ECLI:NL:RBOBR:2026:1869

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
01.086389.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor diefstal met geweld, mishandeling en vernieling

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal met geweld, mishandeling en vernieling. De feiten vonden plaats tussen oktober 2024 en augustus 2025 in Rosmalen en 's-Hertogenbosch. De verdachte werd vrijgesproken van een diefstal met gebruik van een bankpas wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met een ander een mobiele telefoon en bankpas met geweld van een slachtoffer had weggenomen, een ruit van een woning had vernield en een jong slachtoffer had mishandeld. De rechtbank legde een werkstraf van 60 uren op, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarbij werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder toezicht door de jeugdreclassering en een contactverbod met de minderjarige slachtoffers.

De ouders van de verdachte werden veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €250 aan een van de slachtoffers, inclusief wettelijke rente en kosten. De rechtbank oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De redelijke termijn was licht overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie en voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met bijzondere voorwaarden; ouders veroordeeld tot immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.086389.25, 01.258106.25 en 01.224005.25 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2012] ,
wonende te [adres] ,
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 5 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van 01.086389.25:
1.
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een mobiele telefoon (iPhone 11) en/of een (ING) bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen,
- voornoemde [slachtoffer 2] in/tegen de buik te slaan/stompen,
- voornoemde [slachtoffer 2] om de buik vast te pakken en/of
- de mobiele telefoon en/of de bankpas (die achter de mobiele telefoon zat) met kracht uit de handen van voornoemde [slachtoffer 2] te trekken;
2.
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag van €1,74, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen bankpas tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren,
door een buskaart t.w.v. €1,74 met de gestolen bankpas te kopen;
Ten aanzien van 01.258106.25:
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te 's-Hertogenbosch
opzettelijk en wederrechtelijk
een ruit van een woning gelegen aan de Tweede Slagen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [medeverdachte] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
Ten aanzien van 01.224005.25:
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] te slaan;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht feit 1 in de zaak met parketnummer 01.086389.25 en de ten laste gelegde feiten in de zaken met de parketnummers 01.258106.25 en 01.224005.25 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 01.086389.25 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 01.086389.25 en de feiten in de zaken met de parketnummers 01.258106.25 en 01.224005.25 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01.086389.25 feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit
Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 in de zaak met parketnummer 01.086389.25.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 2 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Verdachte en medeverdachte wijzen elkaar aan als de persoon die de bankpas heeft gebruikt in de bus, waardoor een geldbedrag € 1,74 is afgeschreven van de bankrekening van benadeelde. Deze verklaringen vinden geen steun in andere bewijsmiddelen.
Omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest, die de bankpas heeft gebruikt, zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de in de bewijsbijlage opgesomde (feit 01.258106.25) en uitgewerkte (feit 1 01.086389.25 en 01.224005.25) bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van 01.086389.25:
1.
op 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander, een mobiele telefoon (iPhone 11) en een (ING) bankpas, die aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 2] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door- voornoemde [slachtoffer 2] meermalen in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen,- voornoemde [slachtoffer 2] in/tegen de buik te slaan/stompen,- voornoemde [slachtoffer 2] om de buik vast te pakken en- de mobiele telefoon en de bankpas (die achter de mobiele telefoon zat) met kracht uit de handen van voornoemde [slachtoffer 2] te trekken.
Ten aanzien van 01.258106.25:
op 9 mei 2025 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk
een ruit van een woning gelegen aan de Tweede Slagen, die aan een ander, te weten aan [medeverdachte] , toebehoorde, heeft vernield.
Ten aanzien van 01.224005.25:
op 8 augustus 2025 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] te slaan.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een werkstraf van 100 uren gevorderd met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling. Daarnaast heeft de officier van justitie een jeugddetentie gevorderd van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en daarnaast nog als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de minderjarige slachtoffers, vermeld in de tenlastelegging.
De officier van justitie heeft verder gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman vindt de eis van de officier van justitie aan de forse kant.
De raadsman heeft verzocht aan te sluiten bij het advies van de Raad en te volstaan met een (deels) voorwaardelijke werkstraf met de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de officier van justitie zijn geëist.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof. Hij heeft samen met een ander een jongen met geweld beroofd van een telefoon en een bankpas.
Daarnaast heeft verdachte een willekeurig, jong slachtoffer op straat benaderd, geïntimideerd en zonder aanleiding mishandeld. Zelfs nadat de moeder van het slachtoffer ter plaatse kwam, bleef hij het slachtoffer volgen, schold de moeder uit en heeft hij het slachtoffer, in haar aanwezigheid nogmaals mishandeld.
Ten slotte heeft verdachte opzettelijk een ruit van een woning vernield.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij met zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en bij hen gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt.
Bovendien heeft verdachte geen respect getoond voor de eigendommen van een ander.
De persoon van verdachte
Uit het advies van de Raad van 10 februari 2026 en de op de terechtzitting gegeven toelichting van de deskundigen blijkt dat de kans op herhaling aanwezig is door de sociale omgeving waarin verdachte verkeert. De Raad acht het van groot belang dat verdachte leert om grenzen te stellen zowel voor zichzelf als ook in de omgang met anderen, zich bewust wordt van zijn gedrag, de keuzes die hij maakt en de mogelijke gevolgen daarvan. De zorgen van de Raad draaien niet alleen om zijn huidige gedrag, maar ook om zijn toekomstige ontwikkeling. Het voorkomen van verder afglijden is, aldus de Raad, essentieel.
De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – , een meldplicht bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs of anderszins, meewerken aan onderzoek(en), diagnostiek, behandelingen, gedragsinterventie en meewerken aan Straatkracht, indien de jeugdreclassering dit nodig acht.
De straf
De rechtbank heeft voor het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten voor minderjarigen die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld.
Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden op zijn plaats met een proeftijd van twee jaren. Gelet op de rapportage van de Raad en de verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting, waaruit volgt dat verdachte gebaat is bij een strak kader, zullen aan deze voorwaardelijke straf de door de Raad geadviseerde voorwaarden worden verbonden. Daarnaast acht de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.
De rechtbank vindt daarnaast een werkstraf van zestig uren passend en geboden. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht dient in mindering te worden gebracht op deze straf, waarbij de rechtbank 1 dag waardeert op 2 uur te verrichten arbeid.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Dadelijke uitvoerbaarheid.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven, die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen.
Verdachte heeft een willekeurig persoon benaderd en geslagen. Daarnaast heeft verdachte een diefstal met geweld gepleegd.
De Raad voor de Kinderbescherming taxeert het algemeen recidiverisico als ‘heel hoog’ en het dynamisch risicoprofiel als midden/hoog. Er moet daarom ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zonder goede begeleiding wederom een dergelijk (gewelds)misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is aangevangen op het moment dat verdachte is aangehouden.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak dan ook te gelden dat de behandeling van de zaak met parketnummer 01.086389.25 op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn van 16 maanden met betrekking tot jeugdigen op het moment van de einduitspraak, op 23 maart 2026, is overschreden met ongeveer anderhalve maand.
Het gaat hier om een geringe overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Ten aanzien van parketnummer 01.224005.25

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 250,-- ingediend tegen verdachte, wegens immateriële schade, die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het feit in de zaak met parketnummer 01.224005.25, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een hoofdelijke veroordeling.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering, ten laste van de ouders van verdachte bepleit, met wettelijke rente.
Gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, namelijk jonger dan 14 jaar, heeft de officier van justitie geen schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij redelijk is en voldoende toegelicht. De raadsman vindt het gevorderde bedrag passend. Hij vraagt zich wel af of de vordering hoofdelijk moet worden toegewezen, nu de in deze zaak aangehouden persoon niet (verder) vervolgd lijkt te worden.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan met zich brengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
De aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de jonge benadeelde en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, maken dat de rechtbank het gevorderde bedrag van € 250,-- billijk acht en voor toewijzing vatbaar.
De rechtbank kan op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte dit strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd, gelet ook hetgeen hierover door de raadsman is aangevoerd en nu niet is tenlastegelegd en bewezenverklaard dat verdachte de mishandeling tezamen en in vereniging heeft gepleegd. De rechtbank zal de vordering tot hoofdelijke veroordeling van verdachte en de mededader(s) dan ook afwijzen.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een gedraging van een verdachte die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedraging van de verdachte kan wel worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, en als de verdachte veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zou die hem ook worden toegerekend. In verband met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit wordt de vordering echter, ingevolge artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen de ouders van de verdachte.
De ouders van verdachte worden daarom veroordeeld om € 250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de benadeelde partij.
De ouders van de verdachte worden ook veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast worden de ouders van de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Geen schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij is verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel kan echter alleen worden opgelegd indien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Aangezien de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, is de verdachte niet aansprakelijk voor de schade en kan er geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 01.086389.25 onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
verklaart het ten laste gelegde ten aanzien van parketnummer 01.086389.25 feit 1 en ten aanzien van de parketnummers 01.258106.25 en 01.224005.25 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van 01.086389.25 feit 1:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen
Ten aanzien van 01.258106.25:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Ten aanzien van 01.224005.25:

mishandeling

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Ten aanzien van 01-086389-25 feit 1, 01-224005-25, 01-258106-25:
 Een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid
 Een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling (WSJJ) te bepalen tijdstippen zal melden zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. dat veroordeelde gedurende de proeftijd een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van onderwijs of anderszins;
3. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan onderzoek(en)/diagnostiek, behandelingen en gedragsinterventie, indien dit als noodzakelijk en wenselijk wordt geacht door de jeugdreclassering;
4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan Straatkracht, indien de jeugdreclassering dit nodig acht
5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de slachtoffers in deze zaak, te weten:
- [slachtoffer 2] , geboren op [2011] en
- [slachtoffer 3] , geboren op [2016] .
Geeft aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden onder 1 tot en met 4 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen,
beveelt de rechter, gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn.

Ten aanzien van parketnummer 01.224005.25:

Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de ouders van verdachte (te weten: [vader] en [moeder] ) mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van een bedrag van EUR 250,00, betreffende immateriële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 8 augustus 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de
benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de
tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. H.M. Hettinga en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 23 maart 2026.