De kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant behandelde op 18 februari 2026 het verzoek tot opheffing van een bewind dat acht maanden eerder was ingesteld vanwege lichamelijke of geestelijke beperkingen van betrokkene.
Betrokkene en zijn ouders wilden het bewind opheffen vanwege de hoge kosten van bewindvoering en de wens om de financiën zelf te beheren. De bewindvoerder achtte het bewind echter nog steeds zinvol. Een rapport van gedragsdeskundigen uit november 2023 adviseerde om de afhankelijkheid van de ouders af te bouwen en professionele begeleiding in te schakelen.
De kantonrechter oordeelde dat de geestelijke gronden voor het bewind nog steeds aanwezig zijn, betrokkene nog geen zelfstandigheidstraject heeft doorlopen en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij met hulp van zijn ouders zijn geldzaken adequaat kan beheren. Ook weegt mee dat hulp van de ouders tegen het deskundigenadvies ingaat.
Daarom is het verzoek tot opheffing afgewezen. Betrokkene kan binnen drie maanden met tussenkomst van een advocaat hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.