ECLI:NL:RBOBR:2026:1226

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
01/365935/24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging moord en ontploffing met zwaar explosief

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van poging tot moord en het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing met een zwaar explosief bij een woning in Nieuwkuijk. Op 16 november 2024 plaatste en ontstak een medeverdachte een explosief tegen de voordeur van de woning, waarbij de bewoonster ernstig letsel aan haar benen opliep, waaronder amputatie.

Verdachte was de initiatiefnemer en opdrachtgever, leverde het explosief en regelde de beloning voor de uitvoerder. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten bewust en nauw samenwerkten, met voorbedachte raad, en dat zij de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust hebben aanvaard.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 15 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van aanzienlijke schadevergoedingen aan de slachtoffers, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente. De rechtbank wees een vrijheidsbeperkende maatregel af vanwege de lange gevangenisstraf.

De rechtbank verwierp het verweer dat de verklaringen van medeverdachten niet als bewijs konden dienen en achtte deze betrouwbaar en geloofwaardig. Verdachte ontkende zijn betrokkenheid, maar dit werd door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen. De zaak heeft grote maatschappelijke impact vanwege de ernst van het delict en de gevolgen voor het gezin.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf en betaling van aanzienlijke schadevergoedingen voor medeplegen van poging tot moord en het veroorzaken van een ontploffing met zwaar explosief.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.365935.24
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [plaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 maart 2025, 23 mei 2025, 19 augustus 2025, 17 november 2025, 22 en 26 januari 2026 en 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 januari 2025.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 mei 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1 primair:
hij op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeente Heusden) en/of te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven,- een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst en/of aangebracht en/of laten plaatsen of aanbrengen op, tegen en/of in de nabijheid van de voordeur van voormelde woning en/of- (vervolgens) dit voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding of ontploffing heeft gebracht en/of laten brengen,ten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners van voornoemde woning in die woning aanwezig waren)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeente Heusden), in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf omeen of meer bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven,- een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst en/of aangebracht op, tegen en/of in de nabijheid van de voordeur van voormelde woning en/of- (vervolgens) dit voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding of ontploffing heeft gebrachtten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners van voornoemde woning in die woning aanwezig waren)terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooidwelk hiervoor omschreven feit verdachte,in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 tot en met 16 november 2024 te ’s-Hertogenbosch en/of Nieuwkuijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen,namelijk door- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te benaderen en/of aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een hoeveelheid geld in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] afspraken te maken over de locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] een of meer voorverkenningen van/nabij de woning gelegen aan de [adres 2] te Nieuwkuijk te verrichten en/of- aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] een voorwerp houdende een explosieve stof en/of handschoenen te verstrekken;
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeente Heusden) en/of te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,aan J.J.M.G Achten opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel,te weten meerdere complexe beenbreuken (onder meer een beenamputatie tot gevolg hebbend) heeft toegebracht, door een voorwerp houdende een explosieve stof tot ontploffing te (laten) brengen op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan de [adres 2] , waarin die [slachtoffer 1] zich bevond;
Ten aanzien van feit 1 meest subsidiair
:[medeverdachte 1] op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk (gemeente Heusden) in elk geval in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere complexe beenbreuken (onder meer een beenamputatie tot gevolg hebbend) heeft toegebracht, door een voorwerp houdende een explosieve stof tot ontploffing te (laten) brengen op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan de [adres 2] , waarin die [slachtoffer 1] zich bevond;welk hiervoor omschreven feit verdachte,in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 tot en met 16 november 2024 te ’s-Hertogenbosch en/of Nieuwkuijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingennamelijk door- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te benaderen en/of aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een hoeveelheid geld in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] afspraken te maken over de locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] een of meer voorverkenningen van/nabij de woning gelegen aan de [adres 2] te Nieuwkuijk te verrichten en/of- aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] een voorwerp houdende een explosieve stof en/of handschoenen te verstrekken;
Ten aanzien van feit 2 primair:
hij, op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden en/of te ‘s-Hertogenbosch, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht dooreen voorwerp houdende een explosieve stof op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan de [adres 2] te (laten) plaatsen en/ofvoornoemd voorwerp houdende een explosieve stof tot ontbranding/ontploffing te (laten) brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of de inboedel en/of zich in nabijheid van die woning bevindende objecten en/of omliggende woningen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende personen,te duchten was;
Ten aanzien van feit 2 subsidiair:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een voorwerp houdende een explosieve stof op/tegen de voordeur, althans in de directe nabijheid, van de woning gelegen op/aan de [adres 2] te plaatsen en/ofvoornoemd voorwerp houdende een explosieve stof tot ontbranding/ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en/of de inboedel en/of zich in nabijheid van die woning bevindende objecten en/of omliggende woningen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende personen, te duchten waswelk hiervoor omschreven feit verdachte,in of omstreeks de periode van 1 oktober 2024 tot en met 16 november 2024 te ’s-Hertogenbosch en/of Nieuwkuijk, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen namelijk door- [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te benaderen en/of aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een hoeveelheid geld in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] afspraken te maken over de locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of- met die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] een of meer voorverkenningen van/nabij de woning gelegen aan de [adres 2] te Nieuwkuijk te verrichten en/of- aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] een voorwerp houdende een explosieve stof en/of handschoenen te verstrekken.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De waardering van het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 2 primair (medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen) en feit 1 primair (medeplegen van poging tot moord).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Dit zou namelijk leiden tot schending van artikel 6 EVRM Pro omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. Verdachte ontkent medeverdachte [medeverdachte 1] of medeverdachte [medeverdachte 2] opdracht te hebben gegeven tot het plaatsen van een explosief bij de betreffende woning. Bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, dient verdachte van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken.
Mocht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wel volgen, dan zou feit 2 subsidiair kunnen worden bewezen. Voor feit 1 wordt ook in dat geval vrijspraak bepleit.
Er is namelijk geen bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel en ook niet voor het bestanddeel ‘voorbedachte raad’.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Bewijsverweren.
Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren zal responderen, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt en zoals die in de bij dit vonnis behorende bewijsbijlage zijn opgenomen.
Gebruik verklaringen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wel als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Schending artikel 6 EVRM Pro.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdediging in de gelegenheid is geweest om het ondervragingsrecht uit te oefenen. Nadat de belastend verklarende medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een beroep hebben gedaan op hun verschoningsrecht bij de rechter-commissaris, is er door de verdediging geen afstand gedaan van het recht de medeverdachten als getuigen te ondervragen. Verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn ter terechtzitting verschenen en hebben de vragen van de rechtbank en de officier van justitie beantwoord. De verdediging heeft ter terechtzitting niet verzocht om de medeverdachten vragen te mogen stellen.
Nu de verdediging ter terechtzitting wel in de gelegenheid is geweest om het ondervragingsrecht uit te oefenen, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt, strandt het verweer dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.

Betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] betrouwbaar en geloofwaardig. De verklaringen zijn afgelegd terwijl de verdachten in alle beperkingen zaten en vinden onderling steun in elkaar. [medeverdachte 2] heeft een inhoudelijke verklaring afgelegd nadat hij tijdens een gesprek met zijn oma heeft gezworen om de waarheid te gaan spreken. Deze achtergrond draagt bij aan de authenticiteit van de verklaring van [medeverdachte 2] . De verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn bovendien in overeenstemming met de onderzoeksresultaten en worden bevestigd door ander bewijsmateriaal, zoals opgenomen in de bewijsbijlage. Dit geldt in het bijzonder voor de betrokkenheid van verdachte bij de aan hem ten laste gelegde feiten. Het steunbewijs heeft daarmee betrekking op de onderdelen van de belastende verklaringen van de medeverdachten die verdachte betwist.
Tot slot draagt bij aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat ze in deze verklaringen ook zeer belastend over hun eigen rol verklaren. Van enig motief om verdachte [verdachte] ten onrechte te beschuldigen van betrokkenheid bij een zeer ernstig delict is niet gebleken.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] niet bruikbaar is, omdat sprake zou zijn van een de auditu verklaring. Verdachte [medeverdachte 2] heeft namelijk ook verklaard over hetgeen hij van verdachte zelf heeft gezien en gehoord.
De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te twijfelen en acht deze verklaringen ook geloofwaardig en daarmee bruikbaar voor het bewijs.
De verklaring van verdachte.
De ontkennende verklaring van verdachte is in strijd met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Het door verdachte geschetste alternatieve scenario dat [naam 1] , de moeder van verdachtes ex-vriendin, overal achter zit, vindt op geen enkel vlak steun in het dossier en kent geen begin van aannemelijkheid. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
Feitenvaststelling.
Op basis van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
Verdachte [medeverdachte 2] heeft op 16 november 2024 omstreeks 02.42 uur een explosief met honderd tot enkele honderden grammen flitspoeder tegen de voordeur van de woning aan de [adres 2] te Nieuwkuijk geplaatst en aangestoken. De bewoonster van de woning, [slachtoffer 1] , kwam, gealarmeerd door een sissend en fluitend geluid, naar beneden. Terwijl zij achter de voordeur in de hal stond, kwam het explosief tot ontploffing. Ten gevolge van de ontploffing is zij zeer ernstig gewond geraakt aan haar benen.
In de woning waren naast [slachtoffer 1] ook haar partner [slachtoffer 2] en hun kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] aanwezig. [slachtoffer 2] heeft door de explosie gehoorschade opgelopen. Ook de woning is zwaar beschadigd geraakt ten gevolge van de explosie.
Betrokkenheid van de verdachten.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [verdachte] de opdracht tot het plaatsen van een explosief bij de woning heeft gegeven aan verdachte [medeverdachte 1] .
Verdachte [medeverdachte 1] heeft de opdracht aangenomen en heeft met verdachte [verdachte] een voorverkenning gedaan. Verdachte [verdachte] heeft aan verdachte [medeverdachte 1] drie vergelijkbare explosieven geleverd waarvan er één is gebruikt. Verdachte [medeverdachte 1] zag direct dat dit niet ging om cobra’s, zoals eerder besproken met verdachte [verdachte] , maar om veel zwaardere explosieven. Verdachte [medeverdachte 1] wilde zelf niet een dergelijk zwaar explosief gebruiken maar heeft vervolgens wel verdachte [medeverdachte 2] benaderd met de vraag of hij de opdracht wilde uitvoeren. [medeverdachte 2] heeft de opdracht aangenomen.
Verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens op 6 november 2024 (nogmaals) een voorverkenning gedaan.
Tijdens deze voorverkenning hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] uitgelegd bij welke woning [medeverdachte 2] het explosief moest plaatsen. Hierbij is uitdrukkelijk gezegd dat het bij de woning met huisnummer [nummer 1] moest gebeuren. [medeverdachte 1] heeft de woning ook aan [medeverdachte 2] aangewezen.
Verdachte [verdachte] heeft bepaald op welke dag het explosief zou moeten worden geplaatst. Hij heeft het explosief en handschoenen geregeld en naar de woning van [medeverdachte 1] gebracht. Ook heeft hij 300 euro in contanten en een halve gram cocaïne naar de woning van [medeverdachte 1] gebracht als beloning voor [medeverdachte 2] .
Verdachte [medeverdachte 2] is in de nacht van 15 op 16 november 2024 naar de woning van verdachte [medeverdachte 1] gegaan waar verdachte [medeverdachte 1] aan hem één van de door verdachte [verdachte] geleverde explosieven heeft overhandigd. Op aanraden van verdachte [medeverdachte 1] - die daartoe geïnstrueerd was door verdachte [verdachte] – heeft verdachte [medeverdachte 2] zijn telefoon in de woning van verdachte [medeverdachte 1] achtergelaten. Vervolgens is verdachte [medeverdachte 2] op de fiets naar de [adres 2] in Nieuwkuijk gegaan. Daar heeft hij het explosief tegen de voordeur geplaatst en tot ontploffing gebracht. Daarna is hij weer teruggefietst naar de woning van verdachte [medeverdachte 1] en heeft daar nog enige tijd verbleven.
In de dagen na het plegen van het delict heeft verdachte [verdachte] verdachte [medeverdachte 1] geïnstrueerd aan verdachte [medeverdachte 2] een andere jas te geven. Verdachte [medeverdachte 1] heeft dit vervolgens gedaan. De jas van verdachte [medeverdachte 2] heeft verdachte [verdachte] meegenomen en weggemaakt. Ook de twee niet gebruikte explosieven die nog bij verdachte [medeverdachte 1] lagen, heeft verdachte [verdachte] na de aanslag weer opgehaald.
Medeplegen.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen. De samenwerking is daarbij belangrijker dan wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Om tot de conclusie te komen dat er sprake is van medeplegen, moet de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage hebben geleverd die van voldoende gewicht is. Die bijdrage kan tijdens het delict plaatsvinden, maar ook daarvoor of daarna. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Op grond van de hiervoor weergegeven, door de rechtbank vastgestelde feiten, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten, gericht op het tot ontploffing brengen van een zwaar explosief voor de voordeur van de woning aan de [adres 2] te Nieuwkuijk. Ieder van de verdachten leverde hierbij een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict.
Verdachte [medeverdachte 2] heeft het explosief geplaatst en tot ontploffing gebracht. Hij heeft daarmee het delict feitelijk begaan.
Verdachte [verdachte] is de initiator en opdrachtgever en heeft de benodigde spullen en de beloning voor verdachte [medeverdachte 2] geregeld. Ook was hij nauw betrokken bij de voorbereiding van het delict en bij het wegmaken van sporen naderhand.
Verdachte [medeverdachte 1] heeft gefungeerd als tussenpersoon en heeft verdachte [medeverdachte 2] geregeld voor het daadwerkelijk uitvoeren van de opdracht van verdachte [verdachte] . Ook verdachte [medeverdachte 1] is intensief bij de voorbereiding van het delict en bij het wegmaken van sporen betrokken geweest.
Bewezenverklaring van feit 2 primair.
De rechtbank acht het onder feit 2 primair ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, wettig en overtuigend bewezen.
Op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat het handelen van de verdachten levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen heeft veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt. Bewoonster [slachtoffer 1] is zwaargewond geraakt en er is aanzienlijke schade toegebracht aan de woning.
Bewezenverklaring feit 1 primair.
De rechtbank acht ook het ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord op de bewoners van de woning aan de [adres 2] te Nieuwkuijk wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.
Opzet op de dood.
Voor een bewezenverklaring van poging tot moord/doodslag is vereist dat de dader opzet heeft gehad op het gevolg, namelijk de dood van één of meer personen, conform de tenlastelegging de bewoners van de [adres 2] te Nieuwkuijk.
Niet bewezen kan worden dat het daadwerkelijk de bedoeling was van een van de verdachten om de bewoners van de [adres 2] te Nieuwkuijk van het leven te beroven. Daarvoor bevat het dossier geen bewijs. Van boos opzet is dus geen sprake. Echter, opzet omvat ook het zogenaamde ‘voorwaardelijk opzet’.
Juridisch kader voorwaardelijk opzet.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer het handelen van de verdachten een aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van een of meer bewoners van de woning – teweeg heeft gebracht, verdachten zich bewust waren van die aanmerkelijke kans en die kans ook hebben aanvaard.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt vooral betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daaronder dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
dat het gevolg zal intreden.
Voor de vraag of er sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard. Echter, bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Aanmerkelijke kans.
Vaststaat dat de explosie ontzettend krachtig is geweest en met een grote drukgolf gepaard is gegaan. Het explosief is tegen de voordeur van de woning geplaatst hetgeen een immens risico veroorzaakte voor een ieder die zich in de nabijheid van die deur zou bevinden.
Dat de explosie een verwoestend effect heeft gehad, blijkt uit de ontstane schade aan de woning en het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel. Een stuk hout uit de voordeur is met enorme kracht door de hal gevlogen en dwars door de toiletdeur gegaan.
Gelet op het rapport explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, heeft de constructie honderd tot enkele honderden grammen flitspoeder bevat en was daarmee veel krachtiger dan bijvoorbeeld een Cobra 6. De in het explosief aanwezige fluitsas diende als effect- en voorlading en de op de camerabeelden waar te nemen fluittoon was na ontsteking duidelijk hoorbaar gedurende ongeveer 16 seconden.
Op het moment van de explosie waren vier mensen in de woning aanwezig. De kans dat één of meer van hen, gealarmeerd door de duidelijk hoorbare fluittoon en het licht dat zichtbaar was na het aansteken van de lont, poolshoogte zouden gaan nemen en zich naar de plek waar het geluid en het licht vandaan kwam, zouden begeven, is aanzienlijk.
In de gegeven omstandigheden was daarom naar het oordeel van de rechtbank sprake van een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat door het tegen de voordeur plaatsen en aansteken van dit specifieke explosief één of meer van de bewoners van de woning zouden komen te overlijden ten gevolge van de impact van de daarop volgende explosie.
Wetenschap en aanvaarding van de aanmerkelijke kans.
Alle drie de verdachten hebben het gebruikte explosief gedurende langere tijd onder zich gehad en hebben dus heel duidelijk kunnen zien hoe het eruitzag en welke afmetingen het had. Verder hebben verdachten kunnen voelen welk gewicht het had.
Verdachte [verdachte] heeft het explosief geleverd zodat hij geacht wordt bekend te zijn met de kracht en de werking ervan.
Voor verdachte [medeverdachte 1] was het blijkens zijn eigen verklaring ook direct duidelijk dat het een zeer zwaar explosief was en in de verste verte geen Cobra.
Hij wist wat voor gevolgen het kon hebben wanneer zo’n explosief ontploft. Hij heeft zijn handen om die reden van de uitvoering afgetrokken.
Ook verdachte [medeverdachte 2] heeft, ondanks zijn beperkte intellectuele vermogens, naar het oordeel van de rechtbank beseft dat hij met een zwaar explosief te maken had. Hij heeft het zelf beschreven als een klein model schoenendoos met een lange lont van 10 tot 15 centimeter eraan. Dit is zo afwijkend van de uiterlijke kenmerken van normaal vuurwerk, ook de zwaardere varianten zoals cobra’s, dat verdachte [medeverdachte 2] moet hebben geweten dat hij met een zwaar explosief te maken had.
Dat verdachten de aanmerkelijke kans op de dood van de bewoners van de woning bewust hebben aanvaard blijkt naar het oordeel van de rechtbank vooral uit het feit dat alle drie de verdachten, wetende dat zij te maken hadden met een zwaar en verwoestend explosief, er ieder voor zich bewust voor hebben gekozen om het plan door te zetten en het explosief bij de woning te plaatsen / te laten plaatsen zonder enige voorzorgsmaatregel te nemen om potentieel dodelijk letsel voor de bewoners te voorkomen.
Verdachte [medeverdachte 2] heeft het explosief geplaatst en aangestoken en heeft ervoor gekozen om het direct tegen de voordeur aan te zetten. Hij had het explosief ook verder weg kunnen leggen, maar heeft dat niet gedaan. Verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben verdachte [medeverdachte 2] , een verstandelijk beperkte, kwetsbare en beïnvloedbare man, op pad gestuurd met een levensgevaarlijk explosief zonder enige verdere uitleg over of toezicht op de uitvoering. Niemand heeft voorafgaand aan of ten tijde van het plaatsen van het explosief gecontroleerd of er mensen in de woning aanwezig zouden zijn op het moment dat het explosief zou afgaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een volstrekt onverschillige houding van de verdachten ten aanzien van de gevolgen van hun handelen.
Conclusie:
Alle verdachten hadden voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners van de woning aan de [adres 1] in Nieuwkuijk.
Voorbedachte raad.Het handelen van verdachten was georganiseerd en planmatig.
Er is sprake van een behoorlijk tijdsverloop tussen het geven en bespreken van de opdracht en de uitvoering daarvan.
Op 6 november 2024 heeft een voorverkenning door verdachten plaatsgevonden.
Ieder van de verdachten heeft meer dan voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad. Er was voor elk van de verdachten ook voldoende tijd en gelegenheid om zich terug te trekken. De verdachten zijn echter doorgegaan met hun gezamenlijke plan en hebben dat op 16 november 2024 ten uitvoer gelegd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring van feit 1 primair.
Het voorgaande maakt dat het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord wettig en overtuigend bewezen zal worden verklaard.
Samenloop.
Er is sprake van eendaadse samenloop tussen feit 1 primair en feit 2. Verdachten hebben één strafbaar feit gepleegd waarop in dit geval twee strafbepalingen uit het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. Bij het bepalen van de straf zal de rechtbank, gelet op artikel 55 van Pro het Wetboek van Strafrecht, de strafbepaling met de zwaarste strafbedreiging toepassen. Dat is in dit geval artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht (moord).

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen en hetgeen daarover is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1 primair:
op 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een of meer bewoners van de woning gelegen aan de [adres 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven,- een voorwerp, houdende een explosieve stof, heeft geplaatst tegen de voordeur vanvoormelde woning en- vervolgens dit voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding en ontploffing heeft gebracht, ten gevolge waarvan een explosie ontstond (terwijl de bewoners vanvoornoemde woning in die woning aanwezig waren), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 2 primair:
op 16 november 2024 te Nieuwkuijk, gemeente Heusden, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een voorwerp, houdende een explosieve stof, tegen de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 2] te plaatsen en voornoemd voorwerp, houdende een explosieve stof, tot ontbranding/ontploffing te brengen, terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde woning en de inboedel en zich in de nabijheid van die woning bevindende objecten en- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van voornoemde woning te duchten was.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zestien jaar met aftrek van voorarrest en oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een gebiedsverbod voor de [adres 2] in Nieuwkuijk met een straal van 500 meter (met uitzondering van de A59) en daarbij te bepalen dat er op iedere overtreding twee weken hechtenis staat, met een maximum van zes maanden, voor de duur van vijf jaar.
Het standpunt van de verdediging.
Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beramen en medeplegen van een aanslag op een woning. Hij heeft verdachte [medeverdachte 1] de opdracht gegeven om een zwaar explosief bij de woning te laten ontploffen. [medeverdachte 1] heeft geweigerd dit zelf te doen maar heeft wel verdachte [medeverdachte 2] hiervoor geregeld. [medeverdachte 2] heeft de opdracht vervolgens uitgevoerd tegen een vergoeding van 300 euro en een halve gram cocaïne.
De aanslag heeft zeer ernstige gevolgen gehad voor de bewoners van de [adres 2] in Nieuwkuijk. Het leven van het gezin, bestaande uit vader, moeder, zoon en dochter, is letterlijk in één klap drastisch veranderd en totaal op zijn kop gezet.
[slachtoffer 1] (moeder) is zwaargewond geraakt ten gevolge van de ontploffing. Zij heeft zeer zwaar beenletsel opgelopen. Zij zal hierdoor levenslang ernstig beperkt blijven in haar mobiliteit. Haar verwondingen waren levensbedreigend en zij heeft doodsangsten uitgestaan.
Ze heeft het aan het adequate handelen van haar gezin en het professionele optreden van de hulpverleners te danken dat ze het incident heeft overleefd.
[slachtoffer 2] (vader) heeft zijn vrouw zwaargewond aangetroffen en vreesde dat zij het niet zou overleven. [slachtoffer 2] heeft gehoorschade opgelopen en kampt tot op de dag van vandaag met tinnitusklachten.
Ook de kinderen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , beiden jonge tieners, hebben hun moeder zeer zwaar gewond in de hal van de woning zien liggen en vreesden dat zij dood zou gaan.
Het hele gezin is door de explosie en de gevolgen daarvan in een nachtmerrie beland. Naast het fysieke letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben alle gezinsleden te kampen met ernstige psychische klachten. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden allebei al vele jaren een goede en stabiele baan. Zij zijn allebei arbeidsongeschikt geraakt en tot op heden niet in staat om weer aan het arbeidsproces deel te nemen.
Rol van verdachte.
Verdachte was de initiatiefnemer en organisator van de aanslag. Hij heeft ook het zeer zware explosief geregeld en ter beschikking gesteld. Om zelf buiten schot te blijven, heeft hij anderen geronseld om het feit te plegen in ruil voor een schamele beloning van een paar honderd euro.
Motief.
Ondanks uitgebreid politieonderzoek is het achterliggende motief van verdachte [verdachte] niet duidelijk geworden. Verdachte [verdachte] heeft zijn betrokkenheid bij het feit tot op de dag van vandaag ontkend en daarmee ook geen inzicht gegeven in zijn drijfveren en motieven. Verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat het ‘om een waarschuwing’ zou gaan. Wie er gewaarschuwd moest worden en waarom kunnen zij niet vertellen. Daar heeft verdachte [verdachte] tegen hen niets over gezegd.
Op basis van het onderzoek is geen enkel verband vastgesteld tussen verdachte [verdachte] enerzijds en de familie [achternaam] anderzijds. Wel is vastgesteld dat [naam 4] , de buurjongen van de familie [achternaam] , wonend op nummer [nummer 2] , een relatie heeft met de ex-vriendin van verdachte [verdachte] . Verder is uit het onderzoek gebleken dat verdachte [verdachte] en zijn ex-vriendin al jarenlang in een (juridische) strijd zijn verwikkeld rond de omgang van [verdachte] met hun gezamenlijke dochtertje [naam 3] .
Deze problematiek zou de achtergrond kunnen zijn van de gepleegde aanslag, maar daarvoor is geen bewijs. Er is in dit verband ook onderzoek gedaan naar het scenario dat sprake is geweest van een vergissing. Het explosief zou bestemd zijn geweest voor de woning van de familie [familienaam] , maar door de ligging van de woning hebben de daders zich vergist en is het explosief bij de woning van de buren geplaatst. Ook dit scenario kan op basis van het dossier niet worden bewezen.
Zolang verdachte [verdachte] geen openheid van zaken geeft, blijft de familie [achternaam] achter met de vraag waarom juist zij het slachtoffer zijn geworden van deze explosie.
Houding van verdachte.
Verdachte neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden. Hij zet anderen in voor de uitvoering om zelf buiten schot te blijven. Als hij dan toch gepakt wordt, komt hij na maanden van stilzwijgen met een ‘alternatief scenario’ waarbij hij er niet voor terugdeinst om zonder enige onderbouwing een ander, te weten de moeder van zijn ex-vriendin, aan te wijzen als kwade genius en opdrachtgever van de explosie.
Ter zitting maakt verdachte een verongelijkte en verontwaardigde indruk en geeft hij op geen enkele wijze blijk van enig medeleven met de slachtoffers.
Maatschappelijke impact.
Het gepleegde feit heeft, mede gelet op de zeer ernstige gevolgen voor de slachtoffers, geleid tot gevoelens van woede, angst en onrust in de maatschappij.
Deze zaak kan worden beschouwd als één van de treurige dieptepunten in de maatschappelijke trend van de laatste jaren, waarbij mensen in het kader van allerlei uiteenlopende conflicten zware explosieven laten ontploffen in of bij woningen.
Persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 april 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Over de persoon van verdachte is verder weinig bekend. Er is geen reclasseringsrapportage opgemaakt en verdachte en zijn raadsman hebben nauwelijks persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht.
De straf.
De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij enkel een vrijheidsbeneming van zeer lange duur op zijn plaats.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Geen maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Door de officier van justitie is ook verzocht de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Omdat een dergelijke maatregel direct ingaat en voor maximaal vijf jaar kan worden opgelegd, ziet de rechtbank – gelet op de op te leggen langdurige gevangenisstraf – geen aanleiding tot oplegging van de maatregel.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de toewijzing van de door de familie [achternaam] ingediende vorderingen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de volgende posten opmerkingen gemaakt.
[slachtoffer 1]
 Aanbouw/WMO-kosten
Verzocht is de primaire vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze schade nog niet is geleden. De schade is nog onzeker omdat de wetswijziging nog niet heeft plaatsgevonden en de huidige wetgeving anders luidt. Ten aanzien van de subsidiaire vordering kan de verdediging het gestelde maandbedrag van € 21,- voor de duur van 30 jaar niet herleiden. Ook dit onderdeel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
 Rapportage Laumen (verlies arbeidsvermogen, pensioen etc.)
Verzocht is de posten die zijn gegrond op de rapportage niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze een onevenredige belasting vormen voor het strafproces. Dergelijke vorderingen die substantiële bedragen vertegenwoordigen gebaseerd op aannames en onzekerheden horen thuis bij de civiele kamer.
 Immateriële schade
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ophoging van 25% onvoldoende is onderbouwd. Verzocht is wat betreft het letsel aan beide benen in het midden te gaan zitten van de Rotterdamse schaal en uit te gaan van € 79.000,- (amputatie) en € 79.500,- (ernstig beenletsel), totaal € 158.500,- toe te wijzen. Ten aanzien van de ‘puur geestelijke schade’ wordt verzocht het eindpunt van de schaal van € 69.000,- als uitgangspunt te nemen en dus zonder de opgevoerde verhoging.
[slachtoffer 2]
 Tinnitus
Aangevoerd is dat het uiterste punt van de schaal, € 31.000,- voor toewijzing vatbaar is en er niet een ophoging van 25% aan de orde zou moeten zijn.
 PTSS
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat hoogstens € 13.000,- (hoogste categorie middelzwaar Rotterdamse schaal) kan worden toegewezen, indachtig de inhoud van de brief van de specialist.
 ( (Toekomstig) verlies arbeidsvermogen
Verzocht is de post niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Dergelijke vorderingen horen thuis bij de civiele kamer.
[slachtoffer 3]
 PTSS
Verzocht is het midden te nemen van de Rotterdamse Schaal, categorie middelzwaar, hetgeen neerkomt op € 10.750,-.
[slachtoffer 4]
 PTSS
Verzocht is het midden te nemen van de Rotterdamse Schaal, categorie middelzwaar, hetgeen neerkomt op € 10.750,-.
Beoordeling.
De beslissing van de rechtbank ten aanzien van elk onderdeel van de vorderingen is in de onderstaande tabel weergegeven. Voor wat betreft de grondslag voor de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Wat betreft de toegewezen vorderingen zal de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 (materieel – datum indienen vordering) en 16 november 2024 (immaterieel – datum bewezen verklaarde feiten) worden toegewezen. Tevens wordt oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht telkens passend en geboden geacht.
Niet-ontvankelijkverklaring.
Voor zover de rechtbank een van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaart in (een gedeelte van) een onderdeel van de vordering, kan de benadeelde partij deze onderdelen van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten.
De rechtbank zal verdachte voorts telkens veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Hoofdelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.
Betalingsverplichting.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Inhoudelijk oordeel van de rechtbank over de gevorderde bedragen.
[slachtoffer 1]
Beslissing rechtbank
Ziekenhuis daggeldvergoeding € 1.748,-
Gehele toewijzing € 1.748,-
Revalidatiedaggeldvergoeding € 2.337,-
Gehele toewijzing € 2.337,-
Materiële schade in totaal € 87.824,61, bestaande uit de navolgende 14 posten
1. Voortuin en camera beveiliging € 2.747,-
Gehele toewijzing € 2.747,-
2. Aanbouw € 15.326,27
Gehele toewijzing € 15.326,27
Toelichting:
Onder de WMO-financiering vallen enkel de kosten voor de ruwbouw. Het opgevoerde bedrag ziet op de inrichting en aankleding van de aanbouw. De rechtbank acht deze kosten toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade.
3 . Boot € 24.259,53
Gedeeltelijke toewijzing € 7.798,45,- (afstandsbediening besturing boot).
Toelichting:
De rechtbank acht deze kosten toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de dit onderdeel van de vordering. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit, of deze schade zonder meer rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht en of deze schade aan het bewezen verklaarde feit kan worden toegerekend. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de hoogte van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
4. Dierenarts € 126,95
Gehele toewijzing € 126,95
5. Hockey € 95,-
Gehele toewijzing € 95,-
6. Hulpmiddelen € 4.775,88
Gehele toewijzing € 4.775,88
7. Persoonlijke benodigdheden € 8.117,37
Gedeeltelijke toewijzing € 6.000,-
Toelichting:
De vordering persoonlijke benodigdheden is opgebouwd uit verschillende posten, zoals rolstoelhandschoenen, regenjas voor de rolstoel, kleding, schoenen en een tandenborstel. Van een aantal spullen is de waarde niet met objectieve gegevens onderbouwd. De rechtbank schat de totale schade op 6000 euro en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het meer gevorderde.
8. Vervoer € 13.228,41
Gedeeltelijke toewijzing € 12.003,11
Toelichting:
De rechtbank acht deze kosten toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de posten “stilstaan auto belasting € 660,-” en “stilstaan auto verzekering € 565,30” omdat deze kosten doorlopen zolang het voertuig niet wordt geschorst en dit te voorkomen was geweest door bij het RDW een melding te maken. In die zin is er geen schade geleden die rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.
9. VGZ € 1.855,49
Gehele toewijzing € 1.855,49
10. Wasvergoeding € 1.840,50
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit, of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht en of deze schade aan het bewezen verklaarde feit kan worden toegerekend, onder meer aangezien de bewijstukken thans ontbreken. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
11. Achtertuin € 9.666,45
Gehele toewijzing € 9.666,45
12. Sauna € 1.834,62
Gehele toewijzing € 1.834,62
13. Laumen expertise € 3 .176,25
Gehele toewijzing € 3 .176,25
14. Kosten wisselen slaapkamer € 774,89
Gehele toewijzing € 774,89
Verlies van arbeidsvermogen inclusief pensioenverlies € 295.853,-
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Huishoudelijke hulp € 29.715,-
Gehele toewijzing € 29.715,-
Zelfwerkzaamheid € 15.802,-
Gehele toewijzing € 15.802,-
WMO-kosten aanbouw primair € 104.934,13 en subsidiair € 7.560,-
Gehele toewijzing subsidiair € 7.560,-
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het primairegevorderde. Ten aanzien van de primaire vordering is het onduidelijk of de schade überhaupt zal intreden, gelet op het feit dat de gestelde toekomstige kosten zijn gebaseerd op een wetsvoorstel waarvan thans onzeker is of dit voorstel (in zijn huidige vorm) ook daadwerkelijk tot wet zal worden verheven.
Eigen bijdrage orthopedische schoenen € 134,-
Gehele toewijzing € 134,-
Eigen risico 2026 € 385,-
Gehele toewijzing € 385,-
Toelichting:
Het betreft toekomstige schade die vast staat. Zeker is dat het eigen risico in rekening zal worden gebracht, gelet op de psychologische behandeling die in 2026 voortduurt.
Immateriële schadevergoeding € 316.250,-
Gedeeltelijke toewijzing € 200.000,-
Toelichting:
De rechtbank begroot de schade naar billijkheid en heeft daarbij acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De 25% opslag is een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank zal deze opslag dan ook niet één op één overnemen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank bij haar schatting de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) wel heeft meegewogen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op toegewezen bedragen in andere zaken en de aard en ernst van het letsel (lichamelijk letsel: beenamputatie en beenletsel, geestelijk letsel: PTSS).
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
[slachtoffer 2]
Materiële schade € 520,37
(bestaat uit: € 385 eigen risico 2026 + € 135,37 factuur Libra)
Gehele toewijzing € 520,37
Verlies arbeidsvermogen € 4.751,-
(2 ziektejaren)
Gehele toewijzing € 4.751,-
Toekomstige schade verlies van arbeidsvermogen inclusief pensioenverlies
€ 300.000,-
Niet-ontvankelijkverklaring
Toelichting:
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van de vordering. De post is pro memorie opgevoerd en de schade is nog onzeker omdat het (mogelijke) toekomstige schade betreft.
Immateriële schade tinnitus € 38.750,-
Immateriële schade PTSS € 25.000,-
Shockschade € 20.000,-
Gedeeltelijke toewijzing € 40.000,-
Toelichting:
De rechtbank waardeert de gevorderde immateriële schade ten gevolge van PTSS, tinnitus en shock samen. Toekenning van een vergoeding voor dergelijke schade vindt namelijk haar grondslag in dezelfde rechtsgrond (artikel 6:106 BW Pro). De rechtbank begroot de schade naar billijkheid. De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De 25% opslag is een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank zal deze opslag dan ook niet één op één overnemen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank bij haar schatting de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) wel heeft meegewogen. Bij het waarderen van de hoogte van de immateriële schade kijkt de rechtbank verder naar de algehele impact die het strafbare feit op [slachtoffer 2] heeft gehad en naar wat in andere zaken wordt toegekend. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering.
Affectieschade € 17.500,-
Gehele toewijzing € 17.500,-
Toelichting:
Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen. Als partner (echtgenoot/levensgezel) heeft [slachtoffer 2] om die reden recht op vergoeding van affectieschade. Het toe te wijzen bedrag is forfaitair bepaald.
[slachtoffer 3]
Immateriële schadevergoeding € 20.000,-
Shockschade € 20.000,-
Gedeeltelijke toewijzing € 25.000,-
Toelichting:
De rechtbank waardeert de gevorderde immateriële schade ten gevolge van PTSS en shock samen. Toekenning van een vergoeding voor dergelijke schade vindt namelijk haar grondslag in dezelfde rechtsgrond (artikel 6:106 BW Pro).De rechtbank begroot de schade naar billijkheid. De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De 25% opslag is een aanbeveling en geen vaststaand gegeven. De rechtbank zal deze opslag dan ook niet één op één overnemen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank bij haar schatting de aard van de aansprakelijkheid (opzetdelict) wel heeft meegewogen. Bij het waarderen van de hoogte van de immateriële schade kijkt de rechtbank verder naar de algehele impact die het strafbare feit op [slachtoffer 3] heeft gehad en naar wat in andere zaken wordt toegekend. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering.
Affectieschade € 17.500,-
Toewijzing € 17.500,-
Toelichting:
De moeder van [slachtoffer 3] heeft ernstig en blijvend letsel opgelopen. [slachtoffer 3] (minderjarig kind) heeft om die reden recht op vergoeding van affectieschade. Het toe te wijzen bedrag is forfaitair bepaald.
[slachtoffer 4]
Immateriële schadevergoeding € 20.000,-
Shockschade € 20.000,-
Gedeeltelijke toewijzing € 25.000,-
Toelichting:
Deze is exact gelijk aan die ten aanzien van [slachtoffer 3] . De rechtbank volstaat hier daarom met een vrerwijzing naar die toelichting.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van dit onderdeel van de vordering.
Affectieschade € 17.500,-
Toewijzing € 17.500,-
Zie ook hier de toelichting bij de vordering van [slachtoffer 3] .

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 45, 47, 55, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Bewezenverklaring.
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Strafbaarheid.
- verklaart dat het bewezen verklaarde strafbaar is en de volgende misdrijven oplevert:
Ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van poging tot moord,
in eendaadse samenloop gepleegd met
Ten aanzien van feit 2 primair:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Strafoplegging.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:
 een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 jarenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partijen.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:
- legt aan de verdachte op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van
[slachtoffer 1], van een bedrag van
323.861,36 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 123.861,36 euro materiële schade en 200.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 323.861,36 euro, bestaande uit 123.861,36 euro materiële schade en 200.000,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:
- legt aan de verdachte op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van
[slachtoffer 2], van een bedrag van
62.771,37 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 264 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit 5.271,37 euro materiële schade en 57.500,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 62.771,37 euro, bestaande uit 5.271,37 euro materiële schade en 57.500,00 euro immateriële schade.
De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:
- legt aan de verdachte op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van
[slachtoffer 3], van een bedrag van
42.500,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 200 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 42.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 primair:
- legt aan de verdachte op de
verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van
[slachtoffer 4], van een bedrag van 42.500,00 euro.
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 200 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] :
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 42.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat verdachte niet is gehouden tot betaling voor zover het bedrag door (een van) zijn mededader(s) is betaald.
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. S.H. Schepers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.J.S. Doornbosch, griffier,
en is uitgesproken op 3 maart 2026.