De rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €130.915,88. De veroordeelde werd eerder veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet en witwassen van drie voertuigen.
De rechtbank stelde vast dat de vordering tijdig was ingediend en dat de veroordeelde een groot bedrag aan onverklaarbaar vermogen had, dat niet aannemelijk kon worden verklaard door de verdediging. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd op een kasopstelling over de periode van januari 2020 tot september 2022, waarbij legale contante ontvangsten werden vergeleken met contante uitgaven.
De rechtbank matigde de betalingsverplichting door de aanschafwaarde van in beslag genomen hennep (€84.045,50) in mindering te brengen, waardoor de betalingsverplichting op €46.870,38 werd vastgesteld. Tevens werd de betalingsverplichting hoofdelijk opgelegd omdat de veroordeelde en haar partner een economische eenheid vormden.
De rechtbank constateerde een schending van de redelijke termijn, maar achtte deze voldoende gecompenseerd door matiging van de straf in de hoofdzaak. De ontnemingsvordering werd toegewezen met een hoofdelijk betalingsbedrag van €46.870,38.