ECLI:NL:RBOBR:2026:1329

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
01/009538/22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling deelneming criminele organisatie en handel in harddrugs

De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met het overtreden van de Opiumwet, alsmede voor het medeplegen van handel in en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. De feiten betreffen de periode van september 2020 tot januari 2022 in Eindhoven en Helmond.

Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn gemaakt en door de rechtbank beoordeeld aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022. Verdachte heeft vrijwillig ingestemd met de afdoening en afstand gedaan van bepaalde verdedigingsrechten. De rechtbank acht de afdoening passend en in redelijke verhouding tot de ernst van de feiten.

De bewezenverklaring omvat deelneming aan een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven volgens de Opiumwet, het opzettelijk handelen in strijd met verboden middelen (heroïne en cocaïne) en het aanwezig hebben van deze harddrugs in bepaalde hoeveelheden. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 18 maanden op met aftrek van voorarrest en verklaart drie geldbedragen verbeurd.

De rechtbank heft tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en verbeurdverklaring van geldbedragen wegens deelneming aan criminele organisatie en handel in harddrugs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.009538.22
Datum uitspraak: 06 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2022, 11 juli 2022, 17 mei 2023, 26 juli 2023, 4 oktober 2023, 7 juni 2024, 13 mei 2025, 15 mei 2025, 2 december 2025 en 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 maart 2022.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 20 februari 2026 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 9 september 2020 tot en met 11 januari 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere)
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
t.a.v. feit 2:
hij in of omstreeks de periode 9 september 2020 tot en met 11 januari 2022 te Eindhoven en/of Helmond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en/of heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 11 januari 2022 te Eindhoven, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 97,18 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 9,23 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding.

Het Openbaar Ministerie en de verdachte hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst, die door de verdachte, de raadsvrouw van de verdachte en de officier van justitie is ondertekend op 11 november 2025. Deze overeenkomst bevindt zich in het dossier.

De beoordeling van de overeenkomst.

De rechtbank is bij de beoordeling van de overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Y. Ameziane en dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. De rechtbank heeft kennisgenomen van de procesafspraken die de verdachte en zijn raadsvrouw met de officier van justitie hebben gemaakt. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn door de rechtbank met de verdachte besproken. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank constateert dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan de verdachte op grond van artikel 6 EVRM Pro toekomende recht op een eerlijk proces.
De overeenkomst houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:
  • de verdachte gaat akkoord met de wijziging tenlastelegging zoals in concept verstuurd d.d. 7 mei 2025 waarbij de woorden amfetamine onder feit 3 zijn gewijzigd in de woorden cocaïne;
  • de officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring en kwalificatie van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde; en
  • de officier van justitie eist ter terechtzitting een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Verder is overeengekomen dat:
  • verdachte bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zal zijn;
  • verdachte afziet van het indienen van onderzoekswensen;
  • verdachte de reeds ingediende onderzoekswensen zal intrekken;
  • door de verdediging geen bewijsverweren worden gevoerd;
  • door de verdediging geen strafmaatverweren worden gevoerd;
  • verdachte ter terechtzitting akkoord zal geven voor gemaakte afspraken, zoals deze blijken uit deze overeenkomst;
  • verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep wordt ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring en eventuele bewijsoverwegingen opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
t.a.v. feit 1:
in de periode van 9 september 2020 tot en met 11 januari 2022 te Eindhoven en Helmond, heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten onder andere
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde Pro en vierde lid, Opiumwet;
t.a.v. feit 2:
in de periode 9 september 2020 tot en met 11 januari 2022 te Eindhoven en Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
t.a.v. feit 3:
op 11 januari 2022 te Eindhoven, opzettelijk aanwezig heeft gehad 97,18 gram heroïne en 9,23 gram cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, conform de overeenkomst, gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht zich aan te sluiten bij de overeenkomst.

Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het overtreden van de Opiumwet, het medeplegen van de handel in en het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs.
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door de verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte betrokken.
De rechtbank is van oordeel dat de voorgestelde afdoening voldoende recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt.
Van de voorgestelde afdoening kan niet gezegd worden dat deze niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak, zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank zal daarom een straf opleggen die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen, te weten drie geldbedragen, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat de rechtbank op basis van de locatie waar en de omstandigheden waaronder de geldbedragen zijn aangetroffen in combinatie met de bewezenverklaarde feiten vaststelt dat deze geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
  • 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht; en
  • 2, 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde en, vierde van de Opiumwet
t.a.v. feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
t.a.v. feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen:
T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.

Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- 400 EUR / ibg 11-1-2022;
- 50 EUR / ibg 11-1-2022;
- 200 EUR / ibg 11-1-2022.
Heft ophet tegen verdachte verleende - en per 5 oktober 2023 geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. W.M.T. Keukens en mr. S.A.E.M. Rampaart, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 06 maart 2026.