Betrokkene verzocht om opheffing van het mentorschap omdat hij zelfstandig wil wonen, werken en leven en meent dat de rechterlijke zorgmachtiging en hulp van de zorginstelling voldoende zijn. De mentor en bewindvoerder stellen dat betrokkene een verstandelijke beperking en psychische stoornissen heeft, waardoor een minder gestructureerd dagprogramma tot ernstig nadeel zou leiden.
De rechterlijke zorgmachtiging is recent met twee jaar verlengd, wat impliceert dat vrijwillige zorg niet toereikend is. De mentor onderhoudt goede contacten met zorgprofessionals en werkt aan een betere woonplek voor betrokkene. Betrokkene is het niet eens met bepaalde zorgacties, zoals het openen van zijn post, maar de mentor handelt in zijn belang.
De kantonrechter concludeert dat voortzetting van het mentorschap noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. Het verzoek tot opheffing wordt afgewezen, met de mogelijkheid voor betrokkene om bij gewijzigde omstandigheden een nieuw verzoek in te dienen. Betrokkene is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep via een advocaat.