De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal met geweld, mishandeling en vernieling. De feiten vonden plaats tussen oktober 2024 en augustus 2025 in Rosmalen en 's-Hertogenbosch. De verdachte werd vrijgesproken van een diefstal met gebruik van een bankpas wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander een mobiele telefoon en bankpas met geweld van een slachtoffer had weggenomen, een ruit van een woning had vernield en een jong slachtoffer had mishandeld. De rechtbank legde een werkstraf van 60 uren op, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarbij werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder toezicht door de jeugdreclassering en een contactverbod met de minderjarige slachtoffers.
De ouders van de verdachte werden veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €250 aan een van de slachtoffers, inclusief wettelijke rente en kosten. De rechtbank oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De redelijke termijn was licht overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering.