ECLI:NL:RBOBR:2026:1244

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
12009193 \ CV EXPL 25-7190
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming gehuurde wegens ernstige overlast en schending huurovereenkomst

BrabantWonen sloot op 4 december 2024 een huurovereenkomst met [gedaagde] voor een wooneenheid in een appartementencomplex. Verhuurder stelde dat huurder en zijn bezoekers, onder invloed van soft- en harddrugs, ernstige geluidsoverlast, stankoverlast en vervuiling veroorzaakten, met meldingen van omwonenden, e-mails, politie-rapportages en getuigenverklaringen als bewijs.

Huurder betwistte de overlast en stelde dat anderen de overlast veroorzaakten en dat hij zijn leven betert. De kantonrechter achtte de overlast voldoende aannemelijk, ook gezien de vele klachten en verklaringen, en concludeerde dat huurder tekortschiet in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en algemene huurvoorwaarden.

De belangenafweging woog zwaar in het voordeel van verhuurder, die het woongenot van andere huurders wil beschermen. De kantonrechter wees de vordering tot ontruiming toe, veroordeelde huurder tot betaling van toekomstige huur tot ontruiming en wees de vordering tot incassokosten af wegens onvoldoende onderbouwing. Huurder werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen wegens ernstige overlast en moet toekomstige huur betalen.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12009193 \ CV EXPL 25-7190
Vonnis in kort geding van 5 maart 2026
in de zaak van
STICHTING BRABANTWONEN,
te Oss,
eisende partij,
hierna te noemen: BrabantWonen,
gemachtigden: mrs. A.W. Smidt en K.T.A. Weijdt,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025 met producties 1 tot en met 43;
- de akte houdende eiswijziging met producties 44 tot en met 46;
- de mondelinge behandeling (hierna: de zitting) van 19 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting is namens BrabantWonen verschenen [A] , adviseur bij BrabantWonen (hierna: [A] ), samen met de gemachtigden van BrabantWonen. [gedaagde] is in persoon verschenen.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er uiterlijk 5 maart 2026 een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De zaak in het kort

2.1.
BrabantWonen is met [gedaagde] met ingang van 4 december 2024 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan voor een wooneenheid, met bijbehorende onroerende zaken zoals een berging, in een appartementencomplex in [plaats] . BrabantWonen stelt dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt, omdat hij samen met zijn bezoekers, onder invloed van soft- en/of harddrugs, met name gedurende de avond- en nachtelijke uren, ernstige (geluids- en stank)overlast aan omwonenden veroorzaakt en voor vervuiling zorgt in en rondom het gehuurde. [gedaagde] is het hier niet mee eens en heeft tijdens de mondelinge behandeling de stellingen van BrabantWonen betwist en verweer gevoerd. [gedaagde] betwist dat hij degene is die de overlast heeft veroorzaakt en dat hij zich bezighoudt met het open slijpen van fietsen in of rondom het gehuurde. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Het verweer van [gedaagde] slaagt niet. BrabantWonen krijgt in deze procedure (grotendeels) gelijk. De kantonrechter wijst de vordering van BrabantWonen tot ontruiming van het gehuurde toe. Ook de vordering tot betaling van de huurprijs tot aan de datum van ontruiming wordt toegewezen. De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. Deze beslissing legt de kantonrechter hierna uit.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] huurt van BrabantWonen met ingang van 4 december 2024 de wooneenheid, met bijbehorende onroerende zaken zoals een berging, in een appartementencomplex aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaats] (hierna: het gehuurde). De maandelijkse huurprijs (inclusief overige kosten) bedraagt laatstelijk
€ 476,60 per maand.
3.2.
Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden BrabantWonen van toepassing. In de algemene huurvoorwaarden staat, voor zover in deze procedure relevant:
“Gebruik en bewoning
7.3.
U bewoont, gebruikt, en onderhoudt het gehuurde zoals van een goede huurder verwacht mag worden. Dat houdt ook in dat u het gehuurde naar algemene maatstaven schoon en opgeruimd houdt. U moet het eventueel bij het gehuurde behorende balkon / galerij goed onderhouden en schoonhouden en deze uitsluitend als balkon / galerij gebruiken. Dit goed huurderschap houdt ook in dat u zich in de omgang met verhuurder en omwonenden op een correcte wijze gedraagt.
(…)
Overlast
7.13
Als huurder moet u ervoor zorgen dat omwonenden geen overlast of hinder hebben van u, uw huisgenoten, huisdieren of bezoekers die zich in of bij het gehuurde bevinden (goed huurderschap). Ook tegenover verhuurder en door verhuurder ingeschakelde derden dient u zich als goed huurder te gedragen. Lichamelijk en/of geestelijk geweld of ander wangedrag kan leiden tot juridische maatregelen en tot beëindiging van de huurovereenkomst.
(…)
7.16
U mag in het gehuurde geen hennep hebben, kweken, drogen of knippen of andere drugs hebben of activiteiten (laten) plaatsvinden, die strafbaar zijn vanwege de Opiumwet. (…)”.
3.3.
Een (voormalig) wijkconsulent van BrabantWonen heeft bij e-mail van 25 februari 2025 aan [gedaagde] , voor zover in deze procedure relevant, bericht:
“(…) Ik ben al twee keer eerder bij u aan de deur geweest omdat er klachten van omwonenden binnenkomen dat u allerlei overlast veroorzaakt. Afgelopen vrijdag zijn twee van mijn collega’s nogmaals aan de deur geweest om u aan te spreken op overlast die u veroorzaakt. U woont er nog maar kort maar er zijn al veel overlastmeldingen binnengekomen.
De volgende meldingen komen bij BrabantWonen binnen:
  • U maakt geluidsoverlast op ongewenste tijdstippen. U boort of slaat met een hamer heel laat in de avond of nacht. U laat op deze tijdstippen ook vaak grote voorwerpen op de vloer vallen
  • Omwonenden hebben ontzettend veel last van wietlucht. U rookt joints in huis en in de trappenhal. Het is verboden om te roken in de trappenhal en er mag geen overlast zijn van wietlucht
(…)
Ik wil u vragen direct te stoppen met het veroorzaken van overlast.”
3.4.
BrabantWonen heeft in de periode van (medio) februari 2025 tot en met november 2025 meldingen van omwonenden over [gedaagde] ontvangen, waarin de omwonenden aan BrabantWonen berichten dat [gedaagde] overlast veroorzaakt, zowel in als rondom het door [gedaagde] gehuurde.
3.5.
Op 24 juni 2025 heeft de politie, eenheid Oost-Brabant, een eerste bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarin zij de gemeente [plaats] informeert over de overlast die de omwonenden ervaren van [gedaagde] en zijn bezoekers. De aanleiding van de bestuurlijke rapportage is dat er bij de politie veelvuldig overlastmeldingen binnen komen over [gedaagde] . De politie geeft in de rapportage een opsomming van de meldingen die bij de politie zijn gemaakt. Op 4 november 2025 heeft de politie een tweede bestuurlijke rapportage opgemaakt, die dient als vervolg op de eerste bestuurlijke rapportage.
3.6.
De gemachtigde van BrabantWonen heeft bij brief gedateerd 31 juli 2025 aan [gedaagde] bericht dat hij zich niet als goed huurder gedraagt, omdat i) [gedaagde] samen met zijn bezoek veelvuldig geluidsoverlast veroorzaakt, ii) [gedaagde] veelvuldig stankoverlast veroorzaakt, iii) [gedaagde] zich schuldig maakt aan het vervuilen, vernielen en het opslaan van zaken in gemeenschappelijke ruimtes, en iv) [gedaagde] met zijn gedrag onveilige situaties voor omwonenden creëert. De gemachtigde van BrabantWonen heeft [gedaagde] gesommeerd om de huurovereenkomst middels een opzeggingsformulier op te zeggen met inachtneming van één maand opzegtermijn. De brief is per e-mail aan [gedaagde] gestuurd en per deurwaardersexploot gedateerd 30 juli 2025 aan [gedaagde] betekend.
3.7.
[gedaagde] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd. De gemachtigde van BrabantWonen heeft [gedaagde] bij brief van 5 december 2025 nogmaals gesommeerd de huurovereenkomst middels het opzeggingsformulier op te zeggen. De brief is per e-mail aan [gedaagde] gestuurd en per deurwaardersexploot van 5 december 2025 aan [gedaagde] betekend. Ook aan deze sommatie heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.

4.Het geschil

4.1.
BrabantWonen vordert – samengevat – in dit kort geding, na eiswijziging bij akte, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde, met al hetgeen van [gedaagde] is en ieder die bij [gedaagde] verblijft, te ontruimen en verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van BrabantWonen te stellen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis;
II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 953,20 aan huurachterstand voor de maanden oktober en november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan BrabantWonen van een bedrag van
€ 259,51 (incl. 21% btw) aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. [gedaagde] te veroordelen om vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag waarop [gedaagde] het gehuurde heeft ontruimd en aan BrabantWonen ter beschikking heeft gesteld, telkens vóór of uiterlijk op de eerste dag van iedere maand een bedrag van € 476,60 aan BrabantWonen te betalen, als zijnde de door [gedaagde] verschuldigde vergoeding ex artikel 7:225 BW Pro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere termijn afzonderlijk tot de dag der algehele voldoening;
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
BrabantWonen legt aan de vordering ten grondslag dat er sprake is van ernstige tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van de verplichtingen uit de wet, huurovereenkomst en algemene huurvoorwaarden, omdat – samengevat – [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt, nu hij overlast aan omwonenden veroorzaakt en voor vervuiling zorgt in en rondom het gehuurde.
4.3.
[gedaagde] heeft ter zitting verweer gevoerd. Hij betwist dat hij degene is die de overlast heeft veroorzaakt en ook betwist hij dat hij zich bezighoudt met het open slijpen van fietsen in of rondom het gehuurde. Daarnaast voert [gedaagde] – samengevat – aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
BrabantWonen heeft onweersproken een spoedeisend belang gesteld. Dat belang is ook voldoende gebleken.
Ontruiming
Toetsingskader in kort geding
5.2.
Toewijzing van een vordering tot ontruiming in kort geding heeft verstrekkende en veelal – in de praktijk – onomkeerbare gevolgen. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate aannemelijk moet zijn dat de bodemrechter in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming eveneens zal toewijzen en dat van BrabantWonen niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht. Ook moet bij de beoordeling grote terughoudendheid worden betracht, omdat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten of voor bewijslevering.
De standpunten van partijen
5.3.
BrabantWonen heeft aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag gelegd dat sprake is van ernstige tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van de verplichtingen uit de wet (artikel 7:213 BW Pro), huurovereenkomst en algemene huurvoorwaarden. Hiertoe voert BrabantWonen aan dat [gedaagde] zich niet als goed huurder gedraagt, omdat hij samen met zijn bezoekers, onder invloed van soft- en/of harddrugs, met name gedurende de avond- en nachtelijke uren, ernstige (geluids- en stank)overlast aan omwonenden veroorzaakt en voor vervuiling zorgt in en rondom het gehuurde.
5.4.
[gedaagde] betwist dat hij degene is die de overlast heeft veroorzaakt. Ook andere bewoners van het appartementencomplex kunnen de overlast hebben veroorzaakt. Volgens [gedaagde] spannen omwonenden samen, om met urgentie een (grotere) woning van BrabantWonen te verkrijgen. Daarnaast betwist [gedaagde] dat hij zich bezighoudt met het open slijpen van fietsen in of rondom het gehuurde. Verder voert [gedaagde] aan dat hij een slechte tijd heeft gehad, waarin hij met verkeerde vrienden omging, maar dat hij nu zijn leven betert en niet meer met die vrienden (“de oude kliek”) omgaat. In dat kader heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij rustiger is geworden en dat het ook rustiger zal blijven. Daarnaast heeft hij zijn woning laten opruimen en voert hij aan dat hij zijn begeleider van Burgercoaching verliest als hij zijn woning moet verlaten.
[gedaagde] veroorzaakt overlast
5.5.
Partijen verschillen van mening of [gedaagde] zich niet als goed huurder heeft gedragen, omdat hij – kort gezegd – (geluids- en stank)overlast en vervuiling (hierna: overlast) aan omwonenden veroorzaakt in en rondom het gehuurde.
5.6.
BrabantWonen heeft de door [gedaagde] (en zijn bezoekers) veroorzaakte overlast aan omwonenden ten grondslag gelegd aan de gevorderde ontruiming. De door [gedaagde] veroorzaakte overlast bestaat volgens BrabantWonen uit schreeuwen, ruzie maken, rumoer en luidruchtige bezoekers in de nachtelijke uren, het gedurende de avond- en nachtelijke uren sleutelen aan (dan wel doorslijpen van sloten van) gestolen fietsen en scooters, vervuiling in en rondom het appartementencomplex, in de nachtelijke uren boren in het gehuurde, een wietlucht die afkomstig is van het gehuurde en afval in de achtertuinen van onderburen gooien. Daarnaast stelt BrabantWonen dat er sprake is van onrust en onveiligheid in het appartementencomplex als gevolg van de overlast die [gedaagde] samen met zijn bezoekers veroorzaakt. Uit de door BrabantWonen overgelegde producties (producties 4 tot en met 27, producties 29 tot en met 31 en producties 34, 39 en 40 bij dagvaarding) blijkt dat BrabantWonen in de periode van februari 2025 tot en met november 2025 een hele reeks van (anonieme) meldingen heeft ontvangen die de hiervoor genoemde overlast, vervuiling en de onrust dan wel onveiligheid onderschrijven. Ook ter zitting heeft BrabantWonen onweersproken gesteld dat er bij omwonenden grote angst heerst ten aanzien van (de terugkomst naar het gehuurde van) [gedaagde] . Ook blijkt uit de e-mail van de (voormalig) wijkconsulent van BrabantWonen aan [gedaagde] van 25 februari 2025 en de bestuurlijke rapportages van 24 juni 2025 en 4 november 2025 van de politie dat BrabantWonen meldingen van overlast, veroorzaakt door [gedaagde] , heeft ontvangen en dat aan [gedaagde] is medegedeeld dat hij moet stoppen met het veroorzaken van die overlast. Daarnaast hebben vier omwonenden een getuigenverklaring afgelegd bij de deurwaarder over de door [gedaagde] veroorzaakte overlast.
5.7.
Gelet op het bovenstaande acht de kantonrechter de gestelde overlast voldoende aannemelijk geworden. BrabantWonen heeft de overlast toegelicht en onderbouwd met onder meer de door omwonenden gemaakte meldingen, haar e-mail van 25 februari 2025, de bestuurlijke rapportages van de politie en de vier getuigenverklaringen. Zelfs al zouden er één of meerdere ongeloofwaardige dan wel niet-betrouwbare meldingen over [gedaagde] bij BrabantWonen zijn gedaan, zoals [gedaagde] ter zitting heeft opgeworpen, dan resteert er nog steeds een veelvoud aan ernstige klachten over de door [gedaagde] (en zijn bezoekers) veroorzaakte overlast in en rondom het gehuurde. Daar komt bij dat [gedaagde] tijdens de zitting heeft verklaard dat hij rustiger is geworden en rustiger zal blijven, onder meer omdat hij niet meer met “de oude kliek” omgaat, wat in tegenspraak is met zijn bewering ter zitting dat hij niet degene is die de overlast heeft veroorzaakt.
5.8.
Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen, waarmee hij zich niet heeft gehouden aan de uit de huurovereenkomst en algemene huurvoorwaarden voortvloeiende verplichtingen. Meer specifiek heeft hij zich niet gehouden aan de algemene huurvoorwaarden waarin staat dat i) omwonenden geen overlast of hinder mogen hebben van de huurder, huurders’ huisgenoten, huisdieren of bezoekers die zich in of bij het gehuurde bevinden (artikel 7.13) en ii) het goed huurderschap ook inhoudt dat de huurder zich in de omgang met verhuurder en omwonenden op een correcte wijze gedraagt (artikel 7.3).
Belangenafweging
5.9.
Het belang van BrabantWonen is erin gelegen dat zij als verhuurder de taak heeft om – naast [gedaagde] – ook aan de omwonenden, die tevens huurders zijn van BrabantWonen, woongenot te garanderen. BrabantWonen wenst het gehuurde op korte termijn terug te nemen, zodat de rust en veiligheid in en rondom het appartementencomplex terugkeert en er ook geen verdere vernielingen in en rondom het gehuurde worden aangericht.
5.10.
Tegenover de belangen die BrabantWonen heeft gesteld staat het belang van [gedaagde] om in het gehuurde te kunnen blijven wonen. [gedaagde] heeft ter zitting aangevoerd dat hij i) een slechte tijd heeft gehad, waarin hij met verkeerde vrienden omging, maar dat hij nu zijn leven betert en niet meer met die vrienden (“de oude kliek”) omgaat, waardoor hij rustiger is geworden en ook rustiger zal blijven; ii) zijn woning heeft laten opruimen door een vriendin; en iii) de begeleiding van Burgercoaching verliest als hij zijn woning moet verlaten.
5.11.
De belangenafweging valt in het voordeel van BrabantWonen uit. Bij dit oordeel heeft de kantonrechter het door artikel 8 EVRM Pro beschermde belang bij gezins- en privéleven, waaronder het woonbelang, meegewogen. Dit belang weegt in de gegeven situatie niet zwaarder dan het belang van BrabantWonen bij ontruiming van het gehuurde. [gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat hij momenteel begeleiding heeft van Burgercoaching en dat hij deze begeleiding verliest als hij de woning moet verlaten. Niet gebleken is dat deze begeleiding voor [gedaagde] geen doorgang kan vinden als [gedaagde] niet meer over het gehuurde beschikt. Daarnaast maakt het opruimen van de woning niet dat de belangenafweging in het nadeel van BrabantWonen moet uitvallen. BrabantWonen heeft immers hoofdzakelijk de (geluids- en stank)overlast ten grondslag gelegd aan de gevorderde ontruiming. Ook het feit dat [gedaagde] naar eigen zeggen zijn leven betert en hij – kort gezegd – niet meer met de verkeerde vrienden omgaat, maakt niet dat de belangenafweging in het nadeel van BrabantWonen uitvalt. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van [gedaagde] om zelf de nadelige effecten van een ontruiming van het gehuurde zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, door (in het verleden) met de verkeerde vrienden om te gaan als gevolg waarvan de overlast onder meer is ontstaan. [gedaagde] is daar verantwoordelijk voor (zie artikel 7.13 van de algemene huurvoorwaarden) en bovendien heeft [gedaagde] die overlast ook zelf veroorzaakt.
[gedaagde] moet het gehuurde ontruimen
5.12.
Met inachtneming van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] , (samen met zijn bezoekers) (geluids- en stank)overlast heeft veroorzaakt in en rondom het gehuurde. Daarmee is komen vast te staan dat [gedaagde] tekort geschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de huurovereenkomst en de algemene huurvoorwaarden. Gelet hierop en gelet op de belangenafweging is het in hoge mate aannemelijk dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zullen worden toegewezen. De door BrabantWonen gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na dagtekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
De huurachterstand
5.13.
Ter zitting heeft BrabantWonen verklaard dat [gedaagde] de huur over de maanden oktober en november 2025 inmiddels heeft voldaan en heeft zij haar vordering onder II ingetrokken, zodat de kantonrechter op die vordering niet meer hoeft te beslissen.
De (toekomstige) huurtermijnen
5.14.
Ter zitting heeft BrabantWonen toegelicht dat in vordering IV moet worden gelezen dat zij de toekomstige huurtermijnen vordert tot aan de dag waarop [gedaagde] het gehuurde heeft ontruimd en niet – zoals zij in de akte eiswijziging heeft geformuleerd – als vergoeding op grond van artikel 7:225 BW Pro. [gedaagde] heeft vordering IV, zoals door BrabantWonen tijdens de zitting toegelicht, niet weersproken. De vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen van € 476,60 per maand, telkens te betalen vóór of uiterlijk op de eerste dag van iedere maand, zal worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] over de maand waarin de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt een pro rato huurtermijn verschuldigd is. [gedaagde] is de huurtermijnen namelijk verschuldigd tot de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming plaatsvindt. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
5.15.
BrabantWonen vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van
€ 259,51 inclusief 21% btw. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende (extra) eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. BrabantWonen heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat niet is voldaan aan de stelplicht. Daarom is [gedaagde] geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd op grond van de wet.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.16.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van BrabantWonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.001,45
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
5.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat BrabantWonen dat heeft gevorderd en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen en verlaten, met al hetgeen van [gedaagde] is en ieder die bij [gedaagde] verblijft, en de sleutels af te geven aan BrabantWonen,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan BrabantWonen € 476,60 per maand, telkens te betalen vóór of uiterlijk op de eerste dag van iedere maand, vanaf 1 februari 2026 tot de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere huurtermijn afzonderlijk tot de dag der algehele voldoening,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.001,45, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.