De rechtbank Oost-Brabant heeft op 6 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van deelneming aan een criminele organisatie met als oogmerk het overtreden van de Opiumwet en het medeplegen van handel in harddrugs. De tenlastelegging betrof de periode van 1 december 2020 tot en met 6 april 2022 in Eindhoven en Helmond.
Tijdens de procedure zijn procesafspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarin verdachte instemde met een strafvoorstel van 835 dagen gevangenisstraf, waarvan 730 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Tevens werd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling afgewezen.
De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen en stelde vast dat verdachte strafbaar is voor deelneming aan de criminele organisatie en het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank vond dat de afdoening recht doet aan de zaak, waarbij zowel het belang van verdachte als dat van de maatschappij is meegewogen.
De straf is opgelegd conform de gemaakte procesafspraken. Verdachte werd vrijgesproken van hetgeen meer of anders was ten laste gelegd dan bewezen verklaard. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling werd afgewezen.