaar worden afgevoerd. Voorschrift 1.3.1 van de overgunning van 10 december 2018 vermeldt bovendien een opslagtermijn voor afvalstoffen van één jaar en maakt geen onderscheid tussen afvalstoffen.
8.1.
Het college wijst erop dat de vergunning van 16 juli 2010 voorschriften bevat ten aanzien van aangevoerde niet-vergunde afvalstoffen. Voorschrift 3.1.6 van die vergunning bepaalt daarover:
‘Indien bij de controle van aangevoerde afvalstoffen blijkt dat deze niet mogen worden geaccepteerd, moeten deze afvalstoffen door vergunninghouder worden afgevoerd naar een inrichting die beschikt over de vereiste Wm-vergunning(en). Deze handelswijze moet in het acceptatie reglement van het AV-beleid en AO/IC zijn vastgelegd.’
8.1.1.
Het college wijst er verder op dat paragraaf 3.1.1 van het AV-beleid, dat deel uitmaakte van de aanvraag die leidde tot de vergunning van 10 december 2018, nadrukkelijk vermeldt dat enkel afvalstromen geaccepteerd worden die mogen worden verwerkt binnen de inrichting. In paragraaf 3.4 van het AV-beleid staat verder vermeld dat onterecht geaccepteerd afval gescheiden wordt opgeslagen en dat wordt geprobeerd om deze partijen terug te sturen naar de ontdoener en anders naar bevoegde derden voor verwerking. Volgens het college is opbulking niet toegestaan, aangezien dat een vorm van niet-vergunde opslag is. Voorschrift 3.5.4 van de vergunning van 16 juli 2010 en voorschrift 1.3.1 van de vergunning van 10 december 2018 zijn niet op niet-vergund afval van toepassing, maar alleen op vergund afval.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de opslagtermijnen van voorschrift 3.1.6 van de vergunning van 16 juli 2010 en voorschrift 1.3.1 van de vergunning van 10 december 2018 niet van toepassing zijn op niet-vergund afval. Eiseres heeft namelijk alleen een vergunning voor het afval dat is genoemd in voorschrift 1.1.1 van de vergunning van 10 december 2018. Dat de vergunning ook regelt hoe eiseres om dient te gaan met niet-vergund afval, betekent niet dat niet-vergund afval mag worden opgeslagen. Eiseres heeft toegegeven dat zij voor langere tijd elektrisch afval opslaat en dat zij autobanden van derden inneemt die niet herbruikbaar zijn en dat zij die banden langere tijd onder zich heeft. Dat betekent dat eiseres niet-vergund afval opslaat. Daarom is zij in overtreding.
8.2.1.
Eiseres heeft aangegeven dat het niet realistisch is dat zij te allen tijde kan voorkomen dat zij niet-vergund afval aangeleverd krijgt en zij dit onverhoopt accepteert. Dat doet er echter niet aan af dat eiseres nu eenmaal geen vergunning heeft om dit afval op te slaan en dat zij in overtreding is zodra zij niet-vergund afval accepteert. Het is daarbij niet van belang of deze afvalstoffen gewild of ongewild zijn verkregen. Het is de verantwoordelijkheid van een afvalverwerker om te controleren of hij bevoegd is om het aangevoerde afval te verwerken en om de leveranciers van afval te instrueren over welk afval wel en niet wordt geaccepteerd. Verder is eiseres verplicht om, als zij dan toch per ongeluk niet-vergund afval accepteert, hier direct op te handelen. Dat staat namelijk in voorschrift 3.1.6 van de vergunning van 16 juli 2010 en in het eigen beleid van eiseres.
Is de last ten aanzien van de autobanden voldoende duidelijk geformuleerd?
9. Eiseres geeft toe dat er autobanden op zijn terrein aanwezig waren die niet voor hergebruik bestemd zijn. Zij heeft echter aangevoerd dat niet alle banden afval zijn en dat de last in het bestreden besluit daarom te ruim is geformuleerd. Er is namelijk sprake van een vermenging van banden van derden (wel afvalstoffen) en eigen bedrijfsbanden (geen afvalstoffen). De eigen bedrijfsbanden worden opgeslagen voor hergebruik. Daarbij krijgen oude banden een vernieuwd loopvlak. Eiseres heeft onderbouwd dat de inrichting de nodige vrachtwagens, kranen en aanhangwagens huist en dat dit verklaart waarom er zo veel banden ter plaatse zijn. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de aangetroffen banden.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank legt hierna uit waarom.
9.2.
De last onder dwangsom is opgelegd vanwege een overtreding van artikel 2.1, eerste lid en onder e, van de Wabo. Op grond van het derde subonderdeel van dit artikel is het verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in werking hebben van een inrichting. In deze zaak is niet in geschil dat eiseres een inrichting exploiteert die ziet op het verwerken van afvalstoffen. Dat is een activiteit die vergunningplichtig is gesteld in artikel 2.1, derde lid, van de Wabo in combinatie met artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in combinatie met bijlage I, onderdeel C, categorie 28 van dat besluit.
9.3.
Artikel 1.1, derde lid, van het Bor verwijst voor de definitie van het begrip ‘afvalstoffen’ naar artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Daarin zijn afvalstoffen gedefinieerd als ‘alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen’. Het begrip ‘afvalstoffen’ is verder uitgewerkt in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), in het bijzonder in het arrest
Tronex. [5] In dit arrest heeft het HvJ EU, kort gezegd, geoordeeld dat bij de kwalificatie van stoffen als ‘afvalstof’ moet worden gekeken naar het gedrag van de houder van een stof of voorwerp. Of iemand ‘zich ontdoet’ van een stof of voorwerp, moet worden bezien in het licht van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen, namelijk het tot een minimum beperken van de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen voor menselijke gezondheid en milieu. [6]
9.4.
Als de stof of het voorwerp in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of geen nut meer heeft, dan is dit een belangrijke indicatie deze stof een last is waarvan de houder zich wil ontdoen. Als dat het geval is, dan bestaat er namelijk een risico dat de houder zich van de stof of het voorwerp in zijn bezit ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door de stof of het voorwerp onbeheerd achter te laten of ongecontroleerd te lozen of te verwijderen. In dat geval is het van belang dat de opslag van de stof of het voorwerp wordt gereguleerd door de afvalstoffenregelgeving. Het begrip ‘afvalstoffen’ moet ruim worden uitgelegd.
9.5.
De mate waarin het waarschijnlijk is dat een stof of voorwerp zonder voorafgaande bewerking of reparatie wordt hergebruikt, vorm een relevant criterium om te beoordelen of iets een afvalstof in de zin van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen is. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof of het voorwerp in kwestie te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In zo’n geval kan de stof of het voorwerp in kwestie niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder ‘zich wil ontdoen’, maar gaat het om een echt product. Als een nadere bewerking of reparatie wél noodzakelijk is, dan is dat juist een aanwijzing dat er sprake is van een afvalstof. Op dat moment vormt de stof of het voorwerp namelijk een last voor de houder.
9.6.
Om te bewijzen dat gebrekkig werkende apparaten geen afval zijn, moet de houder van de betrokken stoffen of voorwerpen aantonen dat hergebruik ervan niet alleen tot de mogelijkheden behoort, maar zeker is, en ervoor zorgen dat de daartoe noodzakelijke controles hebben plaatsgevonden en de benodigde reparaties of bewerkingen zijn verricht. Die bewijslast legt het HvJ EU nadrukkelijk bij de houder van de betrokken stoffen of voorwerpen. [7]
9.7.
Uit de formulering van de last blijkt dat deze is opgelegd vanwege de opslag van niet-vergunde afvalstoffen. Bij de beschrijving van de mogelijke herstelmaatregelen heeft het college weliswaar niet geëxpliciteerd dat alleen die banden hoeven te worden afgevoerd die afvalstoffen zijn, maar dat was in het licht van de strekking van het besluit ook niet nodig. Van het college kan in redelijkheid niet worden gevergd dat hij in de last precies aangeeft welke autobanden wel afvalstoffen zijn en welke niet. Het is juist eiseres die in staat is om te bepalen welke autobanden afvalstoffen zijn en welke niet. Eiseres is immers bekend met de herkomst en de bestemming van de autobanden. Voor zover eiseres autobanden heeft die geen afvalstof zijn, vallen deze autobanden niet onder de reikwijdte van de last.
Is er sprake van het los storten van afvalstoffen?
10. Volgens eiseres begaat zij geen overtreding met de wijze waarop zij het vergunde afval opslaat. Voor het sorteerproces is het namelijk vereist dat het afval los wordt gestort. Het los storten van afval ten behoeve van het sorteerproces kan daarom geen overtreding vormen. In voorschrift 1.1.1 van de vergunning van 16 juli 2010 staat hooguit dat de inrichting schoon moet worden gehouden en in goede staat moet verkeren. Daarmee is echter niet gezegd dat de inrichting ook steeds leeg moet zijn.
10.1.
Het college heeft aangegeven dat het los storten van afval ten behoeve van het sorteerproces niet wordt gezien als een vorm van ongeoorloofde opslag. Wel wijst het college op voorschrift 4.1.2 van de vergunning van 28 augustus 2014. Hierin is opgenomen dat de vloer van de hal waar het te sorteren afval wordt opgeslagen, aan het einde van de werkdag leeg dient te zijn. Volgens het college volgt hieruit dat sprake is van onvergunde opslag zodra afval aan het einde van de werkdag nog los gestort aanwezig is.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres in strijd heeft gehandeld met voorschrift 4.1.2 van de vergunning van 28 augustus 2014. In het rapport van bevindingen van 1 maart 2024 is namelijk geconstateerd dat er op 29 februari 2024 afval is waargenomen dat op 28 februari 2024 in dezelfde toestand is aangetroffen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de hal waarin het afval was opgeslagen, aan het einde van de werkdag van 28 februari 2024 leeg was. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
10.3.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat het los storten van afval is toegestaan. Aangezien het college zelf heeft medegedeeld dat het los storten van afval ten behoeve van het sorteerproces op zichzelf bezien toelaatbaar is, mits het afval aan het einde van de werkdag in containers is opgeslagen, ziet de rechtbank geen aanleiding om zich hierover uit te laten.
Was er sprake van bijzondere omstandigheden die handhaving onevenredig maakten?
11. Eiseres heeft aangevoerd dat het college ambtshalve voorschriften had kunnen opnemen in de vergunning over het opslaan van niet-vergund afval, zodat het opslaan van het niet-vergunde afval zou worden gelegaliseerd. Het college heeft pas laat aangegeven dat hiervoor een vergunning dient te worden aangevraagd.
11.1.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om te handhaven, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat.
11.2.
In dit geval bestond er geen concreet zicht op legalisatie. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor legalisatie in dit geval is vereist dat eiseres een aanvraag indient voor het wijzigen van de omgevingsvergunning milieu. Het college kan namelijk niet ambtshalve – dus zonder aanvraag – afvalstoffen vergunnen. Daarmee zou het college immers buiten de grondslag van de aanvraag treden. Eiseres heeft er echter bewust van afgezien om een aanvraag in te dienen. Daarom kan niet worden gezegd dat er zicht was op legalisatie.
11.3.
De conclusie is op dit punt dat er geen concreet zicht was op legalisatie. Eiseres heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die handhaving onevenredig maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
12. Het college was, gelet op het voorgaande, dus bevoegd om handhavend op te treden en heeft die bevoegdheid op een rechtmatige wijze uitgeoefend.
Het bestreden besluit van 18 december 2024 (de invorderingsbeschikking)
Beroep tegen invorderingsbeschikking
13. Eiseres heeft aangegeven dat zij niet de bedoeling heeft gehad om beroep in te stellen tegen de invorderingsbeschikking. Zij verzoekt om terugwijzing van haar betwisting van de invorderingsbeschikking naar het college.
13.1.
Artikel 5:39, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een beroep tegen een last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Aangezien eiseres de dwangsom betwist, maakt ook de invorderingsbeschikking deel uit van deze procedure. Het maakt in dit verband niet uit dat eiseres de stukken rondom de invorderingsbeschikking slechts ter informatie naar de rechtbank heeft gestuurd. Ook als eiseres dat niet had gedaan, was het bezwaar van rechtswege komen voor te liggen bij de rechtbank.
13.2.
De bestuursrechter kan op grond van het tweede lid van artikel 5:39 van Pro de Awb het beroep verwijzen naar een ander orgaan, indien de behandeling door dit orgaan gewenst is. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de betwisting van eiseres van de invorderingsbeschikking ter afdoening te verwijzen naar het college. De rechtbank zou dat onwenselijk vinden. Met een verwijzing naar het college is geen belang gediend. Het is juist in het belang van alle betrokkenen dat op korte termijn duidelijkheid wordt verkregen over de geldigheid van de invorderingsbeschikking.
Beoordeling beroep
14. De invorderingsbeschikking van 18 december 2024 is opgesteld naar aanleiding van een rapport van bevindingen van 15 april 2024 naar aanleiding van controles op 8 april 2024 en 9 april 2024. De toezichthouder heeft geconstateerd dat er autobanden waren opgeslagen. Het rapport van bevindingen bevat foto’s van op verschillende wijzen opgeslagen autobanden.
14.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat – hoewel eiseres ook autobanden heeft laten afvoeren – er op 8 en 9 april 2024 autobanden aanwezig waren die niet bestemd waren voor hergebruik. Eiseres heeft immers toegegeven dat er in ieder geval ook autobanden van derden aanwezig waren, waarvan eiseres ook zelf heeft aangegeven dat deze niet bestemd waren voor hergebruik. Dat betekent dat eiseres op deze data niet aan de last heeft voldaan. Zij heeft daarmee van rechtswege een dwangsom verbeurd. Aangezien de last onder dwangsom inhield dat eiseres € 2.750,- moet betalen per geconstateerde overtreding, heeft het college tot invordering van dit bedrag over mogen gaan.

Conclusie en gevolgen

15. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. De last onder dwangsom blijft dus gelden en eiseres moet het college € 2.750,- betalen.
15.1.
Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgt eiseres haar griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid
om de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit betreft de zaak SHE 24/4371.
2.Dit betreft de zaak SHE 25/422.
3.Dat staat in artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1855, overweging 3.2.
5.HvJ EU 4 juli 2019, C-624/17, ECLI:EU:C:2019:564 (Tronex).
6.Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.
7.HvJ EU 4 juli 2019, C-624/17, ECLI:EU:C:2019:564 (Tronex), overweging 40.