De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 4 februari 2026 de ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor voorbereidingshandelingen in het kader van een drugslaboratorium. De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie betrof een bedrag van €657.214,70, gebaseerd op het totale voordeel van het drugslab.
De rechtbank oordeelde dat het voordeel niet op het volledige bedrag kon worden vastgesteld vanwege onvoldoende bewijs en het ontbreken van onderzoek naar onverklaarbaar vermogen. De schatting van de officier van justitie van vijf procent van het totaal was onvoldoende onderbouwd. De rechtbank nam als uitgangspunt het voordeel van een medeveroordeelde van €7.000 en stelde het voordeel van de veroordeelde op de helft daarvan, namelijk €3.500.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn met ruim vijf jaar en negen maanden matigde de rechtbank het bedrag met 25%, waardoor de betalingsverplichting op €2.625 werd vastgesteld. De vordering werd voor het overige afgewezen. Tevens werd de duur van de gijzeling bij niet-betaling vastgesteld op 26 dagen.
De verdediging had verweer gevoerd op grond van het EVRM en de Geerings-jurisprudentie, maar dit werd verworpen omdat de ontnemingsvordering alleen betrekking had op bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wees ook het betwiste ontnemingsrapport buiten beschouwing gezien de beslissing over de vordering.