ECLI:NL:RBOBR:2026:1316

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/01/411486 / HA ZA 25-27
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 BWArt. 6:97 BWArt. 6:119 BWArt. 7:759 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid jachtwerf voor brandschade door ondeugdelijke boegschroefinstallatie

De eiser, eigenaar van een zeiljacht, vordert schadevergoeding van de jachtwerf die een boegschroef in zijn jacht installeerde. Door een ondeugdelijke installatie ontstond brand, waardoor onder meer kussens beschadigd raakten en het jacht beperkt bruikbaar was.

De rechtbank oordeelt dat de jachtwerf aansprakelijk is voor de schade, maar wijst slechts een deel van de gevorderde schade toe. De rechtbank beoordeelt per schadepost of voldaan is aan de voorwaarden van tekortkoming, causaal verband en herstelmogelijkheid. Diverse posten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat herstel niet eerst is aangeboden.

Toegewezen worden onder meer een deel van de reiskosten (€500), gederfd vaargenot (€3.000), kosten voor het terugsturen van een stuurcomputer (€200,99), en buitengerechtelijke incassokosten en rente gerelateerd aan een eerder betaald bedrag. De rechtbank wijst het meer gevorderde af en veroordeelt de gedaagde tevens in de proceskosten.

Uitkomst: De jachtwerf wordt veroordeeld tot betaling van €4.742,22 schadevergoeding en proceskosten wegens ondeugdelijke installatie boegschroef die brand veroorzaakte.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/411486 / HA ZA 25-27
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ( [land] ),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.F. Bienfait,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] (vrouwelijk, enkelvoud),
advocaat: mr. K.A.M.J. Horsch.

1.De kern van de zaak

1.1.
[gedaagde] heeft in de zeiljacht van [eiser] een boegschroef geïnstalleerd. De installatie is niet deugdelijk geweest, waardoor er brand is ontstaan. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van schade, waarvan en deel door [gedaagde] is vergoed. Volgens [eiser] is [gedaagde] echter gehouden meer schade te vergoeden dan zij al heeft gedaan. In deze procedure vordert [eiser] daarom betaling van € 29.329,02. [gedaagde] betoogt dat zij al genoeg schade heeft vergoed.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] een beperkt deel van het gevorderde bedrag nog moet betalen (€ 4.742,22).
1.3.
Hieronder licht de rechtbank haar oordeel toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- een akte met producties 24 t/m 28 van [eiser]
- een akte met productie 29 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Na afloop van de zitting hebben partijen gevraagd om een extra tijd om te onderzoeken of zij een schikking kunnen treffen. Op de rolzitting van 17 december 2025 hebben partijen bij akte laten weten dat zij er niet in zijn geslaagd een schikking te treffen. Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] is een professionele werf.
3.2.
[eiser] is eigenaar van een zeiljacht, dat ligt in een jachthaven gelegen aan de Oostzee. [eiser] woont in [plaats] ( [land] ).
3.3.
In februari 2023 heeft [eiser] een boegschroef gekocht en deze door [gedaagde] laten installeren in zijn zeiljacht. Het is een intrekbare boegschroef in het voorschip. Tot de werkzaamheden behoorde ook het installeren van een elektrisch systeem voor de bediening van de boegschroef. De werkzaamheden zijn verricht door [gedaagde] en voor de werkzaamheden is door [eiser] betaald.
3.4.
Op of omstreeks 29 april 2023 is er brand geweest aan boord van het zeiljacht. De oorzaak hiervan lag in de niet deugdelijke installatie van de boegschroef. Een van de gevolgen is geweest dat kussens in het vooronder van het zeiljacht, die kunnen worden gebruikt voor het slapen, zijn beschadigd / vervuild.
3.5.
[eiser] heeft telefonisch en in ieder geval vanaf 3 mei 2023 per e-mail contact gehad met [gedaagde] over de brandschade.
3.6.
[eiser] heeft ook een expert, de heer [A] , ingeschakeld. [A] heeft op 5 mei 2023 en op 20 september 2023 het zeiljacht geïnspecteerd. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 mei 2023 en in een rapport van 2 oktober 2023.
3.7.
[gedaagde] heeft reparaties aan het zeiljacht uitgevoerd. Ook [B] , een door [eiser] ingeschakelde partij, heeft herstelwerkzaamheden uitgevoerd.
3.8.
[gedaagde] heeft de door de brand beschadigde kussens opgehaald en laten reinigen. De kussens zijn uiteindelijk op 4 december 2023 bij [eiser] afgeleverd, nadat ze twee keer op onjuiste wijze waren verzonden en niet waren bezorgd bij [eiser] .
3.9.
Een paneel en joystick zijn na reparatie (weer) defect geraakt en zijn gerepareerd.
3.10.
Partijen hebben gecorrespondeerd over vergoeding van de schade / kosten van de reparaties. [gedaagde] heeft op 8 juli 2024 € 7.218,90 aan [eiser] betaald.
3.11.
[eiser] heeft vergoeding van aanvullende kosten / schadeposten gevorderd. [gedaagde] heeft hier niet aan voldaan. [eiser] is daarop deze procedure gestart.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 29.329,02, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
#*
Toelichting
Bedrag in €
10
Deskundigenrapport [A] 2 okt 2023
1.502,97
11
Factuur [B] Elektronik 13 okt 2023
380,12
13
Terugzending paneel
19,49
14
[A] , werk inzake bedieningskast
383,18
15
Reiskosten, 2.493,9 km x € 0,75
1.870,43
16
Niet gebruik zeiljacht
20.000,-
17
Waardevermindering wegens schade
2.744,80
18
Kosten opsturen stuurcomputer in verband met garantieclaim
200,99
subtotaal
27.101,98
Buitengerechtelijke incassokosten die verband houden met het al betaalde bedrag van € 7.218,90
836,89
Rente die verband houdt met het al betaalde bedrag van € 7.218,90
204,34
Buitengerechtelijke incassokosten die verband houden met posten # 10 tm 18 (hiervoor weergegeven)
1.044
Rente op posten # 10 tm 18
141,81
Totaal
29.329,02
*dit is de door partijen aangehouden nummering van de schadeposten
4.3.
Volgens [gedaagde] moet het gevorderde worden afgewezen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] vordert betaling van allerlei posten, omdat [gedaagde] tekort is
geschoten.
Bevoegdheid van de Nederlandse rechter en toepasselijk recht
5.2.
Dit geschil heeft een internationale component, omdat [eiser] in [land] woont.
5.3.
De Nederlandse rechter is bevoegd te oordelen over het geschil onder meer op grond van artikel 26 Verordening Pro Brussel I- bis [1] . De zaak is aangebracht in Nederland en [gedaagde] heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist.
5.4.
Nederlands recht is toepasselijk op het geschil op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 Verordening Pro Rome I [2] .
De maatstaf
5.5.
De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op artikel 6:74 lid 1 BW Pro. Volgens dit artikel is een partij (in dit geval: [gedaagde] ) gehouden schade te vergoeden als hij tekort is geschoten (in de nakoming van een verbintenis) en de andere partij daardoor schade heeft geleden. Uit dit artikel volgt dat er oorzakelijk verband moet zijn tussen het tekortschieten en de schade (de schade moet het gevolg zijn van het tekortschieten). Verder volgt uit artikel 6:74 lid 2 BW Pro dat een partij slechts gehouden is schade te vergoeden als hij in verzuim verkeert, tenzij nakoming blijvend onmogelijk is. Omdat hier sprake is van aanneming van werk, betekent dit, als het gaat om gebrekkig werk dat hersteld kan worden, dat de opdrachtgever ( [eiser] ) de aannemer ( [gedaagde] ) eerst in staat moet stellen een gebrek te herstellen voordat de opdrachtgever recht heeft op schadevergoeding. Dat volgt uit artikel 7:759 BW Pro.
5.6.
Concreet betekent dit dat
per opgevoerde schadepostmoet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
(1) er moet sprake zijn van een tekortkoming,
(2) er moet een causaal verband zijn tussen de tekortkoming en de schade(post), en
(3) de aannemer moet eerst de gelegenheid zijn geboden om het gebrek te herstellen voor zover het gaat om gebrekkig werk dat hersteld kon worden.
5.7.
Het is aan [eiser] , als de partij die schadevergoeding vordert, voldoende feiten te stellen en, bij betwisting, te bewijzen waaruit volgt dat aan de voorwaarden voor schadevergoeding is voldaan. Daarbij is het van belang dat de feiten duidelijk (genoeg) zijn gepresenteerd, dat voor de wederpartij (in dit geval: [gedaagde] ) en de rechter helder is op welke gronden de vordering steunt. Het is niet aan de wederpartij of de rechter om de feitelijke grondslagen van de vordering te moeten zoeken.
5.8.
Als de aansprakelijkheid (in casu: van [gedaagde] ) vaststaat, moet de hoogte van de schade worden bepaald. Daarover bepaalt artikel 6:97 BW Pro dat de rechter de schade begroot op een wijze die past bij de aard van de schade en dat als nauwkeurige vaststelling niet mogelijk is, de schade geschat wordt.
5.9.
In het licht van dit beoordelingskader oordeelt de rechtbank als volgt over de verschillende schadeposten.
De post “Deskundigenrapport [A] 2 oktober 2023” van € 1.502,97
5.10.
Deze post is niet toewijsbaar, alleen al op grond van het volgende.
5.11.
Naar de rechtbank begrijpt ziet deze post op kosten van het inspecteren van het jacht op 20 september 2023.
5.12.
Voor het toewijzen van dergelijke kosten (kosten van een deskundige) is het, onder meer, vereist dat het maken van de kosten en de hoogte daarvan redelijk was. Dat volgt uit artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro.
5.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is hier niet aan voldaan. Uit de feiten volgt niet dat het maken van deze kosten redelijk was. Er had immers al een onderzoek door een deskundige plaatsgevonden (op 5 mei 2023) en de kosten daarvan zijn vergoed door [gedaagde] . [eiser] heeft niet duidelijk toegelicht waarom, in het licht hiervan, een tweede onderzoek nodig was. Bovendien is gebleken dat [gedaagde] niet voor dit onderzoek is uitgenodigd en dat zij slechts achteraf met de kosten ervan werd geconfronteerd.
De posten “ [B] Elektronik 13 oktober 2023” van € 380,12, “ [A] , werk inzake bedieningskast” van € 383,18 en “Terugzending paneel” van € 19,49
5.14.
Deze posten zijn niet toewijsbaar.
5.15.
Naar de rechtbank begrijpt zien deze posten op de kosten van het herstellen van een bedieningspaneel. [gedaagde] heeft betwist dat zij in de gelegenheid is gesteld eventuele gebreken aan het bedieningspaneel te herstellen en [eiser] heeft niet duidelijk toegelicht hoe en wanneer die gelegenheid wel is gegeven. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te verwijzen naar een e-mail van 15 juni 2024 ( [gedaagde] gaat daarvan uit), geldt dat die e-mail is gestuurd toen het paneel al was gerepareerd (in september 2023). Met deze e-mail is dus niet de gelegenheid gegeven het gebrek te herstellen. De vordering is alleen al niet toewijsbaar, omdat niet duidelijk is gebleken dat aan het bepaalde in artikel 7:759 BW Pro is voldaan.
De post “Reiskosten” van € 1.870,43
5.16.
Deze post is toewijsbaar tot een bedrag van € 500,-.
5.17.
Naar de rechtbank begrijpt ziet deze post op de kosten van de diverse reizen die [eiser] heeft moeten maken in verband met de gebreken die zijn jacht heeft gehad.
5.18.
Een bedrag in verband met vergoeding van reiskosten is toewijsbaar.
Het staat vast dat [gedaagde] tekort is geschoten: [gedaagde] heeft een ondeugdelijke bekabeling aangebracht waardoor brand is ontstaan. Dat is niet betwist. Dat [eiser] , die in [plaats] woont, terwijl het jacht ligt in een jachthaven gelegen aan de Oostzee, enige extra reiskosten heeft gemaakt vanwege dit gebrek is gesteld en niet betwist.
5.19.
Wel zijn partijen het niet eens over de hoogte van de kosten.
5.20.
Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat hij 2.493,9 extra kilometers heeft gereden en is hij uitgegaan van € 0,75 per kilometer (dus € 1.870,43 = € 0,75 x 2.493,9 km), maar het aantal gereden kilometers en het bedrag per kilometer zijn betwist en verder niet onderbouwd. Ter zitting heeft [eiser] aangeboden de berekening nog toe te sturen, maar de rechtbank ziet geen aanleiding die gelegenheid te bieden. [eiser] heeft al voldoende de gelegenheid gehad om stukken toe te zenden voor de mondelinge behandeling. Het verweer was ook al lang bekend.
5.21.
Tegenover de algemene onderbouwing van [eiser] (2.493,9 km x € 0,75 per km) heeft [gedaagde] echter ook slechts in algemene zin betwist dat het aantal kilometers en het bedrag per kilometer kloppen en heeft zij erop gewezen dat [eiser] ook naar zijn tweede huisje (gelegen aan de Oostzee) kan zijn gereden. Een concrete tegenbegroting heeft [gedaagde] niet gegeven.
5.22.
Kortom, beide partijen hebben weliswaar hun standpunten enigzins onderbouwd, maar geen van de onderbouwingen is zo sterk dat er aanleiding is het standpunt zonder meer te volgen. De rechtbank zal de schade van [eiser] daarom schatten en vaststellen op een bedrag van € 500,-. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een deel van de reiskosten ziet op gebreken (zoals het vervangen van het bedieningspaneel) waarvan het niet vaststaat dat [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld die te herstellen, terwijl een deel wel verband houdt met schade die het gevolg is van een tekortkoming van [gedaagde] (zoals de brandschade door de ondeugdelijk aangelegde bekabeling).
De post “Niet gebruik zeiljacht” van € 20.000,-
5.23.
Deze post is toewijsbaar tot een bedrag van € 3.000,-, op grond van het volgende.
5.24.
Naar de rechtbank begrijpt ziet deze post op het niet kunnen gebruiken van het jacht op de wijze die [eiser] mocht verwachten, vanwege de gebreken. Anders gezegd, de schade heeft betrekking op gederfd (vaar)genot.
5.25.
[eiser] heeft de schade als volgt onderbouwd.
[eiser] heeft door het tekortschieten van [gedaagde] zijn jacht niet kunnen gebruiken, althans het jacht niet kunnen gebruiken op de wijze die hij had gewild. Immers, onder meer door de brand zijn er kussens beschadigd. Deze kussens werden gebruikt voor het slapen op het jacht. De kussens heeft [eiser] pas op 4 december 2023 terug ontvangen (terwijl de brand rond 29 april 2023 was). [eiser] heeft daardoor een heel seizoen het jacht niet kunnen gebruiken voor lange tochten.
De schade moet worden begroot aan de hand van de huur die [eiser] had moeten betalen als hij een ander vergelijkbaar jacht had gehuurd. Een vergelijkbaar jacht huren in het midden en hoog seizoen kost € 2.500,- tot € 5.000,- per week en [eiser] had graag met zijn jacht 8 weken op reis willen gaan. De schade bedraagt daarom € 20.000,- (€ 2.500,- per week maal 8 weken). De schade kan ook worden begroot (productie 28 van [eiser] ) op € 23.245,- op basis van (a) de kosten van het klaarmaken van het jacht aan het begin van het seizoen (van € 5.694,16), (b) de kosten van het winterklaar maken van het jacht aan het einde van het seizoen (van € 5.693,43), (c) periodieke kosten (van € 319,40) en (d) waardevermindering (van € 11.538,-), aldus [eiser] .
5.26.
[gedaagde] heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd.
[eiser] heeft niet voldaan aan zijn stelplicht. Het missen van de kussens is een gering / verwaarloosbaar gemis. Het jacht heeft twee slaapvertrekken, de beschadigde kussens werden gebruikt in een slaapvertrek, maar [eiser] had ook het andere slaapvertrek kunnen gebruiken. Verder heeft [eiser] tegen [gedaagde] verklaard dat hij het jacht hoofdzakelijk voor dagtochten gebruikt, omdat hij in de buurt van de ligplaats van het jacht een tweede woning heeft. Ook daarom is het missen van de kussens een gering gemis. Verder betekent het ontbreken van een werkende boegschroef niet dat het jacht niet gebruikt had kunnen worden. Een boegschroef maakt het varen makkelijker, maar zonder kan ook worden gevaren. De schade is begroot aan de hand van kosten die zouden zijn gemaakt voor het gebruiken van een ander jacht, maar deze kosten zijn niet gemaakt, aldus [gedaagde] .
5.27.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.28.
Een bedrag in verband met het niet kunnen gebruiken van het jacht althans het niet kunnen gebruiken van het jacht op de wijze die [eiser] mocht verwachten, is toewijsbaar. Het staat vast namelijk vast dat [gedaagde] tekort is geschoten (omdat het een ondeugdelijke bekabeling heeft aangebracht waardoor brand is ontstaan) en dat [eiser] hierdoor gederfd (vaar)genot heeft gehad. Er is op of omstreeks 29 april 2023 brand geweest en de schade is niet meteen hersteld, ook niet meteen nadat [gedaagde] op de hoogte werd gesteld. Er zijn kussens beschadigd, die gebruikt werden / konden worden voor het slapen op het jacht, en deze zijn pas op 4 december 2023 geretourneerd. Verder heeft gedurende enige tijd de boegschroef niet gewerkt, waardoor er minder (vaar)genot was van het jacht dan [eiser] had mogen verwachten als de overeenkomst deugdelijk was nagekomen.
5.29.
Wat betreft de begroting van deze schade, ziet de rechtbank geen aanleiding om zonder meer aan te sluiten bij een van de begrotingen van [eiser] . Deze gaan namelijk uit van de aanname dat het jacht in het geheel niet gebruikt kon worden, maar dat is door [gedaagde] gemotiveerd betwist en ook niet gebleken. Immers, volgens [gedaagde] kon ook goed met het jacht worden gevaren zonder werkend boegschroef en dat is niet betwist. Het staat ook niet vast dat zonder de kussens niet gevaren kon worden – dat is ook niet gesteld. Anderzijds: er was wel een substantieel verminderd vaargenot: (a) de boegschroef heeft een tijd niet gewerkt (hoe lang precies is niet duidelijk gesteld) en zonder de boegschroef was het varen moeilijker en (b) wat de kussens betreft, staat naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval vast dat door de brand de mogelijkheden tot slapen in het jacht zijn beperkt gedurende een lange periode (april – december 2023). Partijen hebben ter zitting gedebatteerd over de vraag of er een alternatief was voor slapen in het vooronder (waar de kussens lagen die door de brand zijn aangetast), maar in ieder geval staat vast dat er minder slaapplekken waren aan boord van het jacht.
5.30.
De rechtbank ziet, al met al, aanleiding om de schade vanwege het gederfd vaargenot bij wijze van schatting te begroten op € 3.000,-. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de kussens en de boegschroef, hoewel zij bijdragen aan het vaargenot, geen cruciale onderdelen zijn van het jacht. Tegelijkertijd is er wel enig substantieel gederfd vaargenot geweest.
5.31.
Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is het voor het toewijzen van een vergoeding voor gederfd vaargenot niet nodig dat kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Artikel 6:97 BW Pro laat ook de mogelijkheid van een abstracte schadeberekening toe.
De post “waardevermindering wegens schade” van € 2.744,80
5.32.
Deze post is niet toewijsbaar.
5.33.
[gedaagde] heeft betwist dat het jacht in waarde is verminderd en [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het jacht in waarde is verminderd en dat deze vermindering een waarde vertegenwoordigt van (circa) € 2.744,80. Naar de rechtbank begrijpt zijn de gebreken immers hersteld: de boegschroef werkt inmiddels, de kussens zijn geretourneerd, het jacht is schoongemaakt en de kabels zijn opnieuw geïnstalleerd. In dat licht is het niet zonder meer duidelijk waarom het jacht in waarde is verminderd. [eiser] heeft verwezen naar het rapport van [A] van 2 oktober 2023 waarin het bedrag van € 2.030,- wordt genoemd (= € 2.744,80 incl. 19% ( [land] ) btw). Uit de toelichting in dit rapport blijkt dat dit bedrag ziet op kosten van reiniging, van een bedieningspaneel, van een kussen van een stapelbed en van een kabelboom. Dit is dus geen begroting van een waardevermindering. Voor zover [eiser] met deze vordering eigenlijk iets anders dan een waardevermindering had willen vorderen, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] dat duidelijker had moeten toelichten. De onduidelijkheid komt voor risico van [eiser] , aangezien hij de stelplicht (en bewijslast) draagt.
De post “Kosten opsturen stuurcomputer in verband met garantieclaim” van € 200,99
5.34.
Deze post is toewijsbaar.
5.35.
Naar de rechtbank begrijpt ziet deze post op de kosten van het terugsturen van een stuurcomputer die door [gedaagde] was geïnstalleerd. Naar de rechtbank begrijpt betwist [gedaagde] dat zij de kosten verschuldigd is, omdat [eiser] zelf direct contact heeft gehad met de leverancier. Daarmee heeft [gedaagde] de verschuldigdheid niet deugdelijk betwist. Immers, [gedaagde] heeft niet betwist dat zij de stuurcomputer had geïnstalleerd en dat de stuurcomputer moest worden vervangen. Daaruit volgt dan dat [gedaagde] de kosten moet dragen van het vervangen van de stuurcomputer. Daar vallen ook de kosten van het terugzenden onder. Dat [eiser] zelf het contact voerde met de leverancier kan niet aan hem worden tegengeworpen. Niet is gesteld dat [gedaagde] andere / betere afspraken met de leverancier had gemaakt als het zelf contact had opgenomen.
De post “buitengerechtelijke incassokosten en rente die verband houden met het al betaalde bedrag van € 7.218,90” van € 836,89
5.36.
Deze post is toewijsbaar.
5.37.
De hoofdvordering (tot betaling van € 7.218,90) valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de eisen die zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Op grond van het rapport Voorwerk II kan een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank is vergoeding van incassokosten verschuldigd, ook omdat is gebleken dat incassowerkzaamheden zijn verricht en niet is betwist dat [gedaagde] met de betaling van € 7.218,90 in verzuim verkeerde. Aangezien het bedrag is berekend volgens het in het Besluit voorgeschreven tarief, acht de rechtbank de hoogte van de vergoeding redelijk.
5.38.
Het verweer van [gedaagde] dat de buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze door een rechtsbijstandsverzekeraar zijn betaald, faalt. De vergoeding van incassokosten is een zelfstandige verplichting van [gedaagde] naar [eiser] en staat los van de vergoeding daarvan aan [eiser] door een derde partij (de verzekeraar). Het enkele feit dat de rechtsbijstandsverzekeraar de kosten aan [eiser] heeft voldaan / voorgeschoten, ontslaat [gedaagde] niet van zijn vergoedingsplicht aan [eiser] .
De post “rente die verband houdt met het al betaalde bedrag van € 7.218,90” van € 204,34
5.39.
Deze post is toewijsbaar.
5.40.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] deze rente verschuldigd is en de hoogte onderbouwd aan de hand van een berekening. [gedaagde] heeft daartegenover gesteld dat de berekening niet klopt, maar zij heeft die betwisting niet concreet gemaakt (niet concreet is aangegeven wat aan de berekening niet klopt, noch is een eigen berekening overgelegd). De betwisting van [gedaagde] wordt gepasseerd, omdat zij niet voldoende concreet is.
De posten “Buitengerechtelijke incassokosten” en “rente” die verband houden met posten # 10 t/m 18, van € 1.044,- en € 141,81
5.41.
Deze posten zijn niet toewijsbaar.
5.42.
Deze posten gaan uit van de aanname dat posten 10 t/m 18 verschuldigd zijn. Zoals hiervoor weergegeven is slechts een klein deel toewijsbaar. Voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten is vereist dat er deugdelijk is aangemaand en dat betekent (ook) dat er is aangemaand voor het juiste bedrag. Dat dit het geval is geweest, is niet gebleken. Wat betreft de gevorderde vervallen rente van € 141,81, geldt dat dit bedrag niet klopt (immers het bedrag is gebaseerd op de gevorderde hoofdsom, die slechts zeer gedeeltelijk wordt toegewezen). Verder is het niet zonder meer duidelijk welk bedrag aan rente wel zou moeten toegewezen. Deze onduidelijkheid komt voor risico van [eiser] als de partij die die duidelijkheid had moeten geven.
Conclusie
5.43.
Uit het voorgaande volgt dat de volgende posten worden toegewezen:
Reiskosten € 500,-
Gederfd vaargenot € 3.000,-
Kosten opsturen stuurcomputer € 200,99
Buitengerechtelijke incassokosten die verband
houden met het al betaalde € 7.218,90 € 836,89
5.
Rente die verband houdt met het al betaalde € 7.218 € 204,34
6.
Totaal € 4.742,22
5.44.
[eiser] heeft ook wettelijke rente gevorderd. De rente wordt toegewezen over het bedrag van € 4.537,88, zijnde het toegewezen bedrag minus de vervallen rente (€ 4.742,22 -/- € 204,34). Voor toewijzing van rente over rente is, zonder nadere toelichting, geen aanleiding. De rente wordt toegewezen vanaf 8 juli 2024, zoals is gevorderd.
De proceskosten
5.45.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
139,42
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.108,00
(2 punten × € 554,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.810,42
5.46.
Bij de berekening van het salaris advocaat is uitgegaan van een tarief van € 554,- per punt, dat hoort bij het toegewezen bedrag. Er is dus niet aangesloten bij het bedrag dat was gevorderd – dat was immers te hoog.
5.47.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.742,22, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 4.537,88, met ingang van 8 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.810,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.