ECLI:NL:RBOBR:2026:1592
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht wegens te late aanvraag
Eiser heeft op 4 december 2024 kinderopvangtoeslag aangevraagd en verzocht om toeslag met terugwerkende kracht vanaf januari 2024 tot en met augustus 2024. De Dienst Toeslagen wees dit verzoek af omdat de aanvraag te laat was ingediend, conform de wettelijke regeling die een maximale terugwerkende periode van drie maanden toestaat.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke termijn dwingendrechtelijk is en dat er geen ruimte is voor afwijking, ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel. Eiser voerde aan dat hij door een ziekenhuisopname en zijn dyslexie niet eerder kon aanvragen, en dat het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel waren geschonden. Deze bezwaren worden door de rechtbank verworpen.
De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de beperking van terugwerkende kracht en geen uitzonderingen heeft voorzien. De Dienst Toeslagen heeft geen verplichting om ouders actief te informeren over hun recht op toeslag.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen kinderopvangtoeslag over de gevorderde periode, geen vergoeding van griffierecht of proceskosten, en geen schadevergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J. Woestenburg op 12 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke termijn.