Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer vordering: 20.001909.18
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De formele voorvragen.
Overwegingen met betrekking tot de overeenkomst.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
Het standpunt van de verdediging.
Het oordeel van de rechtbank.
niet in redelijke verhouding staattot de ernst van de zaak, zal de rechter komen tot een andere sanctiebeslissing (HR 29 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .
Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 20.001909.18.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
T.a.v. feit 1:
Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
T.a.v. feit 2:
Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.
T.a.v. feit 3:
Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
T.a.v. feit 4:
Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
T.a.v. feit 5:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
aakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.