ECLI:NL:RBOBR:2026:1255

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11072892
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 BWArt. 7:17 BWArt. 7:18a lid 2 BWArt. 7:21 lid 1 BWArt. 7:21 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst tweedehands auto wegens non-conformiteit en hoge olieverbruik

Eiser kocht een tweedehands Audi A1 die vanaf het begin een hoog olieverbruik vertoonde. Meerdere keren heeft eiser contact gehad met gedaagde, de verkoper, over het probleem, waarbij gedaagde het olieverbruik erkende maar geen adequaat herstel uitvoerde. De auto viel uiteindelijk stil door een motorisch gebrek.

De kantonrechter oordeelt dat eiser tijdig en voldoende melding heeft gemaakt van het gebrek, waardoor zij haar klachtplicht niet heeft geschonden. Het gebrek aan de auto was aanwezig bij aflevering, gelet op het feit dat het zich binnen een jaar openbaarde en gedaagde onvoldoende heeft bewezen dat dit anders was.

Gedaagde heeft niet voldaan aan zijn herstelverplichting, waardoor eiser de koopovereenkomst mocht ontbinden. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot terugbetaling van de koopprijs, betaling van motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies, en tot medewerking aan de vrijwaring van het kenteken. De vordering tot vergoeding van reparatiekosten en incassokosten wordt afgewezen.

Uitkomst: De koopovereenkomst wordt ontbonden en de verkoper veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs en schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 11072892 \ CV EXPL 24-2955
Vonnis van 26 februari 2026
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
[gedaagde] ,t.h.o.d.n.
[bedrijfsnaam gedaagde],
zaakdoende in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L.A.E. Hermans.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 juni 2025,
- de akte uitlating bewijsopdracht van [eiser] ,
- het verzoek van [gedaagde] met het verzoek het getuigenverhoor, gepland
op 27 augustus 2025, uit te stellen,
- het bezwaar daarop van [eiser] ,
- de beslissing van de kantonrechter bericht aan partijen op 22 augustus 2025
dat het getuigenverhoor op de geplande datum doorgaat,
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 27 augustus 2025,
- de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagde] met drie bijlagen,
- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van [eiser] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij tussenvonnis van 5 juni 2025 heeft [eiser] een bewijsopdracht gekregen. [eiser] is toegelaten om bewijs te leveren van haar stelling dat er op 1 december 2022,
3 januari 2023 en/of 16 februari 2023 contact is geweest tussen [eiser] en [gedaagde] en dat zij hem toen op de hoogte heeft gebracht van het hoge olieverbruik van de auto.
2.2.
De kantonrechter heeft vervolgens [eiser] , [A] en [B] als getuigen gehoord.
2.3.
[eiser] heeft als partij-getuige samengevat als volgt verklaard. Zij is op
1 december 2022 samen met haar vader naar [gedaagde] gegaan om de auto op te halen. Er was namelijk door [gedaagde] ledverlichting aangebracht, de bumper was gemaakt en er was een onderhoudsbeurt uitgevoerd. Op dat moment heeft zij gevraagd hoe het zit met het olieverbruik van de auto. [gedaagde] heeft toen aangegeven dat een Audi wat meer olie verbruikt, maar dat het olieverbruik een stuk minder zou moeten zijn na de beurt. In het nieuwe jaar (tijdens de kerstvakantie) is zij vervolgens opnieuw met de auto naar [gedaagde] gegaan, omdat de auto nog steeds veel olie verbruikte. Op dat moment is de motorkap open gemaakt en heeft [gedaagde] gezegd dat het er allemaal normaal uitzag. Een week of vijf/zes later is [eiser] opnieuw naar [gedaagde] gereden en meldde zij dat hetzelfde olieprobleem nog speelde. [gedaagde] heeft de auto opnieuw bekeken en opgemerkt dat het oliepeil laag was. Vervolgens heeft hij een flesje met een geel/oranje substantie in het motorblok gegooid en gezegd dat dit een oplossing zou zijn voor het probleem. Naast deze contactmomenten op het bedrijf van [gedaagde] heeft zij ook telefonisch contact gehad met [gedaagde] , bijvoorbeeld voorafgaand aan de afspraak van 1 december 2022. Telefonisch heeft zij al gezegd dat er veel olieverbruik was. [gedaagde] heeft destijds gezegd dat hij dit probleem zou bekijken tijdens de beurt op 1 december 2022.
2.4.
[A] , vader van [eiser] , heeft als getuige samengevat als volgt verklaard. Op 1 december 2022 heeft [eiser] tegen [gedaagde] gezegd dat sprake was van een hoog olieverbruik. [gedaagde] heeft toen gezegd dat sommige auto’s meer olie verbruiken dan andere auto’s, maar dat door het onderhoud aan de auto dit verbruik nu een stuk minder zou zijn. Meteen in het nieuwe jaar (nog in de kerstvakantie) is hij voor de tweede keer met [eiser] naar [gedaagde] gegaan. De motorkap van de auto is toen geopend en [gedaagde] heeft zelf het oliepeil nagekeken. Vervolgens hij heeft gezien dat het oliepeil te laag was, waarna hij de olie heeft bijgevuld. Het kannetje motorolie mocht [eiser] vervolgens mee naar huis nemen. Vier tot zes weken later is hij samen met [eiser] opnieuw naar [gedaagde] gegaan. Op dat moment heeft [gedaagde] nadat hij had gezien dat het oliepeil weer te laag stond, een soort honingachtige substantie bij de motorolie gedaan. [gedaagde] had uitgelegd dat er een soort filmlaagje aan de binnenkant van de motor zou ontstaan hierdoor, waardoor de auto minder olie zou verbruiken.
2.5.
[B] , moeder van [eiser] , heeft als getuige samengevat als volgt verklaard. Zij heeft [eiser] en haar echtgenoot op 1 december 2022 zien vertrekken naar [gedaagde] . Toen [eiser] die dag terugkwam, vertelde ze dat de auto een beurt had gehad en dat daardoor waarschijnlijk het olieprobleem zou zijn opgelost. Op 3 januari 2023 was [B] aan het werk, maar heeft [eiser] en haar echtgenoot (die beiden nog vakantie hadden) wel zien terugkomen nadat zij bij [gedaagde] waren geweest. [eiser] kwam met een kannetje olie binnen en vertelde dat [gedaagde] naar het olieverbruik had gekeken en had gezegd dat dit olieverbruik kon voorkomen bij een Audi. Het derde contactmoment, daarvan weet zij niet meer exact wanneer dit was, maar het was rond carnaval. Op die dag wist zij niet dat [eiser] naar [gedaagde] zou gaan, maar heeft ze haar en haar echtgenoot wel terug zien thuiskomen. Bij thuiskomst vertelden ze dat er een flesje dat leek op een honingachtige substantie bij de olie was gegooid en dat het probleem opgelost zou zijn.
2.6.
[gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een
tegen-getuigenverhoor te (laten) houden. In zijn conclusie na getuigenverhoor stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiser] niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. In de eerste plaats wordt gewezen op de beperkte bewijskracht van een partijgetuige, namelijk [eiser] . Ook wijst [gedaagde] erop dat de moeder en vader van [eiser] in het kader van deze bewijsopdracht zijn gehoord. Door de banden tussen de getuigen en de procespartij ontberen de getuigenverklaringen aan bewijskracht, dan wel wordt sterk aan bewijskracht ingeboet. [gedaagde] benadrukt dat ook zij een belang kunnen hebben bij de uitkomst van deze procedure. Ook wordt gewezen op, volgens [gedaagde] , een aantal inconsistenties in de verklaringen van de getuigen.
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat in het algemeen niet kan worden aangenomen dat het enkele feit dat de getuigen in een familieverhouding staan, betekent dat aan hun verklaringen, onder ede afgenomen, geen of zonder meer weinig bewijskracht toekomt. [gedaagde] stelt vervolgens wel dat de vader en moeder van [eiser] ook een eigen belang bij de uitkomst van deze procedure zouden kunnen hebben, maar concreet blijkt dat nergens uit. Anders dan een zuiver emotioneel belang, ongetwijfeld zullen de ouders van [eiser] hopen op een voor [eiser] gunstige afloop van de procedure. In dat enkele feit ziet de kantonrechter onvoldoende reden om hun verklaringen ter zijde te schuiven en daarbij weegt ook mee dat [gedaagde] er geen enkel bewijs tegenover heeft gesteld. Hij heeft bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een tegen-getuigenverhoor te houden. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de verklaringen zijn afgestemd of dat er inconsistenties zitten in de verschillende verklaringen, overweegt de kantonrechter daarover als volgt. Indien en voor zover de verklaringen volledig zouden zijn afgestemd, is te verwachten dat er weinig tot geen inconsistenties zijn. Dat is nu juist volgens [gedaagde] wel het geval. De kantonrechter heeft verder kennis genomen van de voorbeelden van inconsistenties die [gedaagde] in haar akte naar voren heeft gebracht en komt tot het oordeel dat zij daarin onvoldoende aanleiding ziet te twijfelen aan deze geloofwaardigheid van deze verklaringen. De gebeurtenissen hebben geruime tijd geleden plaatsgevonden en enkel op ondergeschikte punten wijken de verklaringen soms iets van elkaar af. Dit is, zeker gelet op het tijdsverloop, haast onvermijdbaar. Het had de kantonrechter eerder verbaasd indien de verklaringen op ieder detail volledig zouden overeenstemmen. De getuigen verklaren alle drie dat [eiser] in de relevante periode meermalen contact heeft opgenomen met [gedaagde] en dat het olieverbruik ter sprake is gekomen. De kantonrechter acht deze verklaringen voldoende geloofwaardig en overtuigend.
2.8.
De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat [eiser] is geslaagd in het leveren van het bewijs. Dit betekent dat [eiser] haar klachtplicht niet heeft geschonden en dat de kantonrechter de door [eiser] ingestelde vorderingen verder inhoudelijk zal beoordelen.
De verwachtingen van de auto
2.9.
De kantonrechter merkt opnieuw op dat het gaat om een consumentenkoop. Op grond van het bepaalde in artikel 7:17 BW Pro is de verkoper van een zaak verplicht een zaak te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt. Dat is niet het geval wanneer de zaak, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mag verwachten (non-conformiteit). De koper mag ten minste verwachten dat de afgeleverde zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.
2.10.
Als een koper bekend is met bepaalde gebreken van een auto of dat redelijkerwijs kon zijn, dan kan de koper zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Het feit verder dat een tweedehands auto zonder garantie wordt verkocht, is weliswaar van invloed op de verwachtingen die een koper mag hebben, maar het betekent niet dat de auto niet hoeft te beantwoorden aan de koopovereenkomst.
2.11.
De kantonrechter constateert dat de factuur van [gedaagde] vermeldt:
“Klant is bekend met de gebreken van de auto”. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] bekend was met de gebreken van de auto en om die reden zich niet zou kunnen beroepen op non-conformiteit, verwerpt de kantonrechter dat beroep. De kantonrechter licht dat hierna toe.
2.12.
Volgens [eiser] is voorafgaande aan de koop alleen gesproken over de voorbumper waar een probleem mee was. Daar ziet volgens haar de zin op de factuur op. Over meer is volgens [eiser] niet gesproken. De kantonrechter stelt vast dat het probleem met de voorbumper geheel losstaat van het gestelde gebrek, en wetenschap over het probleem met de voorbumper staat dus niet in de weg aan een beroep op
non-conformiteit.
2.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] over de zin op de factuur gesteld dat de auto beschikte over een Duitse APK keuring. Een foto van pagina 1 van deze Duitse APK keuring is als productie 10 overgelegd. Hierop valt te lezen
“Umweltbelastung: Motor ölfeucht”. [gedaagde] heeft tijdens de zitting gesteld dat dit betekent dat er motorolie vocht is geconstateerd bij de auto. Dit hoeft geen probleem te vormen, maar de koper dient wel alert te zijn dat er iets aan de hand zou kunnen zijn en [gedaagde] zegt dat hij [eiser] heeft verteld dat de auto onderhoud nodig had. Problemen met motorolie vocht kunnen variëren van minder erg naar erg, aldus [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat dit rapport is overgelegd bij aankoop en ook is besproken. Dit alles wordt door [eiser] betwist.
2.14.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet voldoende heeft onderbouwd dat het motorolie vocht als (mogelijk) gebrek kenbaar was voor [eiser] ten tijde van de koop. Zelfs als is besproken wat [gedaagde] zegt dat hij met [eiser] heeft besproken, dan is de kantonrechter van oordeel dat daarmee nog niet gebleken is van een voldoende (concrete) waarschuwing. Een waarschuwing impliceert immers dat de ontvanger, in dit geval [eiser] , in enigerlei mate inzicht in het potentiële probleem krijgt opdat daarmee rekening kan worden gehouden. Dat is niet gebleken. De enkele verwijzing in het document van de Duitse APK keuring is ook niet voldoende. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiser] heeft afgezien van een onderhoudsbeurt in ruil voor prijsvermindering kan in het midden blijven of dit het geval is. Ook als klopt wat [gedaagde] hierover zegt, ontslaat het [gedaagde] niet van de verplichting op het voor een consument voldoende duidelijke wijze geven van een waarschuwing voor een potentieel probleem aan de auto dat bij hem als professionele verkoper bekend is. Dat dit is gebeurd, kan de kantonrechter niet uit de aangevoerde feiten afleiden. Dit betekent reeds hierom dat [gedaagde] [eiser] niet kan tegenwerpen dat zij bekend was met het (potentiële) gebrek en zich daarom niet op non-conformiteit zou kunnen beroepen.
2.15.
Ter zake de verwachtingen die [eiser] mocht hebben, neemt de kantonrechter mee dat de auto op het moment van de koop nog beschikte over een geldige Duitse APK keuring (tot 30 juni 2024). Voor de verwachtingen van de auto is ook van belang dat de auto in 2011 is gebouwd en een kilometerstand had van 150.000 met een verkoopprijs van
€ 8.000. Op basis hiervan mocht [eiser] niet dezelfde kwaliteiten verwachten die van een nieuwe auto verwacht mogen worden, maar zij mocht wel de verwachting hebben dat zij enige tijd zonder noemenswaardige problemen met de auto veilig aan het verkeer kon deelnemen.
2.16.
Het feit dat de auto is verkocht zonder garantie kan, als gezegd, weliswaar van invloed zijn op de verwachtingen die een koper mag hebben van een auto. Maar wat in deze zaak daarvan het concrete gevolg zou zijn, heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt. Dat had wel gemoeten, temeer nu het niet verstrekken van garantie op zichzelf nog niet betekent dat de auto niet aan de overeenkomst hoeft te beantwoorden.
Is sprake van een gebrek?
2.17.
Partijen zijn het erover eens dat in juli 2023 de auto is stilgevallen. De auto begon te roken en liep slecht. Uiteindelijk is gebleken dat de ontluchting van de nokkenasbehuizing is afgebroken en dat er zich bij een cilinder een probleem heeft voorgedaan. Het hoge olieverbruik is hieraan vooraf gegaan. Op dat moment kon niet meer verder worden gereden met de auto en de auto was niet meer geschikt voor normaal en veilig gebruik aan het verkeer.
2.18.
De bewijslast van het bestaan van een gebrek ligt bij [eiser] . Zij moet dus voldoende onderbouwd stellen dat de auto op het moment van aflevering niet beantwoordde aan de koopovereenkomst. De wet biedt ter zake het ijkmoment in artikel 7:18a lid 2 BW bescherming aan de consument-koper. De auto is door [eiser] gekocht op
21 oktober 2022 en de auto is – nadat meerdere malen een melding is gedaan over het olieverbruik – stilgevallen op 6 juli 2023. Als blijkt dat zich binnen één jaar na de aflevering van de zaak een gebrek heeft geopenbaard, dan wordt vermoed dat de zaak al bij de aflevering niet aan de overeenkomst voldeed. Dit vermoeden geldt, tenzij de verkoper anders aantoont of de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
2.19.
De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een gebrek aan de auto. Dat wordt op zichzelf ook niet betwist door [gedaagde] (zie bijvoorbeeld randnummer 29 van de conclusie van antwoord).
2.20.
Nu dit gebrek zich binnen een jaar na aflevering heeft geopenbaard, wordt de oorzaak hiervan vermoed al aanwezig te zijn geweest ten tijde van aflevering.
2.21.
Wat [gedaagde] heeft aangevoerd om dit vermoeden te weerleggen, slaagt niet. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld aangevoerd, dat het gebrek is veroorzaakt, omdat er een derde partij aan de auto heeft gewerkt. Dit wordt echter door [eiser] betwist en is zijdens [gedaagde] verder niet onderbouwd. Het enkel overleggen van whatsappberichten waarin [gedaagde] dit zelf zo meldt aan [eiser] is in dit kader vanzelfsprekend niet toereikend. Ook is ontoereikend de stelling van [gedaagde] dat [eiser] te lang met een stotterende auto heeft doorgereden. Die stelling is betwist en niet onderbouwt.
2.22.
Tot slot is ook niet gebleken dat de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich verzet tegen het aannemen van het bewijsvermoeden.
2.23.
Dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat [eiser] vaker olie had moeten bijvullen, vormt op zichzelf geen bewijs dat de bron van het gebrek pas na aflevering is ontstaan. Er verder vanuit gaande (nu dat is gesteld en onvoldoende weersproken) dat het hoge olieverbruik een indicatie was dat er iets mis was, kan [gedaagde] [eiser] wat dat betreft geen verwijten maken. Uit de getuigenverhoren is gevolgd dat [eiser] meermalen en tijdig melding heeft gemaakt van het hoge olieverbruik. Indien en voor zover de schade zou zijn verergerd door het desondanks doorrijden met de auto, is dat een factor die voor rekening en risico van [gedaagde] komt, aan wie de auto meermalen is aangeboden voor onderzoek naar aanleiding van hoog olieverbruik.
2.24.
De slotsom is dat de auto ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde.
Mogelijkheid tot herstel
2.25.
De kantonrechter komt vervolgens tot de conclusie dat [gedaagde] geen adequaat gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot herstel van [eiser] . Er is daardoor voldaan aan het vereiste van artikel 7:22 lid 2 BW Pro. Hieronder legt de kantonrechter uit hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
2.26.
De wet biedt [eiser] de mogelijkheid om herstel van de auto te vorderen als deze niet aan de overeenkomst beantwoordt (artikel 7:21 lid 1 aanhef Pro en onder b BW). De verkoper is verplicht om binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper aan zijn herstelverplichting te voldoen (artikel 7:21 lid 3 BW Pro). Als een consument-koper de zaak ter beschikking stelt aan de verkoper voor herstel, dan neemt de verkoper de zaak op zijn kosten terug (artikel 7:21 lid 7 BW Pro). Pas als de verkopende partij niet naar behoren reageert op het verzoek tot herstel en/of als de gebreken niet worden verholpen, kan en mag de koper de overeenkomst ontbinden (artikel 7:22 BW Pro).
2.27.
Het staat vast dat [eiser] meerdere malen melding heeft gemaakt van het hoge olieverbruik van de auto en de auto meerdere malen heeft aangeboden aan [gedaagde] om te onderzoeken en herstel uit te voeren. Het staat vast dat het olieniveau van de auto in elk geval een keer is bijgevuld door [gedaagde] , maar dat het herstellen van het onderliggende probleem niet is uitgevoerd. Sterker nog, in augustus 2023 werd enkel herstel tegen betaling aangeboden.
2.28.
Gelet op de gang van zaken stelt de kantonrechter vast dat hoewel [gedaagde] hiertoe voldoende in de gelegenheid is gesteld, [gedaagde] niet tot (kosteloos) herstel is overgegaan, waartoe hij wel was gehouden. Hiermee heeft [gedaagde] niet voldaan aan zijn herstelverplichting en kan [eiser] de koopovereenkomst ontbinden op grond van artikel 7:22 lid 1 en Pro lid 2 BW.
De ontbinding van de koopovereenkomst
2.29.
De kantonrechter is van oordeel dat de koopovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] kan worden ontbonden op grond van artikel 7:22 lid 1 en Pro lid 2 BW.
2.30.
Op grond van de wet bevrijdt een ontbinding partijen van de daardoor getroffen verbintenissen (artikel 6:271 BW Pro). Als deze al zijn nagekomen ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking van de ontvangen prestaties.
2.31.
Dit betekent dat [eiser] verplicht is de auto terug te geven aan [gedaagde] . De auto kan echter niet naar behoren veilig rijden en de kosten die verbonden zijn met het teruggeven van de auto komen voor rekening van [gedaagde] . [gedaagde] dient de auto daarom op te halen op de plek waar [eiser] deze auto heeft gestald en zal bij het ophalen van de auto ook de verkoopprijs aan [eiser] dienen terug te betalen (artikel 7:22 lid 7 BW Pro).
2.32.
[eiser] vordert een veroordeling tot onmiddellijke vrijwaring van de auto op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag. De hoofdvordering acht de kantonrechter toewijsbaar, zij het dat de kantonrechter hieraan een termijn van zeven dagen na betekening van het vonnis zal verbinden. Tegen het hieraan koppelen van een dwangsom is geen verweer gevoerd. De kantonrechter zal deze vordering toewijzen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom wordt gematigd zoals omschreven in de beslissing.
2.33.
Over de terugbetaling van de koopprijs aan [eiser] wordt als volgt geoordeeld. Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat rekening moet worden gehouden met de waardevermindering van de auto wordt hij hierin niet gevolgd. Op grond van
artikel 7:10 BW Pro blijft in het geval de koper op goede gronden het recht op ontbinding van de koopovereenkomst heeft ingeroepen, de zaak voor risico van de verkoper (lid 3). Dat geldt ook voor de achteruitgang ervan door toedoen van de koper, maar de koper moet vanaf het moment dat hij redelijkerwijs rekening moet houden met het feit dat hij de zaak terug moet geven wel als een zorgvuldig schuldenaar voor behoud ervan zorgen (lid 4). Als de koper toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van deze zorgverplichting is hij schadevergoeding verschuldigd. Dat deze situatie zich voordoet, is niet gesteld of gebleken.
2.34.
[eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over de verbintenis tot terugbetaling van de hoofdsom. Wettelijke rente is schadevergoeding wegens de vertraging in de betaling van een geldsom. Vereist is dat [gedaagde] in verzuim is met de terugbetaling. De verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat echter pas met het uitspreken van de ontbinding in dit vonnis. Van verzuim is nog geen sprake en daarom kan deze vordering niet worden toegewezen.
Schadevergoeding
2.35.
[eiser] vordert betaling van [gedaagde] van de volgende schadeposten:
  • motorrijtuigbelasting € 36,00 per maand vanaf 21 oktober 2022, tot het moment van schorsing dan wel vrijwaring,
  • verzekeringspremies € 62,34 per maand vanaf 21 oktober 2022, tot het moment van schorsing dan wel vrijwaring.
2.36.
[eiser] heeft op grond van artikel 7:22 lid 4 jo Pro. artikel 7:24 BW Pro recht op schadevergoeding. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde schadevergoeding. De stellingen van [eiser] kunnen deze vorderingen dragen. De vorderingen worden dan ook toegewezen zoals omschreven onder de beslissing.
2.37.
Verder vordert [eiser] betaling van € 450,00 voor de reparatie aan haar auto. De auto is – op advies van [gedaagde] – naar [C] van Autobedrijf M&N gebracht op
22 augustus 2023. Deze monteur heeft de auto nagekeken, maar uiteindelijk is besloten dat [C] de auto niet zal herstellen. [eiser] heeft de auto vervolgens opgehaald. [eiser] vordert betaling van dit bedrag van [gedaagde] , maar niet is gebleken dat zij dit bedrag, waarvan de factuur gericht is aan [gedaagde] , heeft betaald. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
2.38.
[eiser] vordert vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft enkel een vordering tot vergoeding ingesteld, maar in de dagvaarding in het geheel niet gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en waaruit deze hebben bestaan. Deze post wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten
2.39.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:
- griffierecht
87,00
- salaris gemachtigde
1.080,00
(3 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.311,00

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
ontbindt de koopovereenkomst gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] betreffende de Audi model A1 met kenteken [kenteken] ,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.000,00 bij ontvangst van de auto door [gedaagde] ,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 36,00 per maand aan motorrijtuigenbelasting vanaf 21 oktober 2022 tot de datum van schorsing dan wel vrijwaring, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf telkens de vervaldatum van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting tot aan de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 62,34 per maand aan verzekeringspremies vanaf 21 oktober 2022 tot de datum van schorsing dan wel vrijwaring, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf telkens de vervaldatum van de verschuldigde verzekeringspremies tot aan de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan de registratie van het kenteken van de auto ( [kenteken] ) op zijn naam en het vervolgens aan [eiser] verstrekken van een deugdelijk vrijwaringsbewijs, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per (onvoltooide deel van een) dag als [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 2.500,00,
3.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.311,00 te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op
26 februari 2026.