Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats],
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre,
Samenvatting
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
bouwperceelgedefinieerd als een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het omgevingsplan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan. Hieruit volgt dat uitsluitend de bebouwing binnen het bouwvlak dient te worden meegeteld bij de maximale oppervlakte van 500 m²; voor bebouwing buiten het bouwvlak geldt deze beperking niet. Daarnaast wijst verzoekster op de afwijkingsmogelijkheid van 10% zoals opgenomen in artikel 31.1, onder A, van het tijdelijke omgevingsplan. Subsidiair stelt zij dat het college zich tijdens de realisatie van het tuinhuis op het standpunt stelde dat geen vergunningvrije bouwwerken mochten worden gerealiseerd, omdat – uitgaande van het oorspronkelijk hoofdgebouw – de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen reeds zouden zijn benut. De architect was echter niet volledig op de hoogte van de relevante jurisprudentie en is kennelijk uitgegaan van het bestaande hoofdgebouw in plaats van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Dat betreft een betreurenswaardige vergissing, maar wel een vergissing die door de complexiteit van de regelgeving regelmatig voorkomt. Veel gemeenten hanteren daarom in vergelijkbare situaties een minder rigide benadering, met name wanneer het oorspronkelijke hoofdgebouw in de loop der tijd met vergunning is uitgebreid en er behoefte bestaat om bijbehorende bouwwerken op het perceel te realiseren, waarbij vanzelfsprekend verschillende belangen en omstandigheden worden meegewogen