ECLI:NL:RBOBR:2026:1387

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/3992
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding en deskundigheid taxateur in WOZ-zaak

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Oost-Brabant de hoogte van de proceskostenvergoeding die eiser heeft ontvangen na een bezwaarprocedure tegen de WOZ-waarde van zijn woning. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde verlaagd en een proceskostenvergoeding toegekend, inclusief een vergoeding voor een taxatierapport dat eiser had ingediend.

Eiser stelde dat de vergoeding voor het taxatierapport hoger had moeten zijn, maar de heffingsambtenaar betwistte de deskundigheid van de opsteller van het rapport, [naam], omdat deze geen geregistreerd WOZ-taxateur is en onvoldoende relevante ervaring heeft. De rechtbank toetste of het rapport als deskundigenrapport kan worden aangemerkt en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [naam] als deskundige kan worden beschouwd.

De rechtbank baseerde zich op jurisprudentie en het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarin wordt vereist dat een deskundige ter zake kundig is. Omdat [naam] niet beschikte over het vereiste diploma en relevante werkervaring ontbrak, kwam het rapport niet voor vergoeding in aanmerking. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het taxatierapport komt niet voor vergoeding in aanmerking.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, de heffingsambtenaar

(gemachtigden: mr. A.G. Hendriks en [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de hoogte van de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding voor de proceskosten die eiser in de bezwaarfase heeft gemaakt.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 22 februari 2024 de waarde van de woning van eiser voor het belastingjaar 2024 vastgesteld. Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Meierijstad opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 23 oktober 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd en een proceskostenvergoeding toegekend.
1.3.
Het nieuwe WOZ-bureau B.V. (HNWB) heeft namens eiser beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. Eiser heeft laten weten dat de WOZ-waarde niet (meer) in geschil is.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de heffingsambtenaar, bijgestaan door zijn taxateur O.M. Harmsen.

Feiten

2. HNWB heeft in de bezwaarfase namens eiser een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters ingediend (hierna: het rapport). Dit rapport is ondertekend door [naam] (hierna: [naam]) onder vermelding van ‘Verantwoordelijk taxateur’. In het rapport wordt de waarde van de woning op het bedrag van € 263.000 getaxeerd.
3. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde verlaagd naar € 322.000. In verband daarmee heeft de heffingsambtenaar een proceskostenvergoeding toegekend van twee punten met een waarde van € 624 per punt (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting), waarbij wordt uitgegaan van de wegingsfactor 0,25. Daarnaast is er een vergoeding toegekend voor het taxatierapport van € 64,13 (1 uur x € 53 + 21% BTW). Tussen partijen is in geschil of de heffingsambtenaar een hogere vergoeding had moeten toekennen voor het taxatierapport.

Beoordeling door de rechtbank

De ontvankelijkheid van het beroep
4. De heffingsambtenaar bepleit primair dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De heffingsambtenaar stelt dat het regelmatig voorkomt dat belanghebbenden namens wie gemachtigde procedeert niet op de hoogte zijn van de omstandigheid dat namens hen beroep is ingesteld en dat zij deze procedure in voorkomende gevallen ook niet wensen.
4.1.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om te twijfelen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde. De gemachtigde heeft namelijk een e-mail overgelegd waaruit blijkt dat hij eiser in kennis heeft gesteld van het beroep. Daarnaast heeft de gemachtigde op de zitting het systeem laten zien waarin eiser zijn zaak kan volgen en heeft hij toegelicht dat bij elke stap een melding uitgaat naar het e-mailadres van eiser. De gemachtigde krijgt vervolgens een ontvangstbevestiging dat eiser de e-mail heeft ontvangen.
De vergoeding voor de kosten van het taxatierapport
5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar een (hogere) vergoeding voor het rapport aan eiser had moeten toekennen.
5.1.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een deskundigenrapport en dat het rapport daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens de heffingsambtenaar kan [naam] niet als deskundige worden aangemerkt. Daarnaast bevat het rapport volgens hem dusdanige tekortkomingen dat dit onder de ondergrens van het begrip deskundigenrapport zakt. Subsidiair heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat er aanleiding is om de vergoeding voor dit rapport fors te matigen, gelet op de tijd die [naam] aan dit rapport heeft besteed. Eiser heeft volgens de heffingsambtenaar al een hogere vergoeding voor het rapport gekregen dan waar hij recht op heeft.
5.2.
Op grond van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden, op verzoek, door het bestuursorgaan de kosten vergoed die een belanghebbende in de bezwaarfase redelijkerwijs heeft moeten maken. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is vermeld welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder in artikel 1, aanhef en onder b, de kosten van een deskundige. Noch de Awb noch het Besluit bevat een definitie van het begrip ‘deskundige’.
5.3.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in haar uitspraak van 7 augustus 2024, met vindplaats ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onder meer het volgende overwogen:
“Of een ingebracht (taxatie)rapport als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt, is niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Als ondergrens heeft te gelden dat het is opgesteld door een ter zake deskundige, dan wel onder diens verantwoordelijkheid, waarvan uit de medeondertekening van het rapport moet blijken. Er wordt niet de eis gesteld dat sprake moet zijn van een geregistreerd taxateur. Eisen aan vormgeving en omvang van het rapport zijn echter niet te stellen.”
5.4.
Of sprake is van een deskundige dient, gelet op voornoemde uitspraak, naar het oordeel van de rechtbank te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. De bewijslast om de feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die het oordeel kunnen dragen dat de niet-geregistreerde taxateur – in dit geval [naam] – als deskundige moet worden aangemerkt, rust op eiser.
5.5.
Volgens de heffingsambtenaar is [naam] geen geregistreerd taxateur en is ook anderszins niet gebleken dat hij een relevante taxatie-technische opleiding heeft genoten of anderszins een expertise heeft opgebouwd die hem kwalificeert als deskundige in de zin van het Besluit. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat de term WOZ-taxateur is voorbehouden aan taxateurs die een door het SVM afgegeven diploma WOZ-taxateur hebben behaald. Volgens de heffingsambtenaar volstaat de verwijzing door eiser naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2025, met vindplaats ECLI:NL:RBOBR:2025:2281, niet. In die uitspraak ging de rechtbank ervan uit dat [naam] op 13 februari 2023 het certificaat WOZ-taxateur woningen heeft behaald. Uit dit certificaat blijkt echter enkel dat een examentraining ter voorbereiding op het SVM-examen is afgelegd. Ook de werkervaring van [naam] bij [naam] en [naam] kan er volgens de heffingsambtenaar niet toe leiden dat [naam] als ter zake deskundig moet worden gezien. Hij heeft er daarbij op gewezen dat uit de schermprint van [naam] blijkt dat alleen taxateurs zich daar bezighouden met taxeren, wat [naam] volgens hem dus niet is.
5.6.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat [naam] geen geregistreerd taxateur is. Ook heeft eiser niet weersproken dat de term WOZ-taxateur is voorbehouden aan taxateurs die over een door het SVM afgegeven diploma WOZ-taxateur beschikken. Eiser heeft met het overleggen van het hiervoor genoemde certificaat van 13 februari 2023 geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat [naam] over dit diploma beschikt. Volgens de heffingsambtenaar blijkt uit het hiervoor genoemde certificaat van 13 februari 2023 enkel dat [naam] een examentraining ter
voorbereidingop het SVM-examen heeft afgelegd. Hij heeft er daarbij op gewezen dat op het certificaat is vermeld dat [naam] is geslaagd voor de
trainingWOZ-taxateur woningen. Ook heeft de heffingsambtenaar tijdens de zitting een e-mail van [naam] overgelegd waar dit volgens hem uit blijkt. In deze e-mail is vermeld dat [naam] tussen 5 januari 2023 en 5 april 2023 toegang heeft gehad tot de e-learningmodule WOZ-taxateur woningen. Hij is geslaagd voor de e-learningopleiding en heeft een certificaat gehad. Dat certificaat heeft volgens deze e-mail niet zoveel waarde zonder het SVM Nivo diploma (theorie en vakvaardigheden). Gelet op de gemotiveerde betwisting van de heffingsambtenaar, lag het op de weg van eiser om zijn stelling dat [naam] over een door het SVM afgegeven diploma WOZ-taxateur beschikt, nader te onderbouwen. Nu hij dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank er bij de verdere beoordeling van uit dat [naam] geen WOZ-taxateur is. Immers beschikt hij niet over het daarvoor vereiste diploma. De verwijzing door eiser naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2025, ter onderbouwing van de deskundigheid van [naam], gaat dan ook niet op. Immers was in die zaak niet in geschil dat [naam] op 13 februari 2023 het certificaat WOZ-taxateur woningen heeft behaald, terwijl in deze zaak is vastgesteld dat dit niet zo blijkt te zijn. Eiser heeft gesteld dat [naam] inmiddels een vastgoedopleiding aan het HBO heeft afgerond, maar niet in geschil is dat dit ten tijde van het opstellen van het taxatierapport nog niet het geval was. Deze informatie kan dan ook niet in de beoordeling van de deskundigheid van [naam] ten tijde hier van belang worden betrokken.
5.7.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de heffingsambtenaar heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat [naam] ten tijde van de taxatie over relevante werkervaring beschikte. Zo heeft eiser niet kunnen duiden wat de werkzaamheden van [naam] als verhuurmakelaar bij [naam] precies inhielden, enkel dat hij daar als medewerker binnendienst makelaardij heeft gewerkt en met het CRM-systeem, Realworks en Blokx heeft gewerkt. Hieruit blijkt geen relevante werkervaring op het gebied van WOZ-taxaties. Hetzelfde geldt voor het werk bij [naam]. Volgens eiser waren daar geen taxateurs in dienst, maar wil dat niet zeggen dat [naam] niet gedegen de waarde van objecten kon inzien. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat een investeerder ook zijn waarde terug wil. Deze wil weten wat de waarde van de woning is en welke huur moet worden gevraagd om zijn investering terug te verdienen. Om dat te bepalen, moet de waarde van het object worden getaxeerd. [naam] begeleidde volgens eiser het gehele verhuurproces en investeringsproces. Hij had in dat kader contact met investeerders, was betrokken bij de oplevering van nieuwbouwwoningen en keek mee met taxaties. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat deze werkzaamheden er geen blijk van geven dat [naam] in zijn werk voor [naam] relevante ervaring heeft opgedaan met het taxeren op grond van de Wet WOZ.
5.8.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat [naam] niet is aan te merken als deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit. In dat geval komt het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking en kan wat partijen verder hebben aangevoerd onbesproken blijven. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
5.9.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.