ECLI:NL:RBOBR:2026:1819

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/01/413496 / HA ZA 25-173
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 BWArt. 3:44 BWArt. 6:265 BWArt. 326 SrArt. 26 Verordening Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering terugbetaling betaalde koopsom aandelen in Belgische vennootschap

De zaak betreft een koopovereenkomst tussen eiser, een internationale investeerder, en gedaagden over de aankoop van aandelen in een Belgische vennootschap tegen een koopsom van €650.000,-. Eiser betaalde €190.000,- contant, maar vordert dit bedrag terug omdat hij meent dat de overeenkomst nietig, vernietigbaar of ontbonden is.

De rechtbank stelt vast dat de aandelen in de vennootschap zijn verkocht en niet de woning zelf. De verkoper is de Nederlandse vennootschap [B] B.V., niet de individuele gedaagden. Gedaagde 1 trad slechts op als bemiddelaar en was geen partij bij de koopovereenkomst. Gedaagde 2 was ook geen contractpartij, maar bestuurder van de verkopende vennootschap.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst niet nietig of vernietigbaar is op grond van artikel 3:40 BW Pro, omdat onvoldoende feiten zijn gesteld die dit ondersteunen. Ook is geen sprake van bedrog of oplichting. De ontbinding van de overeenkomst faalt omdat gedaagde 2 niet in verzuim is gekomen; er is geen geldige ingebrekestelling geweest.

Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot terugbetaling van €190.000,- af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/413496 / HA ZA 25-173
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend op een geheim adres,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ( [land] ),
gedaagden,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en samen [gedaagden] (meervoud),
advocaat: mr. A. Das Gupta.

1.De kern van de zaak

1.1.
De zaak gaat over een koopovereenkomst. [eiser] heeft in dat verband € 190.000,- betaald. [eiser] vordert dat bedrag echter terug, om diverse redenen.
1.2.
De rechtbank wijst de vordering af. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de door [eiser] nagezonden beslagstukken
- de conclusie van antwoord
- de akte van [eiser] met aanvullende producties 8 t/m 16
- de akte van [gedaagden] met aanvullende productie 7
- de mondelinge behandeling (zitting) van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Tijdens de zitting hebben beide partijen spreekaantekeningen voorgedragen.
2.2.
Na afloop van de zitting is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is internationaal actief als investeerder.
3.2.
In 2023 is [eiser] in contact gekomen met [gedaagde 1] . Via [gedaagde 1] is [eiser] in contact gekomen met [gedaagde 2] . Partijen zijn van [nationaliteit] afkomst / hebben een [nationaliteit] achtergrond.
3.3.
Op 14 oktober 2024 hebben partijen gesproken over een woning in België als investering / (ver)koopobject. Er is toen een koopovereenkomst gesloten voor € 650.000,-, met [eiser] als koper (over andere belangrijke modaliteiten van de overeenkomst zijn partijen het niet eens – die worden in “de beslissing” behandeld). [eiser] heeft dezelfde dag € 190.000,- van de koopsom cash overhandigd aan [gedaagde 1] .
3.4.
Op 16 oktober 2024 is [eiser] bij [gedaagde 2] langsgekomen. [gedaagde 2] heeft op verzoek van [eiser] een kwitantie getekend. Deze ziet er als volgt uit:
3.5.
Op 17 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 2] elkaar telefonisch gesproken. Een verslag van dit telefoongesprek is ondertekend door [eiser] en [gedaagde 2] (productie 4 dagvaarding). Hierin staat (onder meer):
“According tot the Phone Conversation of tonight […] Mr. [gedaagde 2][ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank]
& Mr. [eiser][ [eiser] , toevoeging rechtbank]
has come to the Agreement on that in […] August 23rd 2024[partijen zijn het eens dat bedoeld is: 23 oktober 2024, toevoeging rechtbank]
on 21:00 pm get together and will sign the final agreement on the [A] in Dutch language and receive its key to the properties & Mr. [gedaagde 2][ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank]
will receive 100,000 euros in cash.”
3.6.
[gedaagde 2] heeft een jurist een Nederlandstalige koopovereenkomst laten opstellen.
3.7.
Op 23 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 2] de Nederlandstalige koopovereenkomst met elkaar besproken.
3.8.
[eiser] heeft na 23 oktober 2024 een advocaat ingeschakeld. Namens [eiser] heeft deze advocaat (terug)betaling van € 190.000,- gevorderd. Omdat aan deze sommatie geen gehoor werd gegeven, zijn diverse conservatoire beslagen gelegd ten laste van [gedaagde 1] .

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 190.000,00, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
[eiser] legt samengevat het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [eiser] heeft € 190.000,- betaald, maar dat bedrag is onverschuldigd betaald, althans [gedaagden] zijn gehouden dit bedrag terug te betalen. De gesloten overeenkomst is namelijk nietig althans vernietigbaar (artikel 3:40 BW Pro), omdat de overeenkomst is gesloten in strijd met artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht (oplichting). Subsidiair is de overeenkomst ontbonden (artikel 6:265 BW Pro), omdat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Er is een woning / er zijn aandelen verkocht, maar die is / zijn niet geleverd, aldus [eiser] .
4.3.
Volgens [gedaagden] moeten de vorderingen worden afgewezen op grond van onder meer het volgende.
Aan [gedaagde 1] is niet betaald. Hij was geen partij bij de overeenkomst, maar slechts een bemiddelaar. Ook aan [gedaagde 2] is niet betaald. Ook hij was geen partij bij de overeenkomst. Verkoper was de Nederlandse vennootschap [B] B.V. (hierna: [B] ) en niet [gedaagde 2] . Onderwerp van de overeenkomst zijn namelijk aandelen in een Belgische vennootschap (BV [A] , hierna: [A] ). De aandelen in [A] werden gehouden door [B] en niet door [gedaagde 2] , zodat [B] de verkopende partij was. Maar zelfs als [gedaagden] (of een van hen) partij is / was, geldt dat de overeenkomst niet kan worden ontbonden, omdat [gedaagden] niet in verzuim is komen te verkeren. Ook van bedrog of oplichting is geen sprake, aldus [gedaagden]
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het bevoegde internationale forum en het toepasselijke recht
5.1.
Dit geschil heeft een internationaal component, onder meer omdat [gedaagde 2] in [land] woont en [gedaagde 1] in Nederland.
5.2.
De Nederlandse rechter is bevoegd te oordelen over het geschil, in ieder geval op grond van artikel 26 Verordening Pro Brussel I-bis [1] .
5.3.
Het geschil wordt beoordeeld naar Nederlands recht op grond van artikel 3 Verordening Pro Rome I [2] alleen al omdat partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij het geschil naar Nederlands recht willen oplossen en omdat partijen in de stukken ook enkel een beroep hebben gedaan op het Nederlands recht.
De inhoud van de overeenkomst
5.4.
Voordat geoordeeld wordt over de vordering, wordt het volgende overwogen over de inhoud van de overeenkomst.
5.5.
Partijen zijn het niet eens over de inhoud van de overeenkomst. Vaststaat dat er een overeenkomst is gesloten met [eiser] als koper en met een koopsom van € 650.000,-. Dat is gesteld en niet (duidelijk) betwist. Partijen zijn het echter niet eens over de vragen wat het onderwerp is van de overeenkomst (een woning of de aandelen in [A] ) en wie de verkoper is ( [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , hun beiden of [B] ).
5.6.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
5.7.
Uit de feiten volgt dat de aandelen van [A] zijn verkocht en niet de woning.
1. [eiser] en [gedaagde 2] hebben op 16 oktober 2024 als volgt per app met elkaar gecorrespondeerd:
o [eiser] , om 1:39 uur:
“We are writing the contract now we need all the detail for the house”
o [gedaagde 2] , om 1:42 uur:
“It is [adres] But your buying the company”
o [eiser] , om 1:43 uur:
“i am buying the company and the house” “this is the format of the contract” […] “we need to specify the detail information of the property as well”
o [gedaagde 2] , om 1:44 en 1:45 uur:
“The company own the property. So if you buy the company you own the house” “If you buy the house the cost of tax going to be around 10%” “The company is the cost very low”
o [eiser] , om 1:46 uur: “
ok
Hieruit blijkt dat [eiser] en [gedaagde 2] het erover eens waren dat de aandelen (in [A] ) zouden worden overgedragen.
2. Ook uit het verslag van het telefoongesprek van 17 oktober 2024 blijkt dat de aandelen in [A] werden verkocht (r.o. 3.5). Dit verslag is door [eiser] en [gedaagde 2] getekend en hierin wordt als onderwerp van de koop “the [A] ” vermeld.
3. Tot slot, op 23 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde 2] met elkaar een concept koopovereenkomst (productie 5 dagvaarding) besproken. [eiser] heeft aangevoerd dat hij geen Nederlands verstaat. Naar de rechtbank begrijpt heeft [eiser] hiermee willen betwisten dat de concept overeenkomst op 23 oktober 2024 deugdelijk is besproken, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. [gedaagden] hebben tegen het standpunt van [eiser] ingebracht dat [eiser] die avond de tekst van de koopovereenkomst zin voor zin heeft vertaald via zijn telefoon en dit is niet weersproken. Ook is niet weersproken dat [eiser] en [gedaagde 2] diezelfde avond met elkaar hebben gegeten en champagne hebben gedronken op de totstandkoming van hun overeenkomst. In dat licht gaat de rechtbank ervan uit dat de concept overeenkomst deugdelijk is besproken.
Niet is gesteld, noch is gebleken, dat [eiser] bezwaar heeft gemaakt tegen de vermelding in de koopovereenkomst van de aandelen in [A] als onderwerp van de verkoop. In dat licht is de rechtbank van oordeel dat de aandelen van [A] (en niet de woning) het onderwerp is van de koop.
5.8.
Partijen verschillen van mening over wie de verkoper van de aandelen is. De rechtbank oordeelt dat [B] de verkoper is. Uit de feiten blijkt dat wie de verkoper is nooit een onderwerp van discussie is geweest. Nadat een jurist was ingeschakeld om de koopovereenkomst schriftelijk vast te leggen is in de concept overeenkomst komen te staan dat [B] de verkoper was, omdat [B] de aandelen hield en [gedaagde 2] de bestuurder van [B] was. [eiser] en [gedaagde 2] hebben hier geen bezwaar tegen gemaakt. De koopovereenkomst is besproken tussen [eiser] en [gedaagde 2] op 23 oktober 2024, zonder dat er bezwaar is gemaakt tegen de vermelding van [B] als verkoper. Hoewel [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde 1] of [gedaagde 2] , dan wel beiden, de verkoper is, heeft hij dit onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft aangevoerd dat de conceptovereenkomst niet is ondertekend, maar dit verandert het oordeel niet. Ook zonder ondertekening kan de conceptovereenkomst als aanknopingspunt dienen om de inhoud van de gesloten overeenkomst vast te stellen.
5.9.
De conclusie is dus dat, naar het oordeel van de rechtbank, uit de feiten volgt dat met de overeenkomst (1) de aandelen in [A] zijn verkocht (2) tegen een prijs van € 650.000,-, (3) dat [B] de verkoper was en (4) [eiser] de koper.
Het oordeel over de vorderingen
5.10.
Mede in het licht hiervan wordt als volgt over de vorderingen geoordeeld.
5.11.
De vordering tegen [gedaagde 1] wordt afgewezen.
5.12.
Het bedrag van € 190.000,- is niet aan [gedaagde 1] betaald. Weliswaar heeft [gedaagde 1] feitelijk het bedrag van € 190.000,- cash in ontvangst genomen, maar dat deed hij namens de verkoper. [gedaagde 1] heeft namelijk gesteld dat hij slechts een tussenpersoon was en dat hij dat was volgt uit de feiten. [gedaagde 1] heeft gesteld dat hij na het sluiten van de koopovereenkomst € 5.000,- van ieder van [eiser] en [gedaagde 2] heeft ontvangen en dat hij dit ontving bij wijze van vergoeding voor zijn bemiddeling en dat is door partijen niet betwist. Ook uit de kwitantie van 16 oktober 2024 (r.o. 3.4) blijkt dat [gedaagde 1] (slechts) als bemiddelaar optrad, omdat daarin niet hij ( [gedaagde 1] ) als de ontvanger van € 190.000,- cash wordt vermeld, maar [gedaagde 2] . Verder heeft [gedaagde 1] betwist dat hij partij was bij de koopovereenkomst en blijkt ook niet uit de feiten dat hij dat was.
5.13.
De vordering tegen [gedaagde 1] wordt dus afgewezen, omdat hij bij de ontvangst van het bedrag van € 190.000,- niet voor zichzelf, maar namens de verkoper optrad.
5.14.
De vordering tegen [gedaagde 2] wordt eveneens afgewezen.
5.15.
[gedaagde 2] was geen partij bij de koopovereenkomst, zoals hiervoor is weergegeven. Dat was [B] (in wiens naam [gedaagde 2] en [gedaagde 1] optraden). Dat is dus de partij aan wie is betaald. Dat betekent dat [eiser] geen vordering heeft tegenover [gedaagde 2] tot terugbetaling van bedragen die op basis van de koopovereenkomst zijn betaald.
5.16.
Maar zelfs als zou worden aangenomen dat [gedaagde 2] (en niet [B] ) de verkoper zou zijn en het bedrag van € 190.000,- zou hebben ontvangen, zou de vordering worden afgewezen op grond van het volgende.
5.17.
Dat sprake is van een situatie die voldoet aan de eisen van artikel 3:40 BW Pro is niet gebleken. [eiser] heeft een beroep gedaan op dit artikel, maar hij heeft onvoldoende feiten gesteld gelet op de vereisten van dit artikel. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat de prijs € 300.000,- lager werd vermeld in de overeenkomst dan was overeengekomen (€ 350.000,- in plaats van € 650.000,-), met de bedoeling belastingaanslagen te omzeilen. [gedaagde 2] heeft dit echter gemotiveerd betwist: volgens hem was sprake van een vergissing, hield de vergissing verband met € 300.000 cash betaling (€ 190.000 dat cash was betaald en € 110.000 waarvan de cash betaling was aangekondigd, verwezen wordt naar r.o. 3.4, waar deze bedragen ook worden genoemd) en is de vergissing de avond dat de overeenkomst werd besproken, op 23 oktober 2024, gecorrigeerd. Dat is niet betwist. Omdat [eiser] daarop zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, staat het niet vast dat het de bedoeling was van de overeenkomst om belastingaanslagen te omzeilen. De conclusie is dus dat de overeenkomst niet nietig of vernietigbaar is op grond van 3:40 BW.
5.18.
[eiser] lijkt met zijn beroep op artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht een beroep te doen op bedrog / misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW Pro), maar dat aan de voorwaarden van artikel 3:44 BW Pro is voldaan blijkt niet uit de feiten. [eiser] stelt dat hij onder druk is gezet, maar dat is betwist en niet gebleken. Omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld in dit verband, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
5.19.
[eiser] heeft tot slot het standpunt ingenomen dat de overeenkomst is ontbonden (op grond van artikel 6:265 BW Pro), maar ook dit slaagt niet. [gedaagde 2] is namelijk niet in verzuim komen te verkeren (terwijl dat in dit geval wel een vereiste was). [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat [gedaagde 2] in verzuim is komen te verkeren gewezen op brieven van 2 december 2024 aan [gedaagde 1] en 8 januari 2025 aan [gedaagde 2] (productie 6 dagvaarding), maar die brieven bevatten geen ingebrekestelling. In de brieven wordt niet een termijn gegeven aan de schuldenaar voor het nakomen van een verbintenis. Dat had wel gemoeten, want nakoming was mogelijk: de “verbintenis” waar [gedaagde 2] volgens [eiser] in zou zijn tekortgeschoten is het leveren van de aandelen in [A] althans het leveren van de woning in België, maar niet is gebleken dat de aandelen en/of de woning niet kond(en) worden geleverd. [eiser] heeft aangevoerd dat de aandelen werden gehouden door [B] (en niet door [gedaagde 2] ) zodat de aandelen sowieso niet konden worden geleverd, maar dat maakt het oordeel niet anders. Immers: [gedaagde 2] kon als directeur grootaandeelhouder van [B] feitelijk wel degelijk over de aandelen beschikken. [gedaagde 2] is dus niet in verzuim komen te verkeren, zodat niet is voldaan aan de vereisten voor ontbinding (artikel 6:265 BW Pro).
5.20.
De conclusie is dus dat, zelfs als [gedaagde 2] contractpartij zou zijn, de vordering zou worden afgewezen, omdat de overeenkomst niet nietig, vernietigbaar of ontbonden is. Er is dus ook niet onverschuldigd betaald, nu de koopovereenkomst de basis voor de betaling is.
5.21.
De vordering van [eiser] wordt afgewezen.
5.22.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
7.014,00
5.23.
Volgens het petitum van de conclusie van antwoord vorderen [gedaagden] opheffing van de beslagen, maar deze vordering wordt niet behandeld. Uit artikel 111 lid 2 sub d Rv Pro volgt dat een eiser de eis en de gronden daarvan duidelijk en begrijpelijk moet formuleren. Daar is niet aan voldaan, onder meer omdat niet expliciet bovenaan de conclusie staat dat er een vordering in reconventie is en er ook overigens in het stuk (anders dan in het petitum) geen aandacht aan is besteed.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 7.014,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Vieira en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.