Beoordeling door de rechtbank
Melding, aanvraag en gebeurtenissen tot aan het primaire besluit
1. Eiseres heeft zich op 18 juli 2024 bij verweerder gemeld in het kader van de Wmo 2015.
2. Op 30 augustus 2024 heeft eiseres verweerder in een e-mail erop gewezen dat er zes weken na de melding nog geen onderzoek is opgestart, en dat ze daarom een aanvraag indient. In deze aanvraag staat het volgende vermeld: “
Hierbij dien ik een aanvraag in voor een Wmo voorziening en vraag ik de gemeente Valkenswaard binnen de wettelijke termijn van twee weken een besluit te nemen (…)”.
3. Verweerder heeft op 3 september 2024 bevestigd dat een aanvraag is ingediend.
4. Op 13 september 2024 heeft er een huisbezoek. Het resultaat daarvan heeft verweerder neergelegd in het onderzoeksplan van 20 september 2024. Hierin is onder andere vermeld dat er tijdens het huisbezoek op 13 september 2024 aanvullende hulpvragen zijn gebleken in het kader van het verplaatsen binnenshuis en de persoonlijke verzorging. Deze vragen worden, buiten het kader van de voormelde aanvraag, door verweerder behandeld als nieuwe melding, gedateerd op 13 september 2024.
5. Verweerder heeft op 20 september 2024 een besluit genomen. Verweerder heeft besloten de aanvraag van eiseres voor een scootmobiel af te wijzen, omdat volgens verweerder een scootmobiel niet als adequaat hulpmiddel kan worden aangemerkt nu deze niet veilig – want in strijd met Europese regelgeving – kan worden gebruikt. Verweerder wijst er in dit besluit op dat hij echter wel vervoersproblemen bij eiseres heeft vastgesteld, in welk kader hij niet kan uitsluiten dat er mogelijk andere oplossingen kunnen zijn. Aangegeven wordt dat verweerder graag met eiseres wil meedenken om de vervoersproblemen op een andere wijze op te lossen. Het onderzoeksplan heeft verweerder als bijlage met dit besluit meegestuurd.
6. Eiseres heeft bij verweerder op 24 september 2024 per e-mail een ingebrekestelling ingediend, omdat op 20 september 2024 slechts een gedeeltelijk besluit is genomen, enkel omtrent de scootmobiel. De overige hulpvragen worden door verweerder opgepakt als nieuwe melding, terwijl dit volgens eiseres dezelfde aanvraag betreft.
7. Met het besluit van 15 oktober 2024 heeft verweerder het besluit van 20 september 2024 herzien en aan eiseres op grond van de Wmo 2015 een scootmobiel met beensteun verstrekt. Verweerder licht toe dat uit nadere informatie is gebleken dat er toch een mogelijkheid bestaat om een beensteun te plaatsen op de scootmobiel en dat dit in lijn is met de Europese regelgeving.
8. Op 15 oktober 2024 heeft verweerder per brief gerefereerd aan de melding van 13 september 2024 en vermeld dat het onderzoek in dit kader meer tijd in beslag neemt dan gebruikelijk. De reden is dat er onafhankelijke ergonomische advisering noodzakelijk is.
Het primaire en bestreden besluit
9. Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft verweerder de ingebrekestelling afgewezen. Verweerder wijst erop dat al op 20 september 2024 een besluit is genomen op de aanvraag. Aldus was de aanvraag van eiseres al afgehandeld voor ontvangst van de ingebrekestelling. Dat het besluit van 20 september 2024 volgens eiseres onvolledig is, doet volgens verweerder niet ter zake.
Gebeurtenissen, correspondentie en besluitvorming na het primaire besluit
10. Naar aanleiding van de door verweerder zelf geduide melding van 13 september 2024 heeft verweerder met de besluiten van 19 november 2024 aan eiseres op grond van de Wmo 2015 de maatwerkvoorzieningen rolstoel kortdurend gebruik en Collectief Vraagafhankelijk Vervoer verstrekt. Ook heeft verweerder naar aanleiding van deze melding met het besluit van 11 december 2024 aan eiseres op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening douchestoel verstrekt.
11. Eiseres is het er niet mee eens dat haar ingebrekestelling is afgewezen. Zij stelt zich op het standpunt dat met het besluit van 20 september 2024 nog niet volledig op de aanvraag van 30 augustus 2024 was beslist. Eiseres wijst erop dat zij zich op 18 juli 2024 heeft gemeld en dat zij vervolgens de nodige tijd niets van verweerder hoort, waarna zij zelf op 30 augustus 2024 een aanvraag heeft ingediend. Eiseres vindt dat er onvoldoende breed onderzoek is verricht en een te beperkt besluit is genomen. Er is ten onrechte enkel gekeken naar het vervoersprobleem. Dit terwijl in het onderzoeksplan van 20 september 2024 duidelijk is aangegeven dat er aanvullende hulpvragen zijn op het gebied van verplaatsen binnenshuis en persoonlijke verzorging. Deze hulpvragen worden door verweerder buiten de aanvraag van 30 augustus 2024 om opgevat als nieuwe melding en als zodanig behandeld. Dit heeft verweerder ambtshalve gedaan, terwijl volgens de wet het aan eiseres zelf is om een melding te doen, en eiseres verzet zich tegen deze gang van zaken. Zij stelt zich op het standpunt dat de besluiten van 21 november 2024 (lees: 19 november 2024) en 11 december 2024 feitelijk eveneens hebben te gelden als besluiten op de aanvraag van 30 augustus 2024. Tot slot wijst eiseres op de ratio van de Wet dwangsom niet tijdig beslissen; volgens haar kan het niet de bedoeling zijn dat een bestuursorgaan kan beslissen om een hulpvraag onder te verdelen in meerdere meldingen en aanvragen om zo te ontkomen aan de verschuldigdheid van een dwangsom.
12. De rechtbank beoordeelt of eiseres verweerder op 24 september 2024 terecht in gebreke heeft gesteld en of verweerder een dwangsom is verschuldigd aan eiseres. De rechtbank beantwoordt beide vragen bevestigend. De rechtbank legt haar oordeel hierna uit.
13. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
14. Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
15. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Op grond van het tweede lid van dit artikel bedraagt dwangsom de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag. Op grond van het derde lid van dit artikel is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
16. Op grond van artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 geldt als hoofdregel dat, indien bij verweerder melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, verweerder in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert. Op grond van het negende lid van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 kan een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij dit onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Uit artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015 volgt dat verweerder vervolgens binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking geeft.
17. Uit de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – onder meer de uitspraak van 4 juli 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2013) – volgt uit de hierboven weergegeven wettelijke systematiek van de Wmo 2015 dat een cliënt in eerste instantie bij het college een melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Als het onderzoek is afgerond en het college daarin geen aanleiding heeft gezien om (ambtshalve) een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de cliënt een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen. Dit recht komt de cliënt ook toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken, waarna hij een aanvraag kan indienen zonder de afronding van het onderzoek af te wachten. Zodra een aanvraag is gedaan, zal het college binnen twee weken moeten beslissen op de aanvraag. 18. De rechtbank stelt vast dat eiseres zich op 18 juli 2024 bij verweerder heeft gemeld voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Nu het in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bedoelde onderzoek op 30 augustus 2024 nog niet was uitgevoerd stond ingevolge artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 voor eiseres op die datum de weg open om een aanvraag in te dienen. Dit heeft eiseres op 30 augustus 2024 gedaan. Deze aanvraag heeft te gelden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb – en daarmee een aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.
19. Partijen verschillen van inzicht over het antwoord op de vraag of met het besluit van 20 september 2024
volledigis beslist op de aanvraag van 30 augustus 2024.
20. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat op 20 september 2024 door verweerder nog geen volledig en toereikend besluit is genomen op de aanvraag van 30 augustus 2024. Het standpunt van verweerder – dat enkel een scootmobiel is aangevraagd door eiseres en dat daarop een besluit is genomen – mist feitelijke grondslag en is bovendien in strijd met de (bedoeling van de) Wmo 2015. De rechtbank zal dit hierna toelichten.
21. Een melding is – binnen het stelsel van de Wmo 2015 – niet meer dan een signaal van een burger dat deze behoefte meent te hebben aan een vorm van maatschappelijke ondersteuning.Als een betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen.Het is daarom na de melding de bedoeling dat het college het in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 bedoelde onderzoek verricht. Dit onderzoek strekt ertoe om in samenspraak met de betrokkene zorgvuldig in kaart te brengen wat zijn of haar persoonskenmerken, wensen en behoeften zijn en welke mogelijkheden er zijn om te komen tot participatie en zelfredzaamheid op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van een mantelzorger of anderen dan wel door gebruik van een algemene voorziening.Het is dan ook vaste rechtspraak, voor zover van belang, dat het college moet vaststellen wat de hulpvraag is en welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en participatie, welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager.Het is de bedoeling dat met het onderzoek een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie wordt verkregen.Daarmee ontstaat voor betrokkene en het college ook zicht op de aard en omvang van de behoefte aan ondersteuning door middel van een maatwerkvoorziening. Als dit allemaal zorgvuldig is gebeurd, zal het college op basis daarvan tot zijn beslissing inzake de aard en omvang van de te verstrekken maatwerkvoorziening kunnen komen.Voor de betrokkene vormt de weergave van het onderzoek vervolgens een hanteerbaar uitgangspunt voor de aanvraag en is ook bedoeld om de aanvraag van de betrokkene te kunnen onderbouwen.De weergave van de uitkomsten van het onderzoek vormen daarnaast ook voor het college een hanteerbaar uitgangspunt bij het nemen van een snelle beslissing op een aanvraag.De wetgever heeft benadrukt dat een zorgvuldig onderzoek te meer van belang is nu de wet niet voorziet in een catalogus van welomschreven voorzieningen waarop aanspraak kan worden gemaakt en het college daarmee een grote beoordelingsruimte en een grote verantwoordelijkheid heeft gekregen voor het vaststellen van de ondersteuning die aan iemand zal worden verstrekt.
22. Verweerder heeft van het voorgaande – uitdrukkelijk door de wetgever beoogde – kader afgeweken, met als gevolg dat de situatie is opgetreden dat er een aanvraag ligt vóórdat de weergave van de onderzoeksbevindingen aan eiseres zijn gedeeld. Verweerder heeft immers stilgezeten na de melding van eiseres op 18 juli 2024. Dit heeft eiseres er uiteindelijk toe bewogen om gebruik te maken van het door de wetgever gecreëerde recht (van artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015) om bij een dergelijk stilzitten van verweerder de aanvraag in te dienen. Deze aanvraag is voor verweerder kennelijk de prikkel geweest om daadwerkelijk het onderzoek op te starten en initiatief te nemen om op 13 september 2024 een huisbezoek af te leggen bij eiseres en een gesprek te voeren over de hulpvragen van eiseres. Deze gang van zaken ontslaat verweerder vanzelfsprekend niet om adequaat onderzoek te verrichten naar de melding, om zo de hulpvragen vast te stellen, te onderzoeken wat de concrete ondersteuningsbehoefte van eiseres is en daarmee de bandbreedte van de aanvraag te identificeren en op deze aanvraag tijdig te beslissen.
23. Los van het feit dat verweerder met zijn handelwijze de door de wetgever bedoelde opzet heeft miskend om met behulp van een onderzoek (tijdig) te destilleren welke precieze hulpvragen er spelen naar aanleiding van een melding – welke hulpvragen bepalend zijn voor de reikwijdte van de aanvraag – blijkt ook uit de aanvraag van 30 augustus 2024 zelf al dat deze een ruimere reikwijdte heeft dan enkel betrekking hebbend op een scootmobiel. Immers, hierin is opgenomen dat eiseres een aanvraag doet voor ‘een Wmo-voorziening’. Uit deze aanvraag volgt niet dat enkel een scootmobiel is aangevraagd.
24. Zowel uit de aanvraag zelf als uit het naar aanleiding daarvan door verweerder verrichte onderzoek volgt dan ook dat eiseres een aanvraag heeft gedaan voor meer maatschappelijke ondersteuning dan alleen een scootmobiel. Eiseres had meer hulpvragen en een ruimere ondersteuningsbehoefte dan alleen een vervoersbehoefte. Verweerder heeft dan ook met het besluit 20 september 2024 een onvolledig besluit op deze aanvraag genomen, door enkel een (afwijzend) besluit te nemen over een scootmobiel. Op de overige hulpvragen waarop de aanvraag betrekking heeft, heeft verweerder met het besluit van 20 september 2024 niet beslist.
25. Eveneens ten onrechte heeft verweerder tijdens het huisbezoek van 13 september 2024 voor de overige tijdens dat huisbezoek geïdentificeerde hulpvragen ambtshalve een nieuwe melding geregistreerd. Tijdens de zitting is gebleken dat dit niet is gebeurd nadat dit is voorgelegd aan eiseres en zij hiervoor akkoord heeft gegeven. Verweerder heeft tijdens de zitting uitgelegd dat dit zijn gebruikelijke handelwijze is. De rechtbank wijst erop onder verwijzing naar wat is overwogen in 21 dat deze handelwijze in strijd is met de Wmo 2015. De rechtbank begrijpt dat in de situatie zoals hier aan de orde – waarbij een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 is ingediend – het lastig voor verweerder is om het gehele onderzoek binnen een tijdspanne van twee weken te verrichten, maar de rechtbank wijst er met nadruk op dat deze omstandigheid redelijkerwijs voor zijn rekening en risico dient te komen. Dit nu hij in eerste instantie – in strijd met de bedoeling van de Wmo 2015 – heeft stilgezeten en niet proactief onderzoek heeft verricht naar aanleiding van de melding.
26. In het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat eiseres op 24 september 2024 een geldige ingebrekestelling heeft verstuurd, nu op dat moment de termijn om te beslissen op de op 30 augustus 2024 ingediende aanvraag was verstreken en nog niet volledig op de aanvraag was beslist. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb een bestuurlijke dwangsom verschuldigd was, met ingang van twee weken na deze ingebrekestelling. De rechtbank stelt verder vast – gelet op wat onder 10 is vermeld – dat verweerder pas op 11 december 2024 volledig op de aanvraag van eiseres heeft beslist. Dit betekent dat verweerder de maximale dwangsom van 42 dagen verschuldigd was aan eiseres – een bedrag van € 1.442,00. Eén en ander heeft verweerder niet onderkend, door te beslissen dat hij géén bestuurlijke dwangsom verschuldigd is.