Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[eiser 1] ,
2. mevrouw
[eiser 2],
3. de heer
[eiser 3],
4. mevrouw
[eiser 4],
5. de heer
[eiser 5],
1.de heer [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
1.De procedure
- het e-mailbericht van de rechtbank van 27 januari 2026 met betrekking tot de planning en voorbereiding van een derde mondelinge behandeling.
2.Samenvatting; de procedure tot heden en het vervolg
In het tussenvonnis heeft de rechtbank al over een paar van die geschilpunten een (voorlopige) beslissing gegeven. De omvang van het geschil is hierdoor al iets teruggebracht. De rechtbank ziet geen reden om op die beslissingen terug te komen, met uitzondering van hetgeen in het tussenvonnis in r.o. 5.25 is verwoord over controle van de jaarrekeningen 2022 tot en met 2024 van Het Levensatelier en de aan haar verbonden maatschappen. Dit aspect komt hierna in 3.2 aan de orde.
- de kwaliteit, juistheid en oorsprong van de door [gedaagden] bij aktes van 10 september en 8 oktober 2025 overgelegde jaarrekeningen; en
- de juistheid en materialiteit van de in reactie daarop door Verkopers in hun aktes van 18 oktober en 10 december 2025 gemaakte opmerkingen.
- nieuwe onderwerpen op te werpen of om een debat te voeren over onderwerpen waarover de rechtbank een standpunt heeft ingenomen of een beslissing heeft genomen;
- zonder voorafgaande toestemming van de rechtbank nieuwe processtukken in te dienen, tenzij deze strekken tot vermindering van eis.
Ten aanzien van geschilpunt C. oordeelt de rechtbank dat [gedaagden] de maatschapsstructuur waarin Het Levensatelier samenwerkte met free lancetheraputen en -psychologen niet in zodanige mate heeft aangetast dat [gedaagden] daardoor schadeplichtig is jegens Verkopers. Ten aanzien van geschilpunt D. oordeelt de rechtbank dat Verkopers gehouden zijn tot betaling aan [gedaagden] van een bedrag van € 71.403,21 wegens de claim van de Peelgemeenten. Hoe de beslissing over die geschilpunten tot stand gekomen is, wordt hierna uitgelegd.
Voor het overige zal op de vorderingen van Verkopers en [gedaagden] nog geen beslissing worden gegeven.
“althans tot een bedrag dat na eventuele verrekening met in conventie verschuldigde bedragen resteert.”Verkopers hebben op dit deel van de eisvermeerdering niet gereageerd, maar hebben in hun eerstvolgende akte van 8 oktober 2025 slechts gepersisteerd bij hun vordering tot betaling van € 36.899 ter zake van de earn out 2022.
Die twee vorderingen botsen met elkaar.
3.De beoordeling
“de afgesproken controle door AGZ”. Dat behelst weliswaar geen uitdrukkelijke beslissing, maar wel een impliciete vingerwijzing over een controle, terwijl de kwestie van de omvang van het werk van AGZ – een controle of een samenstelling – tot het tussenvonnis nog geen onderdeel van het partijdebat is geweest. Daarom was deze vingerwijzing in elk geval in dat stadium niet juist.
- Het Levensatelier v.o.f. en de maatschappen in ieder geval op grond van de wet niet ‘controleplichtig’ waren;
- Een controle-opdracht aan een accountant veel verdergaande werkzaamheden behelst dan een in het MKB gebruikelijke samenstellingsopdracht en daarom veel duurder is; en
- De jaarrekeningen van Het Levensatelier v.o.f. en de maatschappen, naar [gedaagden] onbetwist heeft gesteld, vóór 2022 ook nooit werd gecontroleerd.
- Begin 2022 was Het Levensatelier maat in 22 maatschappen. Daarvan zijn er vijf beëindigd vóór de verkoop aan [gedaagden] Afbouw van het aantal maatschappen was dus al gaande. Eén maatschap ( [B] ) kwalificeerde niet als maatschap aangezien [B] geheel 2022 in loondienst was. Aldus resteerden 16 echte maatschappen bij de verkoop aan [gedaagden] ;
- Daarvan zijn 3 maatschappen beëindigd zonder omzetting in een dienstverband. Aldus resteerden 13 maatschappen;
- Daarvan zijn 2 maatschappen omgezet in een dienstverband wegens opleidingseisen. Aldus resteerden 11 maatschappen;
- Daarvan zijn 5 maatschappen in 2023 door [gedaagde 1] omgezet in een dienstverband;
- In 2021 en 2022 namen Verkopers zelf al acht behandelaars in loondienst, waaronder een van de eiseressen [eiser 1 en 2] , en [gedaagden] vervolgens nog vier. Het Levensatelier had begin 2022 dus acht behandelaars in loondienst en in 2023 twaalf, naast de elf psychologen in maatschapsverband;
- Het model waarbij zorg grotendeels via maatschappen werd verleend was al in 2022 verlaten;
- Het aantal omgezette maatschappen (vijf) moet worden afgezet tegen het totaal aantal behandelaars (gemiddeld 24). [gedaagden] heeft een al door Verkopers ingezette koers voortgezet;
- De wens om mantelzorgtaken te vervullen is juist een reden om een maatschap te handhaven;
- Vier andere behandelaars hadden functies die minder in de vergoede sfeer mochten behandelen;
- indien [gedaagden] aan Verkopers zou hebben gevraagd om met hen te overleggen over het omzetten van de genoemde vijf maatschappen naar loondienst, dan zouden Verkopers daar geen toestemming voor hebben gegeven.
- De stelling van [gedaagden] over minder werken is niet relevant, aangezien er ook in 2022 behandelaars waren die minder werkten. Dit is een bedrijfsrisico;
- Het hogere ziekteverzuim is een gevolg van de door [gedaagden] gecreëerde onveilige werkomgeving binnen Het Levensatelier;
- Het in stand houden van de maatschapsstructuur is een dynamisch proces;
- Verkopers manageden op een verhouding 2/3 maatschap tegen 1/3 loondienst;
- De vijf “loondiensters die uit opleiding kwamen” hadden weer in de maatschap moeten worden gezet ( [C] , [D] , [E] , [B] en [F] );
- [gedaagden] had niet moeten toestaan dat 5 behandelaars “vrijwillig" in loondienst gingen ( [G] , [H] , [I] , [J] en [K] ). Daar was geen reden voor. Sterker nog, er waren aanwijzingen dat dit extra risico’s met zich bracht (denk aan de wens tot mantelzorg van [K] );
- [gedaagden] heeft in strijd met de afspraken drie nieuwe collega’s aangenomen in loondienst, terwijl die in een maatschap hadden moeten komen ( [L] , [M] en [N] );
- [gedaagden] had niet moeten toestaan dat 1 maatschapper zzp’er werd. Deze had in de maatschap moeten blijven ( [O] );
- [gedaagden] had de loondienster die van ondersteunend administratief medewerker in 2022 naar behandelaar ging in 2023 moeten omzetten van loondienst naar maatschap ( [P] ).
De stellingen van partijen en de onderbouwing daarvan overziend, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, komt de rechtbank alles afwegend tot het oordeel dat Verkopers tegenover de standpunten en onderbouwing van [gedaagden] onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd om de gestelde schending van de overeenkomst door [gedaagden] aannemelijk te maken. Voor de standpunten en visies van Verkopers en [gedaagden] valt iets te zeggen, maar bij ongeveer evenwichtige posities wordt op basis van deze regel van bewijsrecht het bewijsrisico verdeeld. In dit geval dus ten nadele van Verkopers.
- [gedaagden] had, zoals in het tussenvonnis al is overwogen, binnen de kaders van de Koopovereenkomst als ondernemer een zelfstandige beslissingsruimte;
- Gelet op de earn outregeling bestond een gelijkschakeling van belangen, in die zin dat [gedaagden] zichzelf ook financieel zou schaden indien hij beslissingen zou nemen die financieel nadelig voor Verkopers zouden zijn. De ‘winst’/EBITDA zou [gedaagden] moeten delen, maar een verlies zou helemaal voor zijn rekening komen.
4.De beslissing
woensdag 20 mei 2026van
13:30tot
17:30uur,
- nieuwe onderwerpen op te werpen of om een debat te voeren over onderwerpen waarover de rechtbank een standpunt heeft ingenomen of een beslissing heeft genomen; en
- zonder voorafgaande toestemming van de rechtbank nieuwe processtukken in te dienen, tenzij deze strekken tot vermindering van eis.