ECLI:NL:RBOBR:2026:1132

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
25/1552
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 8a Besluit kinderopvangtoeslagWet hersteloperatie toeslagenAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingenWet kinderopvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag 2012 wegens geen schade door vooringenomenheid of hardheid

Eiseres verzocht compensatie voor de kinderopvangtoeslag over 2012 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen wees dit verzoek af, hoewel zij erkende dat er sprake was van institutionele vooringenomenheid omdat eiseres niet vooraf een vraagbrief ontving. De rechtbank bevestigt dat de afwijzing terecht is omdat eiseres geen schade heeft geleden door deze vooringenomenheid.

De kinderopvangtoeslag werd in 2012 definitief vastgesteld op basis van de arbeidsurenkoppeling, waardoor eiseres het bedrag ontving waarop zij recht had. De terugvordering van een deel van de toeslag was niet het gevolg van vooringenomenheid, maar van de wettelijke regels. Ook het beroep op hardheid wordt verworpen omdat de toeslag niet op nul werd gesteld en niet geheel werd teruggevorderd.

De rechtbank concludeert dat de afwijzing van het verzoek om compensatie voor 2012 in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Het beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak is gedaan door rechter J. Lie op 24 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag 2012 wordt ongegrond verklaard omdat geen schade of hardheid is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1552

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en

de Dienst Toeslagen (voorheen: de Belastingdienst/ Toeslagen),

(gemachtigde: mr. F.F.M. van de Kamp).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om compensatie kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 7 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2011, 2012 en 2013 afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres gegrond verklaard in die zin dat zij voor het jaar 2013 een compensatie krijgt van € 30.000. De afwijzing om compensatie kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 heeft de Dienst Toeslagen gehandhaafd.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar echtgenoot [naam], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3.1.
Met een beschikking van 6 maart 2015 heeft de Belastingdienst/ Toeslagen de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 definitief berekend op € 6.125. Omdat eerder aan eiseres een voorschot van € 16.160 was toegekend, moest zij het verschil (een bedrag van € 10.035) terugbetalen. Met het besluit op bezwaar van 26 augustus 2015 heeft de Belastingdienst/ Toeslagen de definitieve berekening kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 en de terugvordering gehandhaafd.
3.2.
Eiseres heeft zich op 8 januari 2021 gemeld bij de Dienst Toeslagen als gedupeerde van de toeslagenaffaire en een verzoek gedaan om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2013. De Dienst Toeslagen heeft het jaar 2011 ook in de beoordeling betrokken.
3.3.
Op 30 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen laten weten dat eiseres op basis van de zogenoemde ‘lichte toets’ vooralsnog geen recht heeft op een bedrag van € 30.000 (bekend als de Catshuisregeling).
3.4.
Vervolgens heeft de Dienst Toeslagen een integrale beoordeling gedaan en onderzocht of eiseres schade heeft geleden als gevolg van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid. [1] In dat kader heeft de Dienst Toeslagen advies gevraagd aan de Commissie van Wijzen en het verkregen advies betrokken bij zijn beoordeling. Dit heeft geleid tot de besluiten zoals die zijn opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.
De besluitvorming
4. De Dienst Toeslagen heeft de compensatie kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 afgewezen. Hoewel volgens de Dienst Toeslagen in 2012 vooringenomen is gehandeld omdat er destijds geen vraagbrief naar eiseres is verstuurd, heeft ze geen schade geleden als gevolg van het vooringenomen handelen. Het recht op kinderopvangtoeslag is in het besluit van 6 maart 2015 immers naar beneden bijgesteld vanwege de ingevoerde arbeidsurenkoppeling. Uit artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang (Besluit), zoals dat artikel luidde in 2012, volgt namelijk dat eiseres in 2012 gelet op het aantal door haar gewerkte uren (1010), maximaal recht had op 59 uren opvang per kind per maand. Dat betekent dat eiseres destijds – met het besluit van 6 maart 2015 – heeft gekregen waar ze op grond van dit artikel recht op had. Eiseres heeft daarom voor 2012 geen recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen. Eiseres heeft volgens de Dienst Toeslagen voor 2012 ook geen recht op compensatie wegens hardheid, omdat voor 2012 de kinderopvangtoeslag niet op nul euro is gesteld en ook niet in zijn geheel is teruggevorderd.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of doordat de uitvoering heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van het stelsel. Om voor compensatie in aanmerking te komen moet dus in elk geval sprake zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden. Die schade moet het gevolg zijn van de institutionele vooringenomenheid, of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag. [2]
5.1
De overige wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak en zoals deze luidden ten tijde van belang, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden
Vooringenomenheid
6.1.
Eiseres vindt dat zij recht heeft op compensatie voor het jaar 2012. Naast dat in haar geval sprake is geweest van individuele vooringenomenheid, heeft zij financiële schade geleden. Zij heeft immers achteraf de eerder toegekende kinderopvangtoeslag moeten terugbetalen.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 bij eiseres sprake is geweest van vooringenomenheid, omdat eiseres voorafgaand aan de definitieve berekening kinderopvangtoeslag voor dat jaar niet in de gelegenheid is gesteld om (met vraagbrieven) aannemelijk te maken dat ze aanspraak had op een hoger bedrag. Een voorwaarde voor het toekennen van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden als gevolg van vooringenomen handelen. In dit geval is de kinderopvangtoeslag echter niet lager vastgesteld vanwege vooringenomenheid, maar vanwege de per 1 januari 2012 ingevoerde arbeidskoppeling in artikel 8a van het Besluit. En zoals de Dienst Toeslagen terecht naar voren heeft gebracht, heeft eiseres destijds – met het besluit van 6 maart 2015 – gekregen waar ze op grond van dat artikel recht op had. Eiseres heeft dus voor 2012 geen recht op compensatie, omdat ze geen schade heeft geleden door de institutionele vooringenomenheid.
6.3.
De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres wel voelt alsof ze schade heeft geleden, omdat ze kinderopvangtoeslag moest terugbetalen, terwijl die eerder was toegekend. Maar dat neemt niet weg dat er eenvoudigweg geen sprake is van schade, omdat het lager vaststellen van de kinderopvangtoeslag niet het gevolg was van vooringenomenheid, en omdat eiseres precies datgene heeft gekregen waar ze op grond van de wettelijke bepalingen recht op had.
Hardheid
7.1.
Eiseres vindt dat sprake is van hardheid, omdat zij niet op de hoogte is gesteld van de wijziging in regelgeving in 2012 die haar disproportioneel hard treft. Zij is hierdoor financieel ernstig benadeeld. Omdat ze in principe in aanmerking zou moeten komen voor compensatie vanwege vooringenomenheid, maar dit volgens de Dienst Toeslagen niet kan worden toegekend omdat er geen benadeling zou zijn, vindt eiseres dat ze recht heeft op compensatie vanwege hardheid.
7.2.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht [3] blijkt dat er sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nul euro is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en die terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
7.3.
De rechtbank is het met Dienst Toeslagen eens dat in het geval van eiseres van hardheid als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht geen sprake is. Nog afgezien van het feit dat de kinderopvangtoeslag voor 2012 niet op nul euro vastgesteld en niet in zijn geheel is teruggevorderd, heeft eiseres immers geen schade geleden als gevolg van hardheid. Zoals onder 6.2 namelijk al is overwogen, is de kinderopvangtoeslag in de definitieve beschikking van 6 maart 2015 voor het jaar 2012 lager vastgesteld als gevolg van de per 1 januari 2012 ingevoerde arbeidsurenkoppeling en heeft eiseres gekregen waar zij recht op had.
7.4.
Eiseres heeft ook voor het overige geen aanknopingspunten aangereikt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met de terugvordering te dienen doelen. Hoewel de terugvordering voor eiseres ingrijpende gevolgen heeft gehad, leiden de door haar aangevoerde omstandigheden niet tot de conclusie dat sprake was van hardheid. Dat ze niet bekend was met de gewijzigde regelgeving en zij door de instanties niet hierop is gewezen, maakt niet dat zij is gedupeerd door hardheid van het stelsel van kinderopvangtoeslag. Dit betekent dat eiseres voor 2012 geen recht heeft op compensatie vanwege hardheid.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om compensatie kinderopvangtoeslag voor het jaar 2012 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van
drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1. Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang
zoals dit besluit luidde in 2012
Artikel 8a
1. Het aantal uren kinderopvang dat voor een tegemoetkoming in aanmerking komt, bedraagt voor ieder kind:
a. voor dagopvang en gastouderopvang aan een kind in de leeftijd, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, gezamenlijk:
– per berekeningsjaar niet meer dan 140 procent van het aantal gewerkte uren van de ouder of partner die in dat berekeningsjaar de minste uren heeft gewerkt, waarbij reistijd niet wordt aangemerkt als gewerkte uren, en
– per kalendermaand niet meer dan 230 uren,
voor buitenschoolse opvang en gastouderopvang aan een kind in de leeftijd, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, gezamenlijk:
– per berekeningsjaar niet meer dan 70 procent van het aantal gewerkte uren van de ouder of partner die in dat berekeningsjaar de minste uren heeft gewerkt, waarbij reistijd niet wordt aangemerkt als gewerkte uren, en
– per kalendermaand niet meer dan 230 uren.
2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt indien een ouder of partner wegens werkloosheid niet langer arbeid als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a of b, van de wet verricht, gedurende drie kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste dag na de dag waarop de arbeidsverhouding of het verrichten van arbeid in de onderneming van de partner is geëindigd, uitgegaan van het aantal uren dat de ouder of partner voorafgaand aan die werkloosheid werkte.

Voetnoten

1.Dat is geregeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
2.Zie Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p.72.
3.Zie Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 71-72.