ECLI:NL:RBOBR:2026:1345

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/1225
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.6 Wmo 2015Art. 2.3.9 Wmo 2015Art. 2.3.10 Wmo 2015Art. 4.6 Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing en herziening persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen en onvoldoende bewijs noodzakelijkheid ondersteuning

Eiser, bekend met autisme en woonachtig in een beschermde woonomgeving, had een persoonsgebonden budget (pgb) voor ondersteuning via zijn vader en Het Venster. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven herzag het pgb en keerde het om naar een maatwerkvoorziening in natura, omdat eiser en zijn pgb-vertegenwoordiger niet voldeden aan de pgb-verplichtingen en onvoldoende bewijs werd geleverd dat de door de vader verleende ondersteuning noodzakelijk was.

De rechtbank oordeelde dat de pgb-vertegenwoordiger betalingen had verricht aan zichzelf en de vader zonder toestemming en zonder een geldig pgb-plan, wat een schending van de pgb-verplichtingen is. Daarnaast kon niet worden vastgesteld dat de door de vader verleende ondersteuning noodzakelijk en passend was, mede doordat er geen evaluatieverslagen waren en het pgb-plan onvoldoende concreet was.

Eiser voerde aan dat de pgb-vertegenwoordiger bekwaam was, dat er sprake was van een noodsituatie, en dat het college het vertrouwensbeginsel had geschonden. Deze argumenten werden door de rechtbank verworpen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule faalde wegens gebrek aan onderbouwing.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het college tot afwijzing van de pgb-aanvraag en de herziening naar een maatwerkvoorziening in natura. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het collegebesluit tot afwijzing van de pgb-aanvraag en herziening naar een maatwerkvoorziening in natura wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1225

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Duurtsema),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven

(gemachtigde: mr. S. Linders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor de door eisers vader in 2023 verleende ondersteuning en over het besluit tot herziening van het pgb in die zin dat aan eiser een maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt. Eiser is het hiermee niet eens.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college deze aanvraag heeft kunnen afwijzen. Ook heeft het college het pgb van eiser mogen herzien. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Procesverloop

2. Het college heeft met een besluit van 14 juni 2024 (het primaire besluit) eisers aanvraag voor een pgb voor in 2023 door zijn vader verleende ondersteuning afgewezen. Ook heeft het college met dit besluit het besluit van 5 april 2024 herzien in die zin dat aan eiser ondersteuning in natura wordt verstrekt voor de ondersteuning van Het Venster. Met het besluit op bezwaar van 23 april 2025 (het bestreden besluit) is het college bij het primaire besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de ouders van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is bekend met autisme en ervaart als gevolg hiervan beperkingen in zijn vermogen om zelfstandig te leven. Hij woont sinds 2016 in een beschermd wonen omgeving.
3.1.
Het college heeft aan eiser met een besluit van 1 juli 2022 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2022 een maatwerkvoorziening Ondersteuning Wonen verstrekt. Deze maatwerkvoorziening is verstrekt in de vorm van een pgb. Hiermee kan eiser de ondersteuning inkopen bij Het Venster. De pgb-vertegenwoordiger van eiser is zijn moeder (pgb-vertegenwoordiger). Met dit besluit heeft het college op grond van de Wmo 2015 ook voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 een maatwerkvoorziening begeleiding bij het zelfstandig leven zwaar verstrekt in de vorm van een pgb. Hiermee kan eiser de ondersteuning inkopen bij start DOOR!.
3.2.
Op 5 oktober 2022 is de broer van eiser overleden. Als gevolg hiervan heeft eiser een forse terugslag gehad. Het traject bij start DOOR! is daarom niet haalbaar. Gezien deze situatie heeft het college met een besluit van 17 januari 2023 op grond van de Wmo 2015 voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 ambtshalve een maatwerkvoorziening Beschermd Thuis 1 in de vorm van een pgb verstrekt. Hiermee kan eiser de ondersteuning inkopen bij Het Venster.
3.3.
Voorafgaand aan het besluit van 17 januari 2023 heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen de pgb-vertegenwoordiger en een medewerker van het college. Tijdens dit gesprek heeft de pgb-vertegenwoordiger aangegeven dat de vader van eiser veel extra ondersteuning aan eiser biedt naast de ondersteuning van Het Venster. In een e-mail van 4 januari 2023 heeft het college de pgb-vertegenwoordiger verzocht om een nieuw pgb-plan in te dienen waarin alle ondersteuning die aan eiser wordt geboden, is opgenomen. Hierin is ook meegedeeld dat zo lang er geen aangepast pgb-plan is ingediend, er geen ander pgb kan worden verstrekt. De pgb-vertegenwoordiger heeft echter geen gewijzigd pgb-plan ingediend.
3.4.
Eiser heeft zich op 9 november 2023 opnieuw gemeld bij het college voor een voortzetting van de verstrekte maatschappelijke ondersteuning. Door ziekte van de betrokken consulent (consulent), is het niet gelukt om inhoudelijk contact te hebben over de verlenging van de maatschappelijke ondersteuning. Daarom heeft het college met een besluit van 13 februari 2024 op grond van de Wmo 2015 voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 mei 2024 ambtshalve een maatwerkvoorziening Beschermd thuis 1 verstrekt in de vorm van een pgb. Hiermee kan eiser de ondersteuning inkopen bij Het Venster, terwijl de pgb-vertegenwoordiger in de gelegenheid wordt gesteld een pgb-plan in te dienen.
3.5.
Het college heeft met een brief van 19 februari 2024 eiser verzocht om een pgb-plan in te dienen. Het college heeft op 5 maart 2024 eiser opnieuw verzocht een pgb-plan in te dienen, omdat eiser dit niet had overgelegd. Op 14 maart 2024 heeft eiser een budgetplan ingediend voor in te kopen ondersteuning bij Het Venster.
3.6.
Eind maart/begin april is er vervolgens weer contact geweest tussen de pgb-vertegenwoordiger en de consulent. Als gevolg hiervan heeft de consulent op 4 april 2024 een e-mail gestuurd naar de pgb-vertegenwoordiger. Hierin staat dat de vader van eiser telefonisch kenbaar heeft gemaakt dat hij betalingen wenst uit het pgb voor de door hem verleende ondersteuning in 2023. De consulent heeft hierop aangegeven dat dit niet mogelijk is, omdat dit niet is beschreven in het pgb-plan van 2023. Bovendien is de pgb-vertegenwoordiger in 2023 in de gelegenheid gesteld om een aangepast pgb-plan in te dienen, maar hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. De consulent heeft de pgb-vertegenwoordiger wederom verzocht om een nieuw pgb-plan op te stellen met hierin de totale ondersteuning die aan eiser wordt geboden.
3.7.
Het college heeft vervolgens met een besluit van 5 april 2024 op grond van de Wmo 2015 voor de periode van 1 juni 2024 tot en met 31 juli 2025 een maatwerkvoorziening begeleiding zelfstandig thuis van 14 stuks in de vorm van een pgb verstrekt. Eiser kan hiermee ondersteuning inkopen bij Begeleid wonen Eindhoven.
3.8.
De pgb-vertegenwoordiger heeft op 1 mei 2024 een pgb-plan van 29 april 2024 ingediend waarin is opgenomen dat eiser ondersteuning wenst in te kopen bij zijn vader. Ook heeft zij een urenoverzicht van de door vader in 2023 aan eiser verleende ondersteuning, overgelegd.
3.9.
Het college heeft de pgb-vertegenwoordiger en de vader van eiser om die reden uitgenodigd voor een gesprek op 3 juni 2024. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen.
3.10.
Het college heeft met het primaire besluit eisers aanvraag voor een pgb voor in 2023 door zijn vader verleende ondersteuning afgewezen en het besluit van 5 april 2024 herzien in die zin dat aan eiser ondersteuning in natura wordt verstrekt voor de ondersteuning van Het Venster. Het college heeft het primaire besluit met het bestreden besluit gehandhaafd. Het college heeft aan de afwijzing van de pgb-aanvraag voor de ondersteuning van de vader in 2023 de artikelen 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 en 4.6 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven (Verordening) ten grondslag gelegd. Volgens het college heeft hij geen toestemming verleend aan eiser om ondersteuning in te kopen bij zijn vader. Verder kunnen de door de vader gemaakte uren niet gecontroleerd worden, omdat er geen ondersteuningsplan en evaluatieverslagen zijn. Bovendien kan niet op basis van bewijsstukken worden vastgesteld dat deze door vader gegeven ondersteuning niet door Het Venster kon worden gegeven. Hierdoor kan volgens het college achteraf niet worden vastgesteld of deze door vader verleende ondersteuning noodzakelijk is geweest en voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen. Aan de herziening van het besluit van 5 april 2024 liggen de artikelen 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder d, in combinatie met 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 ten grondslag. Volgens het college is de pgb-vertegenwoordiger van eiser niet voldoende bekwaam om de verplichtingen van het pgb na te komen. Zij heeft immers begin 2023 zichzelf en de vader van eiser met het pgb betaald, zonder toestemming van het college en zonder dat hiervoor een pgb was verleend en een budgetplan was ingediend. Bovendien stelt eiser dat de door Het Venster verleende ondersteuning niet voldoet en dat zijn vader hem daardoor extra ondersteuning heeft moeten geven. Het had op de weg van de pgb-vertegenwoordiger gelegen om Het Venster hierop aan te spreken, dan wel hierover contact op te nemen met het college. Dit heeft zij ten onrechte niet gedaan. Ten slotte heeft zij ondanks meerdere verzoeken geen pgb-plan overgelegd met daarin opgenomen de totale aan eiser geboden ondersteuning.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert hiervoor een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van deze beroepsgronden. De rechtbank verwijst voor de toepasselijke wet- en regelgeving naar de bijlage van deze uitspraak.
Herziening van het pgb
4.1.
Eiser betoogt dat zijn pgb-vertegenwoordiger voldoende bekwaam is om het pgb te beheren. Zijn broer is in oktober 2022 overleden en eiser heeft in 2023 een hersenvliesontsteking gekregen. Hierdoor zijn de pgb-vertegenwoordiger en de vader van eiser constant bezig geweest om zijn situatie te managen. Deze noodsituatie heeft ook op hen een zodanige impact gehad dat de pgb-vertegenwoordiger tijdelijk niet heeft voldaan aan alle vereisten. Verder heeft de pgb-vertegenwoordiger Het Venster wel degelijk aangesproken. Namelijk toen bleek dat uren waren gedeclareerd voor momenten waarop geen ondersteuning aan eiser is geboden. Bovendien heeft de pgb-vertegenwoordiger met de consulent afspraken gemaakt over het apart indienen van pgb-plannen. Eiser mocht namelijk een apart pgb-plan indienen voor de ondersteuning van zijn vader. Hiermee was de consulent akkoord. In zoverre doet hij ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Verder heeft de pgb-vertegenwoordiger alle inlichtingen en documenten verstrekt waar het college om heeft gevraagd. Bovendien is tijdens de hoorzitting een proefperiode voorgesteld en het college is op dit voorstel niet teruggekomen. Ten slotte heeft de pgb-vertegenwoordiger tijdens de zitting verklaard dat de betalingen in 2023 aan haarzelf en de vader van eiser door het college zijn goedgekeurd. Deze bedragen zijn immers door de Sociale verzekeringsbank (Svb) uitbetaald en dat had niet kunnen gebeuren zonder de goedkeuring van het college.
4.1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de pgb-vertegenwoordiger niet in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Tussen partijen is niet in geschil dat de pgb-vertegenwoordiger begin 2023 met het pgb van eiser betalingen heeft verricht aan zichzelf en de vader van eiser. Ook is niet in geschil dat er door het college geen pgb is verleend aan eiser om ondersteuning in te kopen bij zijn vader en zijn pgb-vertegenwoordiger. Hiermee heeft de pgb-vertegenwoordiger het pgb dus gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verstrekt. Het pgb is immers verstrekt voor het inkopen van ondersteuning bij Het Venster. Het betoog van eiser dat uit het feit dat het bedrag door de Svb is uitbetaald blijkt dat het college deze betaling heeft goedgekeurd, leidt niet tot een ander oordeel. Bepalend is immers dat de pgb-vertegenwoordiger door het betalen van haarzelf en de vader van eiser in plaats van het inkopen van ondersteuning bij Het Venster het pgb aan een ander doel heeft besteed dan waarvoor het is bedoeld. Daarmee heeft de pgb-vertegenwoordiger een van de hoofdverplichtingen van het pgb geschonden, namelijk het bepaalde in artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wmo 2015. Alleen al hierom heeft het college zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de pgb-vertegenwoordiger de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze heeft uitgevoerd. Dit betekent dat de overige onderbouwing van het standpunt van het college en de beroepsgronden hiertegen geen bespreking behoeven. Het college heeft daarom ook kunnen concluderen dat de pgb-vertegenwoordiger niet voldoet aan de aan het pgb verbonden voorwaarden als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo 2015.
4.1.2.
Gezien het voorgaande is het college op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo 2015 bevoegd om het besluit van 5 april 2024 te herzien. Voor zover eiser betoogt dat door de situatie waarin hij en zijn ouders zijn komen te verkeren als gevolg van de dood van zijn broer en zijn hersenvliesontsteking de pgb-vertegenwoordiger niet aan alle formaliteit heeft kunnen voldoen, leidt dit niet tot een ander resultaat. Het college betoogt in het verweerschrift niet ten onrechte dat de pgb-vertegenwoordiger in januari en februari 2023 haar werkzaamheden weer had opgepakt. Dit volgt ook uit de omstandigheden dat zij in januari 2023 zorgovereenkomsten tussen eiser en haarzelf en de vader van eiser heeft opgesteld en begin 2023 betalingen uit het pgb heeft verricht aan zichzelf en de vader van eiser. Het college stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat de pgb-vertegenwoordiger haar taken had kunnen uitvoeren en als zij dit niet kon dat zij voor een vervanger had moeten zorgen. De beroepsgrond slaagt niet.
4.1.3.
Het betoog van eiser dat niet is teruggekomen op de in bezwaar voorgestelde proefperiode, slaagt evenmin. Het college heeft terecht erop gewezen dat deze proefperiode met een derde als pgb-vertegenwoordiger tijdens de hoorzitting is voorgesteld en het college na de hoorzitting heeft gevraagd of er derden zijn die deze rol op zich zouden kunnen nemen. In reactie hierop heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat deze er niet zijn. Hiermee bestond er voor het college ook geen aanleiding om verdere acties te ondernemen wat betreft de proefperiode.
Pgb voor verleende ondersteuning vader 2023
4.2.
De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat eiser het eens is met de over 2023 verstrekte maatwerkvoorziening en het verstrekte pgb van € 2.141,47 per maand. Eiser heeft dit pgb echter niet volledig besteed. De bedoeling van zijn verzoek is dat hij het niet bestede pgb over 2023 alsnog kan laten uitbetalen aan zijn vader voor de in dat jaar gegeven ondersteuning. Hij wenst dus hiervoor een pgb. Het college stelt zich op het standpunt dat dit niet onmogelijk is, maar dat wel moet zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 4.6 van de Verordening. Volgens het college is hieraan niet voldaan. Eiser voert hierover het volgende aan.
4.2.1.
Eiser betwist dat Het Venster de noodzakelijke ondersteuning heeft kunnen verlenen in 2023, zoals het college stelt. In de avonduren en weekenden was er geen hulpverlener van Het Venster beschikbaar voor eiser. Daarom heeft de vader van eiser deze hulp moeten verlenen. Bovendien is Het Venster niet gespecialiseerd in psychische hulp. Zij kunnen niet aanvoelen wat er in het hoofd van eiser omgaat. De vader van eiser kan dit wel. De hulp die de vader in 2023 aan eiser heeft gegeven, was daarom volgens eiser noodzakelijk, adequaat en passend. Bovendien kunnen de uren hulp die zijn verleend door de vader achteraf worden beoordeeld op basis van de agenda van de vader en zijn verklaringen hierover. Eiser betoogt verder dat het college in strijd met zijn recht op privacy informatie heeft ingewonnen bij Het Venster over de aan hem verleende hulp. Ten slotte doet eiser een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule.
4.2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het overgelegde pgb-plan en het urenoverzicht in 2023 niet kan worden vastgesteld of de door vader verleende ondersteuning noodzakelijk was en voldoet aan de eisen van artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wmo 2015. Hieruit volgt namelijk niet welke concrete ondersteuning op welk moment feitelijk is verleend, wat is gedaan om de resultaten te behalen en welke resultaten zijn behaald. Het college heeft dan ook van eiser evaluatieverslagen mogen verlangen. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.3.
Het betoog dat zijn recht op privacy is geschonden, slaagt evenmin. Het college is op grond van artikel 2.3.9, eerste lid, van de Wmo 2015 bevoegd om onderzoek te verrichten naar de verstrekte ondersteuning. Vergelijk in dit kader de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 februari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:259, r.o 4.2). Gelet hierop biedt dit artikel het college een toereikende bevoegdheid om informatie bij Het Venster op te vragen over de aan eiser gegeven ondersteuning. Niet is gesteld dat deze inbreuk op het recht op privacy van eiser niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4.2.4.
Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule, slaagt dit alleen al niet omdat dit niet is onderbouwd.
Conclusie
5. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De herziening van het pgb en de afwijzing van de aanvraag blijven in stand. Omdat eiser geen gelijk krijgt, bestaat ook geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2.3.6
1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.
2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:
a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;
c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
3. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
4. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
5. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren:
a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of;
b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e.
6. Op een persoonsgebonden budget is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2.3.9
1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 te heroverwegen.
2. Artikel 2.3.2, tweede tot en met zesde lid, en artikel 2.3.5, zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.3.10
1. Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat:
a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen,
c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten,
d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,
e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
2. Het college bepaalt in de beslissing, bedoeld in het eerste lid, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.
Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven
Artikel 4.6
Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte maatwerkvoorziening noodzakelijk was.