Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Inleiding.
De beoordeling van de overeenkomst.
- de officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring en kwalificatie van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde; en
- de officier van justitie eist ter terechtzitting een gevangenisstraf voor de duur van 835 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan 730 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Ook zal afwijzing van de aanhangig gemaakte vordering herroeping VI worden gevorderd.
- verdachte bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zal zijn;
- verdachte afziet van het indienen van onderzoekswensen;
- verdachte de reeds ingediende onderzoekswensen zal intrekken;
- door de verdediging geen bewijsverweren worden gevoerd;
- door de verdediging geen strafmaatverweren worden gevoerd;
- verdachte ter terechtzitting akkoord zal geven voor gemaakte afspraken, zoals deze blijken uit deze overeenkomst;
- verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken; en
- door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep wordt ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
Het standpunt van de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank.
Toepasselijke wetsartikelen.
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht; en
- 2, 10 van de Opiumwet.