ECLI:NL:RBOBR:2026:1559
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herstel van vermeende kennelijke fout in vonnis over aanneemsom
Op 5 januari 2026 verzocht eiser via zijn advocaat de rechtbank om verbetering van het vonnis van 10 december 2025, stellende dat de rechtbank een fout had gemaakt in de toewijzing van de restantaanneemsom. Eiser betoogde dat slechts een deel van de restantaanneemsom was toegewezen terwijl het volledige bedrag van € 82.400 had moeten worden toegekend, omdat sprake zou zijn van communicerende vaten.
Gedaagde verzette zich tegen dit verzoek en stelde dat er geen sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig hersteld kon worden. De rechtbank stelde vast dat de oorspronkelijke rechter wegens persoonlijke omstandigheden niet beschikbaar was en besloot het verzoek door een andere rechter te laten beoordelen.
De rechtbank oordeelde dat het vonnis van 10 december 2025 geen kennelijke fout bevatte die zich leent voor eenvoudig herstel. De motivering in het vonnis was duidelijk en het toegewezen bedrag van € 92.403,44 was in het dictum opgenomen. De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot verbetering daarom moest worden afgewezen.
Het vonnis werd uitgesproken door rechter C. Schollen-den Besten op 11 maart 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot verbetering van het vonnis van 10 december 2025 wordt afgewezen wegens het ontbreken van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel.