ECLI:NL:RBOBR:2026:129

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
01-228691-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting in een kringloopwinkel door middel van het afsteken van vuurwerk met toepassing van jeugdstrafrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 21 mei 2023 in Best brand heeft gesticht in een kringloopwinkel door het afsteken van vuurwerk. De verdachte, die op het moment van het delict net 18 jaar oud was, is veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De officier van justitie had een gevangenisstraf van 6 maanden geëist, maar de rechtbank heeft besloten het jeugdstrafrecht toe te passen, gezien de jonge leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van de zaak, wat heeft geleid tot een lichtere straf. De benadeelde partij, de kringloopwinkel, heeft zich gevoegd in het strafproces en vorderde schadevergoeding, maar de rechtbank heeft deze vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze onvoldoende onderbouwd was. De rechtbank heeft de verdachte ook bijzondere voorwaarden opgelegd in het kader van de reclassering.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.228691.24
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,
wonende te [adres 1]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 9 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 mei 2023 te Best opzettelijk brand heeft gesticht door rotjes tot ontploffing te brengen,terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- het gehele pand (op/aan de [adres 2] ),- de inboedel van voornoemd pand,- de naastgelegen panden en/of de inboedel van die naastgelegen panden te duchten was.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens verdachte vrijspraak bepleit, omdat er onvoldoende bewijs in het dossier te vinden is dat de brand is veroorzaakt door vuurwerk dat is afgestoken door verdachte. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er geen onderzoek is gedaan naar de aard van het afgestoken vuurwerk en of dit vuurwerk geschikt was om brand te veroorzaken. Daarnaast was het pand toegankelijk voor derden, waardoor een derde ook aanstichter kan zijn geweest van de brand.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte op 21 mei 2023 met [persoon] in de Kringloopwinkel Best [adres 2] was en dat verdachte in die kringloopwinkel vuurwerk heeft afgestoken. Op basis van de screenshots van een filmpje gevonden in de telefoon van verdachte (pagina 151 van het dossier), concludeert de rechtbank dat er die dag ook vuurwerk is afgestoken in het gedeelte van de kringloopwinkel waar de banken stonden en waar volgens het forensisch rapport zeer waarschijnlijk door middel van open vuur de brand is begonnen. Op het filmpje is volgens het proces-verbaal op pagina 151 te zien dat er bij het afsteken van het vuurwerk op meerdere plekken in de kringloopwinkel smeulende resten terecht komen. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij bij het opmerken van de brand in de kringloopwinkel vuur bij de banken heeft gezien. De rechtbank concludeert hieruit dat de brand is ontstaan door (smeulende resten van) afgestoken vuurwerk bij de banken.
Verder concludeert de rechtbank op basis van de overige in het dossier beschreven filmpjes, de verklaring van verdachte en de verklaring van [persoon] dat verdachte degene is geweest die bezig was met het afsteken van vuurwerk. Over de aard van het afgestoken vuurwerk verklaart verdachte zelf dat dit rotjes waren. De rechtbank legt de tenlastelegging zo uit dat met rotjes wordt bedoeld knalvuurwerk, zoals ook te zien en beschreven is in het proces-verbaal op pagina 132 en verder.
De rechtbank concludeert uit voorgaande dat verdachte door middel van het aansteken van knalvuurwerk brand heeft veroorzaakt in de kringloopwinkel.
Ten aanzien van het opzet van verdachte om brand te stichten, overweegt de rechtbank dat er geen bewijs naar voren is gekomen dat verdachte hier vol opzet op had. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het brandstichten. Het is een feit van algemene bekendheid dat het binnen afsteken van vuurwerk brand kan veroorzaken. Verdachte heeft veelvuldig binnen in een kringloopwinkel – een ruimte waar veel brandbare materialen en voorwerpen staan - vuurwerk afgestoken. Uit het dossier blijkt dat verdachte het vuurwerk vanaf stoelen, kasten en tussen de banken heeft afgestoken en ook dat hij het vuurwerk door de winkel heeft gegooid. Door op deze manier te handelen heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het vuurwerk tot ontploffing zou komen op of vlakbij meubels (die makkelijk vlam kunnen vatten) en dat vonken van dat vuurwerk op die meubels terecht zouden komen en dat die meubels in de brand zouden vliegen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het stichten van brand en zich daarom schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde opzettelijke brandstichting.
Door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit vonnis gehecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
op 21 mei 2023 te Best opzettelijk brand heeft gesticht door rotjes tot ontploffing te brengen,terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten- het gehele pand (op/ [adres 2] ),- de inboedel van voornoemd pand,- de naastgelegen panden en de inboedel van die naastgelegen panden,
te duchten was.

De strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf van 240 uur geëist, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens verdachte toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit. De raadsman ziet geen toegevoegde waarde in een meld- en behandelplicht.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in een kringloopwinkel. Door het onvoorzichtige en ondoordachte handelen van verdachte, is grote materiële schade ontstaan aan de kringloopwinkel en omliggende panden. De eigenaren van de panden en de daarin gevestigde ondernemingen zijn hiervan de dupe.
Toepassing jeugdstrafrecht
Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het echter mogelijk om het jeugdstrafrecht toe te passen op jongeren in de leeftijd van achttien tot drieëntwintig jaar als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank ziet zowel in de persoonlijkheid van verdachte als in de omstandigheden waaronder het feit is begaan gronden om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was net twee maanden 18 jaar oud toen hij het delict pleegde. Het ondoordachte, impulsieve en beïnvloedbare handelen van verdachte ten tijde van het delict komt de rechtbank jeugdig voor. Verder blijkt uit het reclasseringsadvies van 3 december 2025 dat verdachte ondersteund wordt door een ambulant begeleider, die hem helpt op het gebied van motivatie, het aanbrengen van structuur, overzicht behouden van zijn financiële situatie en het bespreken van belangrijke situaties. Via die weg is pedagogische beïnvloeding van verdachte nog mogelijk. De rechtbank zal daarom, in lijn met het advies van de reclassering, ten aanzien van de straf het jeugdstrafrecht toepassen.
Redelijke termijn
Als uitgangspunt heeft te gelden dat bij een niet gedetineerde verdachte de behandeling van de zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond binnen 2 jaren. De rechtbank stelt vast dat op de datum dat het vonnis in deze zaak wordt gewezen de redelijke termijn, gemeten vanaf het tijdstip dat verdachte is aangehouden, met circa zeven maanden is overschreden. De rechtbank houdt met dit gegeven rekening bij het bepalen van de strafmaat.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank het jeugdstrafrecht toepast en in dat kader doorgaans lagere, meer op de persoon van de verdachte afgestemde straffen worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, passend. Hoewel verdachte zijn leven inmiddels beter op de rit lijkt te hebben, maakt hij op de rechtbank vanuit het dossier, het advies van de reclassering en ter terechtzitting een kwetsbare indruk. De rechtbank zal daarom aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden en de volwassenreclassering als begeleidende instantie aanwijzen.

De vordering van de benadeelde partij [adres 2]

, bijgestaan door mr. A.P. van Knippenbergh, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 79.391,68, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren, nu de vordering zeer kort voor de terechtzitting is ingediend en de raadsman onvoldoende tijd heeft gehad om een reëel verweer voor te bereiden. Indien de vordering wel inhoudelijk behandeld wordt, verzoekt de raadsman aanhouding van de zaak, om alsnog een inhoudelijk verweer op te kunnen stellen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering wegens het te laat indienen van de vordering niet aan de orde is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vordering, hoewel onwenselijk laat, volgens de wet tijdig is ingediend en dat het geen bijzonder complexe vordering betreft. De stukken waarop de benadeelde partij zich beroept in de berekening van de gevorderde schade, bevonden zich bovendien voor het merendeel al in het strafdossier.
De rechtbank ziet echter alsnog aanleiding om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank overweegt daartoe dat de vordering wordt betwist en deze is, gelet op het aanzienlijke gevorderde bedrag, te beperkt onderbouwd. Zo missen er rapportages en/of foto’s van de schadebepaling. Verder heeft de verdediging binnen het strafproces onvoldoende mogelijkheden om ten aanzien van een vordering met een dergelijke onderbouwing adequaat tegenonderzoek te doen.
De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Gelet op het voorgaande heeft de verdediging geen belang meer bij aanhouding van de zaak en zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:
63, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
een taakstrafbestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal
maken aan een strafbaar feit;
en stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
1. zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114, 5631 ES Eindhoven of op telefoonnummer 088-8041504. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. meewerkt aan de intakeprocedure bij De Omslag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, om te onderzoeken of behandeling noodzakelijk dan wel gewenst is. De intake start zo spoedig als mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde
lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden
en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen;
vordering benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte gemaakt, tot heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.C.L. Pechaczek, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. S. Zuithoff, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 13 januari 2026.