Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1667

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/858
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4 WnbArt. 2.7 WnbArt. 2.14 WaboArt. 2.30 WaboArt. 2.31 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen weigering actualisatie ammoniakemissienorm Saint Gobain

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 16 maart 2026 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke beroep van eiseres tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant om het verzoek tot actualisatie van de ammoniakemissienorm in de omgevingsvergunning van Saint Gobain te weigeren.

De procedure betrof meerdere samenhangende zaken over vergunningen en emissienormen van Saint Gobain, een producent van glaswol- en glasvliesproducten. De rechtbank oordeelde dat het college terecht het verzoek tot actualisatie van de ammoniakemissienorm heeft afgewezen en dat het emissieplafond en de informatieverplichting op grond van de Wet natuurbescherming juist zijn vastgesteld. Wel moest het college beter motiveren waarom verdere emissiebeperkingen achterwege bleven.

Eiseres had tevens een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank stelde vast dat de procedure ruim een jaar langer duurde dan de redelijke termijn van twee jaar en kende een forfaitaire schadevergoeding van €1.000 toe, die de Staat der Nederlanden moet betalen. Ook werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.

Het beroep zelf werd ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. De uitspraak bevat tevens een uitgebreide motivering over de toepasselijkheid van overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de reikwijdte van het toetsingskader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet natuurbescherming (Wnb).

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van actualisatie van de ammoniakemissienorm wordt ongegrond verklaard, maar eiseres krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/858

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Haan),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigden: mr. A. Speekenbrink, mr. M. van der Stappen, mr. M. Box en [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] ([naam])
(gemachtigden: mr. S. Nijenhuis, mr. A.S.D. Lijkwan en mr. J.C.W. van Eekeren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de weigering van het verzoek van eiseres tot actualisatie van de ammoniak emissienorm in de omgevingsvergunning van Saint Gobain. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. In rechtsoverweging 2 staat het procesverloop. Daarna volgt de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Procesverloop

2. Het college heeft op 2 februari 2023 het verzoek van eiseres tot het wijzigen van de vergunningvoorschriften van de omgevingsvergunning van Saint Gobain op grond van artikel 2.30 jo. 2.31, eerste lid, onder b, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Wabo), en het verzoek tot het opleggen van een maatwerkvoorschrift voor het aanpassen van de emissiegrenswaarde voor ammoniak zoals opgenomen in artikel 2.5 jo. 2.7 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
In deze zaak is, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1015 en SHE 23/1017, op 16 mei 2024 een inlichtingencomparitie gehouden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank heeft de beroepen op 24 september 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1017, SHE 23/1015 en SHE 24/2453. Aan de inlichtingencomparitie en de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en mr. J.C.W. van Eekeren en mr. S. Nijenhuis namens Saint Gobain.
2.2.
Bij brief van 4 november 2025 heeft eiseres verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.3.
In de zaken is een tweede zitting gehouden op 11 november 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en namens Saint Gobain [naam] en [naam], alsmede mr. S. Nijenhuis en mr. A.S.D. Lijkwan.

Beoordeling van de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
  • Saint Gobain exploiteert sinds 1962 aan de [adres], op bedrijventerrein [locatie] in [vestigingsplaats] een inrichting voor het produceren van glaswol- en glasvliesproducten. Hiervoor is op 22 december 1981 een milieuvergunning verleend. Op 16 mei 2000 is aan Saint Gobain een (revisie)vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend nadat hiervoor in 1998 een aanvraag was ingediend.
  • Voor de productie van de glaswol- en glasvliesproducten wordt glas gesmolten in een (aardgasgestookte) glasoven, waarna het gesmolten glas wordt vervezeld. De emissies die hierbij vrijkomen, worden afgevoerd via de stenen schoorsteen. Aan de glasvezels wordt vervolgens een binder (grondstof) toegevoegd en dit product wordt in de hardingsoven uitgehard. De emissies die hierbij vrijkomen, worden afgevoerd via de stenen schoorsteen.
  • Aanvankelijk werd voor alle toepassingen een bakeliet binder (op fenolbasis) gebruikt waarbij - na reiniging door een filter - stoffen als fenol, formaldehyde en ammoniak naar de lucht worden geëmitteerd. In verband met vervanging (in het productieproces van glaswol) van een deel van de bestaande binder door een groene binder en het aanpassen van voorschriften aan BBT-conclusies, is op 7 maart 2017 een vergunning voor het wijzigen van de inrichting verleend.
  • Glaswol wordt verkocht onder de merknaam Isover en glasvlies onder de merknaam Adfors. De glasvliesproducten worden voornamelijk toegepast als drager/versterkingsmateriaal voor dakbedekking- en isolatiematerialen, terwijl de glaswolproducten worden toegepast bij isolatie van gebouwen.
  • In de directe omgeving van Saint Gobain liggen de Natura 2000-gebieden “Ulvenhoutse bos” (op 13,1 km afstand), “Biesbosch” (op 16,3 km afstand), “Brabantse Wal” (op 17,7 km afstand) en “Krammer-Volkerak” (op 18,3 km afstand). De hoogste maximale stikstofdepositie vanwege Saint Gobain bedraagt volgens het bestreden besluit op het Ulvenhoutse Bos (19,52 mol/ha/jr) en de Brabantse Wal (10,55 mol/ha/jr).
  • Saint Gobain heeft op 20 februari 2020 een natuurvergunning aangevraagd op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het college heeft deze vergunning bij besluit van 22 februari 2023 (positief) geweigerd, omdat sprake is van intern salderen.
  • Saint Gobain heeft op 21 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende omgevingsvergunning tweede fase (een zogeheten revisievergunning) voor onder meer het in werking brengen en houden van een nieuwe glaswoloven voor de productie van glaswol (de Isover TEL-oven), ter vervanging van de oude, volledig gasgestookte oven. Ook deze nieuwe oven voert de emissies af via de stenen schoorsteen. De nieuwe oven (ook wel de hybride oven genoemd) zal worden gestookt door een combinatie van gas/zuurstof en elektrische energie, waarmee de emissie van CO2, NOx en het energieverbruik zal worden teruggedrongen. Voor de aanvoer van zuurstof zal een VSA (vacuüm-swing-absorption)-installatie worden gebouwd (de oxyplant). Verder vindt een beperking plaats van de opslagvoorzieningen en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen. De aanvraag is diverse malen aangevuld, onder meer op 10 november 2023.
  • Voor dit project is op 19 oktober 2023 een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteiten bouwen, aanleggen en handelen in strijd met het bestemmingsplan. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
  • Vanaf 7 februari 2024 tot en met 19 maart 2024 heeft het ontwerp van de omgevingsvergunning tweede fase ter inzage gelegen, waartegen onder meer eiseres zienswijzen heeft ingediend.
  • Op 25 april 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning tweede fase verleend, waarbij het op verzoek van Saint Gobain en met toepassing van artikel 6.2 van de Wabo, heeft bepaald dat beide omgevingsvergunningen (eerste en tweede fase) terstond in werking treden.
  • Onder meer eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 24/2453.
  • Op 10 december 2021 heeft eiseres het college verzocht om op grond van de artikelen 2.4 en 5.4 van de Wnb de latente (niet gebruikte) stikstofemissieruimte uit de geldende omgevingsvergunning van Saint Gobain te schrappen of de milieuvergunning van Saint Gobain gedeeltelijk in te trekken. Meer specifiek verzoekt eiseres het college om middels een ambtshalve te verlenen natuurvergunning de vergunde emissieruimte voor NOx (stikstofoxiden) naar beneden bij te stellen tot 125 ton per jaar en voor NH3 (ammoniak) tot 67 ton per jaar. Eiseres heeft een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij besluit van 22 februari 2023 heeft het college het verzoek alsnog afgewezen. Op grond van artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SHE 23/306.
  • Bij afzonderlijk besluit van 22 februari 2023 heeft het college ook het verzoek van eiseres van 14 juli 2022, ontvangen op 1 augustus 2022, tot intrekking van de vergunning op grond van artikel 5.4 van de Wnb respectievelijk het verzoek tot het treffen van een maatregel op grond van artikel 2.4 van de Wnb afgewezen. Het hiertegen door eiseres ingestelde beroep is geregistreerd onder nummer SHE 23/1017.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. De Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet zijn op 1 januari 2024 in werking getreden. Als een verzoek is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Het verzoek is ingediend op 14 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Behandeling beroepsgronden
4. Volgens eiseres had het college alle aspecten uit artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo moeten meenemen bij de beoordeling van het verzoek.
4.1.
Het college heeft geen aanleiding gezien het volledige toetsingskader van artikel 2.14 van de Wabo te betrekken bij de beoordeling. Op het verzoek van een derde tot wijziging van de vergunning is artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo van toepassing, of als er sprake is van een actualisatieplicht artikel 2.31, eerste lid, onder b, van de Wabo.
4.2.
De rechtbank is het eens met het college, reeds omdat de tekst van de Wabo hierover klip en klaar is. Er is ook geen aanleiding het volledige toetsingskader erbij te betrekken omdat artikel 2.31, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder b, van de Wabo een ruime grondslag bieden voor wijziging van een omgevingsvergunning (milieu). De rechtbank voegt daar aan toe dat voor wat betreft Natura 2000-gebieden de Wnb een aanvullend, toereikend toetsingskader biedt voor bescherming tegen de door eiseres genoemde nadelige gevolgen van stikstof- en ammoniakemissie. In het beroepschrift noemt eiseres ook nog enkele andere natuurgebieden die behoren tot het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) waaronder het NNN-gebied Halsters Laag. Dat gebied heeft eiseres echter niet genoemd in het inleidende verzoek om aanpassing van de omgevingsvergunning en het college kan niet worden tegengeworpen dat het niet op dit verzoek heeft beslist.
5. Eiseres is van mening dat het college ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de aspecten die de toestand en bescherming van het milieu betreffen. Het bestreden besluit is dus niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gebracht en evenmin op de juiste wijze gemotiveerd.
5.1.
Saint Gobain heeft na het verzoek van eiseres een gefaseerde aanvraag voor een omgevingsvergunning (milieu) revisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en 2.6 van de Wabo ingediend. Het college heeft deze vergunning verleend op 25 april 2024. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 24/2453. De rechtbank heeft in de uitspraak van heden het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het betreffende besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten en het beroep van rechtswege van eiseres tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard.
5.2.
De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van heden en de tussenuitspraak van 20 november 2024 in de zaak SHE 24/2453 van oordeel dat het college in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding heeft hoeven zien om het verzoek van eiseres in te willigen.
Schadevergoeding redelijke termijn
6. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
6.1.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiseres gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiseres. In beginsel is in het geval het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure een totale lengte van de procedure bij de rechtbank van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift. [1] De termijn eindigt op het moment waarop de rechtbank op het beroep beslist en uitspraak doet. Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van
€ 500,00 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Sinds het instellen van beroep door eiseres op 16 maart 2023 is ten tijde van deze uitspraak drie jaar verstreken. De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan, in het licht van de hiervoor genoemde criteria, deze overschrijding gerechtvaardigd is te achten. Dat betekent dat de procedure 12 maanden te lang heeft geduurd.
6.2.
Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseres toe te kennen bedrag € 1.000,00. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel is toe te rekenen aan de rechtbank, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan eiseres, als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres heeft wel recht op een schadevergoeding van € 1.000,00, omdat de procedure te lang heeft geduurd. Zij heeft ook recht op vergoeding van haar proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding.
7.1.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank is toe te rekenen, moet de Staat der Nederlanden ook de proceskosten vergoeden voor het verzoek om schadevergoeding. Bij de berekening van de kosten zal wat betreft de zwaarte van de zaak de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd, omdat het hier alleen gaat om beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Dat leidt tot een proceskostenvergoeding van € 467,- (0,5 x € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding van
€ 1.000,00 aan eiseres;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie ABRS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701.