Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1684

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/2453 E
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2.4 WnbArt. 2.14 WaboArt. 6:19 AwbArt. 15 lid 3 Richtlijn 2010/75/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning Saint Gobain wegens onvoldoende motivering herstelbesluit

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 16 maart 2026 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke geschil over de revisievergunning die het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan Saint Gobain heeft verleend. Na een eerdere tussenuitspraak waarin gebreken in de vergunning werden vastgesteld, heeft het college een herstelbesluit genomen dat volgens de rechtbank de gebreken voldoende herstelt.

Eisers hadden bezwaar tegen het ontbreken van een vaste verhouding voor het gebruik van bindermaterialen en het ontbreken van een jaarvrachtnorm voor ammoniakemissie. De rechtbank oordeelt dat het college binnen zijn beoordelingsruimte heeft gehandeld en dat het herstelbesluit voldoende gemotiveerd is, hoewel het oorspronkelijke besluit onvoldoende was gemotiveerd en daarom wordt vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand.

Verder is het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond verklaard. Eisers hebben ook een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend, maar de rechtbank oordeelt dat de termijn nog niet is overschreden. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het beroep tegen het herstelbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2453E

einduitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1]uit [vestigingsplaats], [eiser 1]
[eiser 2]uit [vestigingsplaats],
gezamenlijk te noemen eisers
(gemachtigde: mr. M. Haan),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigden: mr. F. Warendorf, mr. M. van der Stappen, mr. M. Box en [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [vestigingsplaats] ([naam])
(gemachtigden: mr. S. Nijenhuis, mr. A.S.D. Lijkwan en mr. J.C.W. van Eekeren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de revisievergunning die het college heeft verleend aan Saint Gobain. In de tussenuitspraak van 20 november 2024 [1] (tussenuitspraak) heeft de rechtbank gebreken in deze vergunning geconstateerd en het college in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen. In het herstelbesluit wordt de revisievergunning aangevuld met voorschriften en een motivering. Eisers en Saint Gobain hebben hierop gereageerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in het herstelbesluit de gebreken heeft hersteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. In rechtsoverweging 2 staat het procesverloop. In rechtsoverweging 3 wordt een samenvatting gegeven van de tussenuitspraak. In rechtsoverweging 4 wordt het herstelbesluit benoemd. Vanaf rechtsoverweging 7 volgt de beoordeling van de rechtmatigheid van het herstelbesluit.

Procesverloop

2. Bij besluit van 25 april 2024 heeft het college aan Saint Gobain op haar aanvraag van 21 juli 2023 een omgevingsvergunning tweede fase (revisievergunning) verleend voor haar bedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats].
2.1.
Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 24/2453.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1017, SHE 23/1015 en SHE 23/858, in welke zaken op 16 mei 2024 al een inlichtingencomparitie was gehouden. Aan de inlichtingencomparitie en de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college, en mr. J.C.W. van Eekeren en mr. S. Nijenhuis namens Saint Gobain.
2.3.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Op dezelfde datum heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan in zaak SHE 23/306 en SHE 23/1017.
2.4.
Op 5 februari 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen (het herstelbesluit). Eisers en Saint Gobain hebben hierop gereageerd.
2.5.
Bij brief van 4 november 2025 hebben eisers verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken SHE 23/306, SHE 23/1017, SHE 23/1015 en SHE 23/858. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college en namens Saint Gobain [naam] en [naam], alsmede mr. S. Nijenhuis en mr. A.S.D. Lijkwan.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank meerdere gebreken in het bestreden besluit geconstateerd:
  • Het college had Saint Gobain moeten vragen om de aanvraag te verduidelijken voor wat betreft de bedoelingen omtrent de verhouding tussen de bakelietbinder en de groene binder.
  • Het college zal gemotiveerd moeten aangeven of aanleiding bestaat een vaste verhouding tussen toepassing van de bakelietbinder en de groene binder op te nemen.
  • De Estimation van de prestaties van de hybride oven is onvoldoende inzichtelijk met betrekking tot de inschatting van het effect van het gebruik van nitraat.
  • Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen aanvullende verplichtingen ten aanzien van het gebruik van nitraat zijn opgenomen.
  • Het college had toepassing van het ISO 14001 moeten borgen in de voorschriften.
De rechtbank heeft geen oordeel gegeven over de meer algemene beroepsgrond van eisers over de toetsing aan artikel 2.14, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4. In het herstelbesluit heeft het college het bestreden besluit gewijzigd door hieraan voorschriften toe te voegen met aanvulling en verbetering van de overwegingen. Volgens het college heeft Saint Gobain geen vaste verhouding aangevraagd van 60% groene binder en 40% bakeliet binder. Het college ziet geen aanleiding om een vaste verhouding tussen het toepassen van de bakelietbinder en groene binder op te nemen, omdat dan enerzijds wordt afgeweken van de aanvraag en anderzijds Saint Gobain een productieverplichting wordt opgelegd. In het herstelbesluit is ook vermeld dat een reële jaarvrachtnorm voor ammoniakemissie niet kan worden vastgesteld. De monitorings- en rapportageverplichtingen in de voorschriften 9.1.13 en 9.1.10 zijn voldoende. Overigens heeft het college in het herstelbesluit van 10 april 2025 ter uitvoering van de tussenuitspraak in de procedures SHE 23/306 en SHE 23/3017 wel een jaarvrachtnorm voor ammoniak uit de stalen schoorsteen opgenomen op grond van artikel 2.4 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
4.1.
De rechtbank concludeert dat het herstelbesluit een aanvulling is op (en geen intrekking van) het bestreden besluit. Eisers hebben nog een belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Op basis van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep van eisers zich van rechtswege mede tegen het herstelbesluit en kan Saint Gobain reageren op het herstelbesluit.
5. Eisers vinden dat er wel een jaarvrachtnorm voor ammoniak in het bestreden besluit had moeten worden opgenomen alsmede dat een vaste verhouding voor het gebruik van de bakelietbinder en de groene binder had moeten voorgeschreven. Het herstelbesluit staat er niet aan in de weg dat de bakelietbinder voor 100% wordt ingezet. Er wordt dus latente ruimte vergund. Het niet opnemen van een jaarvrachtnorm is volgens eisers ook in strijd met artikel 15, derde lid, van de (herziene) Richtlijn industriële emissies.
5.1.
Eisers bestrijden niet de overweging van het college dat Saint Gobain geen vaste verhouding voor het gebruik van de bakelietbinder en de groene binder heeft aangevraagd. Het college merkt dus terecht op dat de grondslag van de aanvraag wordt verlaten als een dergelijke vaste verhouding wel verplicht wordt opgelegd in het bestreden besluit en dat dit een impliciete weigering is van de aanvraag. Feitelijk noemen eisers als enige rechtvaardiging voor een dergelijk oordeel de gevolgen van de emissies voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De rechtbank is van oordeel dat het gebruik van de bevoegdheden op basis van de Wnb (meer in het bijzonder artikel 2.4 van de Wnb) hiervoor de aangewezen weg is. Het college heeft deze weg ook gevolgd door in het besluit van 10 april 2025 een jaarvrachtnorm op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, mede gelet op de hem toekomende beoordelingsruimte bij de toepassing van artikel 2.14, eerste lid, onder a en derde lid, van de Wabo geen aanleiding hoeven zien om daarnaast in het milieuspoor ook een jaarvrachtnorm op te leggen. Dat de conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT) relatief oud zijn, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
5.2.
Ten tijde van het herstelbesluit was de implementatietermijn van de Richtlijn (EU) 2024/1785 van 24 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG van de Raad nog niet verstreken. Daarom is er geen aanleiding voor het oordeel dat het herstelbesluit is genomen in strijd met het herziene artikel 15, derde lid, van richtlijn (EU) 2024/1785.
5.3.
Hoewel eisers terecht aan hebben gevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd, is dit gebrek voldoende hersteld met de motivering in het herstelbesluit en gelet op het besluit van 10 april 2025. Dit vormt aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen maar de rechtsgevolgen in stand te laten. De beroepsgrond die in de tussenuitspraak niet is behandeld, slaagt niet.
6. Volgens eisers staat niet vast dat wordt voldaan aan de eisen in BBT-conclusie 1. [2]
6.1.
In het herstelbesluit is voorschrift 1.8.1 opgenomen dat als volgt luidt: “Vergunninghouder moet te allen tijde beschikken over een ISO 14001 gecertificeerd milieubeheersysteem.”
6.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen: “
De rechtbank acht het noodzakelijk dat Saint Gobain in een voorschrift wordt verplicht om een ISO 14001 certificaat te hebben. De verwijzing naar de BBT-toets is onvoldoende. Niet kan worden uitgesloten dat de eisen aan de ISO certificering in de toekomst zullen wijzigen. De rechtbank is wel van oordeel dat het college hiermee kan volstaan. Het voert te ver om BBT 1 conclusie integraal over te nemen in een vergunningvoorschrift. Daargelaten dat het college al andere voorschriften met een beheersysteem heeft opgenomen, hebben eisers niet onderbouwd waarom met de beschikking over ISO 14001 certificaat de BBT-conclusie 1 niet in acht zou worden genomen.”
6.3.
Eisers hebben nog steeds niet onderbouwd waarom ondanks de verwijzing naar het ISO 14001 certificaat niet zou worden voldaan aan BBT-conclusie 1. Zij zijn hierop gewezen in de tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het college het gebrek voldoende heeft hersteld.
7. Saint Gobain is het niet eens met vergunningvoorschrift 1.7.2, dat is opgenomen ter maximering van het gebruik van nitraat. Dit voorschrift is volgens Saint Gobain in strijd met BBT-conclusie 58, dat geen absolute gebruiksbeperking van nitraat voorschrijft. Saint Gobain vindt dat het college verder is gegaan dan de suggesties in de tussenuitspraak. Saint Gobain wijst er op dat een absolute bovengrens niet kan worden opgelegd omdat de exacte bijdrage van nitraten kan fluctueren. Hoe vervuilder het glas is, hoe meer nitraten noodzakelijk zijn. Bovendien is natriumnitraat (NaNO3) slechts één van de parameters die uiteindelijk leidt tot de emissie van NOx uit de bron, te weten de stenen schoorsteen. Het college verwijst volgens Saint Gobain ten onrechte naar het onderliggende rapport (de ‘Estimation’) want dat had tot doel aan te tonen dat een uitstoot van 1 kg NOx/ton haalbaar is (hetgeen ook klopt gelet op recente metingen). Saint Gobain merkte ter zitting op dat ze nu wordt geconfronteerd met een hoofdnorm en een subnorm, terwijl ze nooit over de 1 kg gaat. Voorschrift 1.7.2 beperkt haar in de flexibiliteit.
7.1.
Het herstelbesluit voorziet in aanvullende normen waaronder voorschrift 1.7.2. Hierin is het volgende bepaald: Het gebruik van NaNO3 in de oven mag aantoonbaar niet meer bedragen dan 1,19 kg per ton gesmolten glas.
7.2.
In het herstelbesluit heeft het college aangesloten bij de ‘Estimation’. Hierin is aangegeven dat 1 kg NaNO3 die in de oven is gebracht, naar verwachting 0,32 kg NOx/ton glas genereert. Saint-Gobain gaat uit van een bijdrage van 0,38 kg/ton, dus daaruit leidt het college af dat maximaal 1,19 kg NaNO3 per ton glas wordt ingezet. Daarom is deze maximale toepassing van nitraat opgenomen in de voorschriften. Het college overweegt verder dat uit de stoffenlijst blijkt dat ook alternatieven voor het gebruik van nitraat worden toegepast (mangaanoxide en natriumsulfaat) die geen NOx genereren. In BBT-conclusie 58 staat dat “een of meer van de volgende technieken” moeten worden toegepast:
- Het gebruik van nitraten in het gemengd tot een minimum beperken;
- Elektrisch smelten;
- Oxyfuel melting.
Deze technieken worden alle drie bij Saint Gobain toegepast.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college voorschrift 1.7.2, gelet op de aan hem toekomende beoordelingsruimte, in redelijkheid in de vergunning heeft kunnen opnemen. Het is niet in strijd met BBT-conclusie 58 omdat hierin al een minimalisatieverplichting is opgenomen. Het college is bevoegd om in het belang van de bescherming van het milieu verdergaande voorschriften te stellen. Niet is gebleken dat Saint Gobain niet kan voldoen aan het voorschrift. Dit blijkt ook niet uit de recente metingen. Naar de rechtbank begrijpt, is het enige nadelige gevolg van het voorschrift voor Saint Gobain, dat Saint Gobain sterk vervuild glas in mindere mate kan gaan gebruiken.
Schadevergoeding redelijke termijn
8. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
8.1.
De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eisers gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eisers. In beginsel is in het geval het bestreden besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure een totale lengte van de procedure bij de rechtbank van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift. [3] De termijn eindigt op het moment waarop de rechtbank op het beroep beslist en uitspraak doet. Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van
€ 500,00 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
8.2.
Eisers hebben op 11 juni 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Er zijn sindsdien nog geen twee jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden en aan eisers geen schadevergoeding zal worden toegekend.

Conclusie en gevolgen

9. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking omdat het onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep tegen het herstelbesluit slaagt niet. De rechtbank ziet in de aanvullende motivering in het herstelbesluit aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat Saint Gobain feitelijk beschikt over een revisievergunning, namelijk de revisievergunning in het bestreden besluit, aangevuld met het herstelbesluit.
9.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers de door hun betaalde griffierechten vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3,5 punten op (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen op twee zittingen en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 3.269,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand;
  • verklaart het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond;
  • draagt het college op de betaalde griffierechten van € 365,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.269,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Uit de BBT-conclusies van de Europese Commissie van 28 februari 2012, gebaseerd op Best Available Techniques Reference Document for the Manufacture of Glass (BREF productie van glas), gepubliceerd in mei 2013.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701.